Globaal bekeken
D onateurs en relaties van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) te Amsterdam ontvingen opnieuw een uitgave in de Donumreeks, ditmaal Herinneringen van prof. mr. Pieter Arie Diepenhorst (1879-1953), jarenlang een vooraanstaande figuur in gereformeerde en antirevolutionaire kring. Het boekje is samengesteld en van een inleiding voorzien door prof. dr. J. de Bruin en dr. R. E. van der Woude. Hier volgen twee 'herinneringen':
• 'Het is hier de plaats op de vermeerdering van het studentental, die aan het leven der Vrije Universiteit gewijzigd karakter gaf, nader in te gaan. Die groote uitbreiding moet de aandacht trekken. Hier met Ortega y Gasset te spreken van De opstand der horden u/are weinig complimenteus, maar wel kan worden ingestemd met de opmerking in zijn boek, dat in den modernen tijd opvallend is het feit der "volte". "De steden zijn vol menschen. De treinen vol reizigers. De café's vol klanten. De straten vol voorbijgangers. (...) Hetgeen vroeger nooit een moeilijkheid was, is dit thans onophoudelijk: een plaats te vinden."
Het geldt ook voor de Vrije Universiteit - zjj raakte vol studenten. Die kwantitatieve uitzetting, welke aan de studie een eenigszins gewijzigden gang gaf, valt niet te loochenen. Zullen wij nog eens de honderd studenten halen? , was een vraag bij de oudere generatie levend. Op het koperen feest der uniuersiteit, toen dr. Kuyper zijn rede Verflauwing der grenzen uitsprak, juichte hij dat het honderdtal studenten bijna bereikt was. (...)
Thans is alles anders geworden. Het massale heeft ook hier zijn intrede gedaan. Het aantal professoren dijde aanmerkelijk uit; het aantal studenten klom, vóór de abonormale oorlogsomstandigheden tot sluiting uan de Leidsche en inkrimping van de Amsterdamse Stedelijke Uniuersiteit leidden, boven de zevenhonderd. In oorlogstijd werd zelfs de twaalfhonderd overschreden, waarvan meer dan zeshonderd in de juridische faculteit. Natuurlijk bleef zoo het examen niet langer een gebeurtenis, die door haar zeldzaamheid verraste, de juridische faculteit zette zich in de laatste jaren ongeveer honderd keer achter de groene tafel. De waardigheid der examinatoren wies dermate, dat het één a twee per dag verveelvoudigd werd. Wat van deze getalsvermeerdering, deze "volte" te zeggen? Voor den hoogleeraar heeft zij bekoring, waar toch in de veelheid van studenten voor een goed deel des professors heerlijkheid is gelegen. Gasset is slecht te spreken over de horde, omdat zjj "al het afwijkende, het verhevene, het persoonlijke, het verdienstelijke en uitgelezene onder den voet loopt". "De veelheid nivelleert!'"
• 'Vallen in 1885 in het district Middelburg twee liberale Kamerleden, dan barst één der Zeeuwsche grootmogenden, mr. Fokker, in verontwaardiging uit dat dr. Kuypers optreden als twee druppels water geleek op "het straatgeleuter uan een rondreizenden kiezentrekker". Deze antwoordt kalm dat hij mr. Fokkers beeldspraak uerstaat: pas toch hebben de antirevolutionairen mr. Fokkers partij twee kiezen van stavast getrokken en van zelf gaf de heugenis aan een pijnlijke operatie in een vlaag uan nawerkende kiespijn aan mr. Fokkers kiezentrekkersbeeld in de hand.
Toen bij een gemeenteraadsverkiezing te Amsterdam gesmaldeelde conservatieven toenadering zochten bij eenige malcontente revolutionairen schreef dr. Kuyper in De Standaard een driestar, die alleen dit bevatte: Ondertrouwd: Conserva vief Verloopen en Antirevolutionair Malcontent Receptie: Amsterdamsche stembus In kortheid wordt zij nog overtroffen door dit driestarretje, geschreven in 1915 toen in Amsterdam IX voor de vacature Vliegen de heer De Vlugt de candidaat der antirevolutionairen was. Destijds gaf dr. Kuyper een driestar, met enkel dit zinnetje: "Vul vliegensvlug in voor Vliegen De Vlugt".'
B ij uitgeverij Prometheus/Bert Bakker in Amsterdam verscheen in de reeks Nederlandse Klassieken een driedelig werk over Constantijn Huygens
(zie Boekbespreking). Wie, wat en hoe hij was? Dat meldt de omslag:
• 'Constantijn Huygens (1596- 1687): dichter, secreta-
ris uan de Oranjes, hoveling, musicus, diplomaat, dansende calvinist, liefhebber van de schilderkunst, Heer van Zuylichem, kraker van vijandelijk geheimschrift, echtgenoot en weduwnaar van Sterre, vader van de ontdekker van Saturnus' ring, waaghals met hoogtevrees op de spits van de Straatsburger kathedraal, sir Huggins die geridderd van zijn paard viel, niet geheel geheelonthouder, slaaf in gulden boeien, gesprekspartner van dode schrijvers, schaatser die niet kon zwemmen, verdediger van een corrupte zoon, Alpenbedwinger, kruiwagen voor de nieuwe secretaris van Willem III, bedevaartganger in Petrarca's Vaucluse, vriend van Drebbel en Descartes, grafschriftschrijver voor De Zwijger, Erasmusvereerder, bekladder uan Woodstock, toegewijd docent, en autobiograaf.'
