De bijbel als bron van vroomheid [I]
Grünewald
Tijdens de predikantencontio van de Gereformeerde Bond hield ik een referaat over de omgang met de Bijbel. Het hoofdbestuur heeft me gevraagd dat verhaal, zij het in wat gewijzigde vorm, op onze jaarvergadering te herhalen. Ook nu wil ik een aantal motieven noemen en meteen ook bij u aanbevelen, waardoor de vroomheid van het piëtisme werd gekenmerkt. Maar eerst brengen we, bij wijze van inleiding, samen een bezoek aan het museum 'Unterlinden' in het Elzasser Colmar, om daar het Isenheimer Altar te bezichtigen. Het betreft een schilderstuk van Luthers tijdgenoot Matthias Grünewald en het bestaat uit een reeks van voorstellingen die het leven en lijden van de Heiland weergeven. Eén van de hoofdpanelen toont Johannes de Doper. Met zijn linkerarm omklemt hij de Bijbel. Zijn rechterhand wijst met een onevenredig lange wijsvinger naar het centrum van het doek, Jezus aan het kruis. Van die vinger gaat een roep uit: 'Zie, het Lam van God'. Tussen Johannes' vinger en ogen tekende Grünewald, tegen een donkere achtergrond, met kapitale letters: 'Hij moet wassen, maar ik minder worden'. Wie de symboliek van dit schilderij op zich laat inwerken, wordt nauwkeurig ingelicht over de aard van de christelijke vroomheid.
Drie belangrijke aspecten komen aan het licht. In de eerste plaats de elementaire betekenis van de Bijbel. Grünewalds Johannes draagt in de ene hand de Schriften. Hij houdt ze vast, dicht bij zijn hart, omdat hij er houvast aan vindt. Ze zijn de bron waaruit hij put, de stem waarvan hij leeft, de lucht waarin hij ademt. In dit teken staat de christelijke vroomheid. Ze is geloofservaring die ontspringt aan Gods openbaring.
Het tweede aspect laat zich verhelderen door die andere hand van de Doper: één langgerekt signaal, een gebaar dat van zichzelf afwijst naar het Lam, naar God de Zoon Die vlees werd en tot in de laatste consequenties deelde in onze schamele menselijkheid. Johannes' vinger is nodigend van aard. Zijn vingerwijzing getuigt van missionaire drang. Als een echte evangelist dringt hij in mensen met gloed en gunning naar Jezus heen. Maar ook Johannes' ogen volgen de richting die zijn vinger wijst. Ook hijzelf is dus horig aan de lokroep om te zien op het Lam. De Doper bevindt zich tussen de Schrift en het Lam. Het is precies deze positie die typerend is voor echte vroomheid. Ze rust op de Schrift en keert zich tot Jezus. In de Bijbel zoekt en vindt ze Hém.
Het derde aspect betreft de gezindheid waarin dit spirituele leven wordt beoefend. Zoals Johannes wordt gekarakteriseerd door de ootmoedige belijdenis: 'Hij moet wassen, maar ik minder worden', zo kan de instelling van een vroom christenmens alleen die v& n de nederigheid zijn. Het is een houding die niet modieus is en niet overeenstemt met de mentaliteit van vandaag. Met name het huidige mensentype is mondig, zelfbewust, assertief. De geesteshouding die Johannes vertolkt, is die van de deemoed, waarin de eigenwilligheid wordt gesnoeid tot overgave, volgzaamheid, afhankelijkheid. Als we het resultaat van onze waarnemingen samenvatten, kunnen we stellen dat christelijke vroomheid opbloeit uit het Woord van God, dat ze bestaat in een levende betrokkenheid op Christus en dat ze zich voltrekt in een ootmoedige gezindheid. Het is vooral dat bronkarakter van de Bijbel waarover ik het met u wil hebben. Ik doe dit in aansluiting bij een historische vroomheidsbeweging die bekend staat als het piëtisme.
Piëtisme
Aan de grote denker Blaise Pascal werd ooit gevraagd of hij niet protes-
Op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond hield prof. dr. A. de Reuver vorig jaar een lezing over'De Bijbel als bron van vroomheid'. Op weg naar onze komende jaarvergadering op 28 mei, plaatsen we deze inleiding in drie afleveringen.
Red. de Waarheidsvriend
tants wilde worden. 'Nee - zei hij - want protestanten geloven met hun hoofd, maar katholieken met hoofd en hart'. Daarmee was voor hem het pleit beslecht. Blijkbaar had het protestantisme bij hem een kil-verstandelijke indruk achtergelaten. Het treffende is nu dat uitgerekend in de tijd van Pascal een protestantse beweging van zich liet horen die de efgen gezindte op soortgelijke manier onder kritiek stelde. Ik bedoel het piëtisme.
