Plaatselijke regelingen
DE KERKORDE VAN DE PKN [11]
Kerkenraden die onder de nieuwe kerkorde willen vasthouden aan de lijn van Schrift en belijdenis, hebben er behoefte aan dat ook in enigerlei vorm vast te leggen. Daarmee geeft een kerkenraad aan in welk spoor hij de gemeente wil leiden. Ook is het een duidelijk signaal naar de meerdere vergaderingen (classicale vergadering en generale synode) dat de kerkenraad de ruimte die er in de kerk is voor allerlei onbijbelse praktijken, afwijst en wil blijven binnen de grenzen van de Schrift en de gereformeerde belijdenissen. Over de manier waarop dit kan worden vastgelegd, kan in dit artikel het laatste woord niet worden gesproken. De bezinning daarop is in de kerk nog gaande, onder andere naar aanleiding uan het convenant dat door de classicale vergadering van Alblasserdam is opgesteld. Daarover komt hopelijk binnenkort meer duidelijkheid. In dit artikel geven we een overzicht van de verschillende regelingen die kerkenraden voor de plaatselijke gemeente moeten vaststellen.
Regelingen
Volgens de nieuwe kerkorde behoort tot de taken van de kerkenraad dat zij 'de regelingen ten behoeve van het leven en werken van de gemeente' vaststelt (ord. 4-7-1). Voordat de kerkenraad deze regelingen vaststelt of wijzigt, moet hij de leden van de gemeente daarin gekend en daarover gehoord hebben. Ook moet er overleg geweest zijn met een aantal colleges en organen van bijstand in de gemeente. Het gaat daarbij om minimaal drie regelingen: de regeling voor de verkiezing van ambtsdragers, de regeling voor de wijze van werken van de kerkenraad en de regeling voor het beheer van de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente (ord. 4-7-2). Al deze regelingen worden door de kerkenraad vastgesteld en daarna ter kennisneming toegezonden aan het breed moderamen van de classicale vergadering. Het valt te verwachten dat voor deze regelingen modellen beschikbaar komen. Een kerkenraad moet uiterlijk op 1 januari 2005 de nieuwe regelingen vastgesteld hebben (overgangsbepalingen 89, 181 en 184).
Verkiezingsregeling
In de verkiezingsregeling wordt vastgelegd op welke wijze de verkiezing van ambtsdragers in de gemeente wordt gehouden (ord. 3-2-1). Sommige procedures die nu in de hervormde kerkorde zijn vastgelegd, ontbreken in de nieuwe kerkorde. Dat moet daarom in de plaatselijke verkiezingsregeling worden opgenomen. Hervormde kerkenraden dié de bestaande praktijk willen handhaven, kunnen betrekkelijk eenvoudig de bepalingen uit de hervormde kerkorde overnemen in de nieuw te maken verkiezingsregeling. De nieuwe kerkorde geeft aan dat in de verkiezingsregeling kan worden vastgelegd dat alleen belijdende leden stemgerechtigd zijn. De kerkenraad bepaalt dit, na de leden van de gemeente erin gekend en erover gehoord te hebben (ord. 3-2-3). Een ander punt is dat de nieuwe kerkorde ervan uitgaat dat de verkiezing van een predikant (dus een beroep) plaatsvindt in een vergadering van de stemgerechtigde leden van de gemeente (ord. 3-4-5). In een gemeente met meer dan 200 stemgerechtigde leden kan echter in de plaatselijke verkiezingsregeling worden vastgelegd dat de verkiezing geschiedt door de kerkenraad (ord. 3-4-7). Dat is nu ook de bestaande praktijk onder de hervormde kerkorde. Verder wordt in de verkiezingsregeling vastgesteld in welke maand de verkiezing van ouderlingen en diakenen wordt gehouden (ord. 3-7-6).
Regeling kerkenraad
In de regeling voor de wijze van werken van de kerkenraad moet het in ieder geval gaan over het bijeenroepen van de vergaderingen, de agendering, de wijze waarop de gemeente wordt gekend en gehóórd, de toelating van niet-leden van de kerkenraad tot zijn vergaderingen en het beheer van de archieven (ord. 4-8-6). Voor sommige zaken kunnen ook hier bepalingen uit de hervormde kerkorde worden overgenomen, zodat de bestaande praktijk niet verandert. In deze regeling zou de kerkenraad bijvoorbeeld kunnen vastleggen dat hij bij het leiden van de gemeente gehoorzaam wil zijn aan de Schrift en wil uitgaan van de gereformeerde belijdenissen en van de lutherse belijdenissen alleen voorzover ze met de gereformeerde belijdenissen overeenkomen. Belangrijk is dat dit zorgvuldig gebeurt. 'Bepalingen in regelingen van kerkelijke lichamen die in strijd zijn met hetgeen in de kerkorde en de ordinanties is bepaald, hebben geen kracht' (ord. 4-4-2). Wanneer de kerkenraad dat wat tot haar eigen beleidsvrijheid hoort - en dat is veel - op de goede wijze vastlegt, ontstaat hier geen probleem. Verder is het wachten nu nog op de uitkomst van de bezinning die hierover nog gaande is en waarover we in de aanhef hierboven al schreven.
Over de regeling voor het beheer van de vermogensrechtelijke aangelegenheden (de stoffelijke zaken) van de gemeente staat merkwaardigerwijze in de kerkorde en ordinanties en generale regelingen geen letter te lezen, behalve dan de enkele vermelding in ord. 4-7-2. Wat in deze regeling moet worden opgenomen, blijft dus onduidelijk.
Naast de genoemde regelingen moet er in gemeenten met wijkgemeenten nog een vierde regeling zijn. Dat is de plaatselijke regeling waarin onder andere de verdeling van taken en bevoegdheden over enerzijds de algemene kerkenraad en anderzijds de wijkkerkenraden wordt aangegeven (ord. 2-16-10 en 4-9-4).
Beleidsplan
Een ander document dat door de kerkenraad moet worden vastgesteld, is het beleidsplan ter zake van het leven en werken van de gemeente (ord. 4-7-1). Dit wordt telkens voor een periode van vier jaar vastgesteld, na overleg met kerkrentmeesters (de nieuwe naam voor kerkvoogden), diakenen en daarvoor in aanmerking komende organen van de gemeente, zoals de jeugdraad of de zendingscommissie. Na voorlopige vaststelling wordt het in de gemeente gepubliceerd en kunnen gemeenteleden reageren. Daarna stelt de kerkenraad het definitief vast (ord. 4-8-5). Het beleidsplan kennen we in de hervormde kerkorde inmiddels al meer dan tien jaar. Ook hierin kan de kerkenraad aangeven dat hij bij het te voeren beleid uit wil gaan van de Schrift en de drie Formulieren van Enigheid en bijvoorbeeld ook dat hij niet voornemens is een besluit te nemen als bedoeld in ord. 5-4 (over het zegenen van andere levensverbintenissen).
Al met al lijken er dus voldoende mogelijkheden te zijn om als kerkenraad in de plurale PKN een gereformeerde positie in te nemen en deze positie ook vast te leggen. Naast de genoemde regelingen en het beleidsplan valt ook nog te denken aan een afzonderlijke verklaring. Het convenant van de classicale vergadering van Alblasserdam is daar een voorbeeld van. Zoals gezegd verwachten we dat hierover binnenkort meer duidelijkheid komt.
H. VAN GINKEL, GOES
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's