• Verder nog een fragment uit Huygens 'Journaal van de reis naar Venetië', over een bezoek aan de Duitse plaats Schaffhausen:
'De stad oogde heel verzorgd en de bevolking beschaafd, zoals je dat ook aantreft in alle overige kantons die onze godsdienst belijden. Er zijn hier vijftien predikanten die elke dag van de week twee preken houden, op zondag en donderdag zelfs drie. Bovendien is de gemeente of straffe gedwongen aanwezig te zijn. Ook op kansspelen, ruzies en vloeken staan zware straffen. Wat kleding betreft, pronkt men helemaal niet. ledereen gaat in het zwart, tot aan de voornaamsten toe, al hebben velen onder hen een vermogen van 80.000 pond. Men leeft er sober en goedkoop. Elke burger is verplicht het zwaard te dragen, zoals in heel Zwitserland. Met verbazing heb ik horen vertellen dat de kathedraal die ze "de Munster" noemen, gemetseld is met wijn. Er schijnen in Duitsland nog wel meer kastelen te zijn waar deze vloeistof door het cement is gedaan. Dat zou voor veel meer stevigheid zorgen dan water.'
I n De Oogst werd aandacht gegeven aan het volgende overbekende maar altijd weer aansprekende gedicht van Jacqueline van der Waals (1868-1922):
Ik ben mijn zonde moe en mijn berouw, Ik ben mij zelve moede en ik ben Het zoeken moe naar God, dien ik niet ken, En die ik toch zo gaarne kennen zou.
Ik ben mijn zwakheid moe en mijn verdriet, Mijn arbeid en mijn hoop en mijn genot, Maar bovenal het zoeken naar mijn God! - Ik ben het zoeken moede - maar God niet.
Hij ziet en kent mijn zonden en vergeeft Ze zeventig maal zeven maal en meer. Hij wil niet, dat mijn ziele sterft maar leeft. O, wonderbare goedheid van den Heer, Die naar zo moedeloos een ziel nog vraagt, Die alle dingen, en ook mij verdraagt.
jacqueline van der Waals groeide op in een wetenschappelijk, eenvoudig en gelovig milieu. Na haar opleiding werkte ze als lerares geschiedenis.
Eerst in Doorn, later in Bloemendaal en ten slotte in Amsterdam. Op 53-jarige leeftijd werd ze ziek, ze leed aan darmkanker. Een jaar later overleed ze.
Ze is e'e'n van de christelijke dichters die nog steeds en ook buiten eigen kring waardering ondervindt. Er zijn weinig bloemlezingen waarin je haar werk niet tegenkomt. Helderheid, openheid en eenvoud waren voor haar belangrijke criteria. Ze hunkerde naar eenvoud. Henk van der Ent schrijft in de inleiding van haar verzameld werk: "Ze leidde een onopvallend leven en waar ze opviel, trof haar bescheidenheid".
Behalve enkele van haar gedichten, als "Najaarslaan", "De herdersfluit" en "Die mijns harte vrede zijt", zijn ook sommige van haar liederen algemeen bekend. Haar bekendste lied is ongetwijfeld: "Wat de toekomst brenge moge". De dichteres is moe van alles. Moe van de strijd, moe van de zonde, moe van haar werk, moe van het hopen, moe van het genieten en moe van het zoeken naar God, naar Wie ze toch zo hartstochtelijk verlangt. Ze weet niet meer waar ze het zoeken moet. En dan komt de wending in het gedicht, ledereen kan moe zijn, het niet meer zien zitten, "maar God niet". Zijn ogen gaan. Hij ziet en kent. En vergeeft. (...)'
H et behoeft hier geen betoog hoe wij tegen zondagsport aankijken. Van tijd tot tijd worden echter ook beroepssporters gesignaleerd, die afkomstig zijn uit kerken van gereformeerde signatuur. Zo Bert Konterman (afkomstig uit hervormd Rouveen) en Peter van Vossen (afkomstig uit een (oud-? ) Gereformeerde Gemeente in Zeeland), beiden beroepsvoetballers. Konterman leest wel trouw zijn Bijbel en zegt in Het goede leven (landelijke zaterdageditie van het Friesch Dagblad):
'Verder wil ik mij graag inzetten voor Sport Witnesses, de vereniging van christelijke sporters. Want het geloof kan ook voor anderen een grote steun zijn. Daarin sta ik niet alleen. Bij Feyenoord had je ook spelers als Paauwe en Van Vossen die gelovig waren. Leo Beenhakker, die er toen zat, liet de gelegenheid om te bidden voor het eten. Hij zag dat ook als de normaalste zaak van de wereld. En zo is het ook.'
V.D.G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's