Dat het zeventiende-eeuwse piëtisme, met zijn nadruk op het inwerk van de Heilige Geest, een belangwekkend kerkhistorisch verschijnsel is, zal wel door niemand die uit de school van Calvijn komt, worden ontkend. Ik wil echter een stap verder gaan en stellen dat de beweging niet alleen historisch interessant, maar ook voor vandaag relevant is. Althans op vitale onderdelen. Eén van die onderdelen betreft de omgang met de Bijbel. Die omgang was in het piëtisme heel intensief. De manier waarop de piëtisten dat deden, hoeven we niet te kopiëren. Hun context verschilde van de huidige. Maar hun oogmerk dient ook het onze te zijn, namelijk het praktiseren van een authentieke vroomheid, die zij met het woord pietas, godzaligheid, aanduidden. Daarop was hun omgang met de Bijbel voor een belangrijk deel gericht. Hun methoden laten zich niet zomaar overhevelen naar onze tijd. Maar dat we een aantal van hun motieven op waarde schatten en overzetten in de toonaard van vandaag, lijkt me van levensbelang.
Het gaat me om een vijftal. Het zijn overigens motieven die niet door het piëtisme zijn uitgevonden. Grensverleggend wilde deze beweging nauwelijks zijn. Liever zocht zij aansluiting bij het erfgoed dat haar was overgeleverd, en wilde zij een voortzetting zijn van de reformatorische traditie. Maar daarvan niet alleen. Evenals de reformatoren zelf dat hadden gedaan, bewogen de piëtisten zich bewust in de brede bedding van een katholiekaugustijnse spiritualiteit, waarbij met name valt te denken aan de vroomheid van twee middeleeuwse spirituele auteurs, Bernardus van Clairvaux (1090-1153) en Thomas a Kempis (ca. 1380-1471). Leerstellig erkende het piëtisme weliswaar voluit de kritische beslissingen die in de Reformatie waren gevallen, maar ondanks de daardoor gemarkeerde breuklijnen met de middeleeuwse theologie wilde het, met veel gevoel voor katholiciteit, recht doen aan de continuïteit met de vroomheid van de kerk der eeuwen. Het is hier niet mijn taak om dit boeiende theologiehistorische gegeven toe te lichten. Ik noem het nu alleen om te onderstrepen dat de vijf motieven die ik aan de orde stel, niet oorspronkelijk piëtistisch zijn. Het betreft veeleer aspecten die het piëtisme bereikten via een lange, klassieke traditiestroom. Het specifieke van de piëtisten was echter het besef dat deze motieven in de context van hun tijd extra accent verdienden. Wat hier achter schuilde, was kritische zorg om de kerk. Als we die zorg proberen te peilen, denk ik dat we die nader kunnen benoemen als zorg om de persoonlijke omgang met God. En juist op dit punt lijkt me het piëtisme zo actueel. Immers, een van de ernstigste tendensen van de huidige crisis in de West-Europese christenheid is, dat de verborgen omgang met God gaat kwijnen of zelfs verdwijnen. Aan de complexe vraag, welke de oorzaken daarvan zijn, ga ik - van hoeveel gewicht die ook is - bij deze gelegenheid voorbij. Ik volsta met de verklaring dat de zorg die de vroege piëtisten bewoog, in onze eeuw alles behalve achterhaald is en dat hun idealen zonder meer om bijval vragen. Mijn toespraak groepeer ik rond vijf korte stellingen, die ik achtereenvolgens toelicht.
De eerste stelling: De Geest legt de letter uit
Alle bezinning op de verklaring en vertolking van de Bijbel dient uit te gaan van het besef dat de Heilige Geest de eerste en eigenlijke uitlegger van de Schrift is. Aan deze grondregel ligt de oeroude - ook door het piëtisme gedeelde - overtuiging ten grondslag, dat de woorden van God alleen zijn te verstaan onder de adem van de Geest door Wie ze zijn geïnspireerd en dat ze dus ten diepste worden uitgelegd door Wie ze zijn uitgezegd. 'Heel de Schriftuur - zo verklaart bijvoorbeeld Thomas a Kempis - wil gelezen worden in de Geest door Wie ze gemaakt is'. Hiermee geeft de schrijver van de Navolging van Christus niet alleen blijk van zijn inzicht dat de Schrift bij al haar historische verscheidenheid en menselijke veelkleurigheid in wezen één creatie van de Heilige Geest is, maar vooral ook dat men de zin ervan slechts zal verstaan door haar in een behoeftige gezindheid te lezen, in biddende afhankelijkheid van Gods Geest, Die de beslissende uitlegger is. Zo fungeert de deemoed voor A. Kempis als de geestelijke sleutel die past op het slot van de Schrift. Het.is een zienswijze die de reformatoren zonder reserve deelden, Luther voorop. Kort en krachtig schrijft hij: 'De Heilige Geest alleen verstaat de Schrift op de rechte wijze, zoals God het wil hebben'. Wie dus de Schrift wil verstaan, moet bij de Geest in de leer.
Dit standpunt is eenvoudig, maar kwetsbaar. Het wordt namelijk bedreigd door een reëel gevaar. Ik bedoel de valkuil van het subjectivisme, waarbij ónze geest maar al te gemakkelijk wordt vereenzelvigd met de Heilige Geest, en óns Schriftverstaan vervolgens wordt gelegitimeerd door een beroep op Gods Geest. Deze dwaling is echter in strijd met de bedoeling. Dat de Geest de letter uitlegt, betekent niet dat het Woord van God is uitgeleverd aan onze willekeur, maar dat onze willekeur aan banden is gelegd door het Woord. Dit Woord is immers niet het onze, maar dat van de Heilige Geest. En deze Geest, Die Gód is, vormt een kritische en corrigerende instantie tegenover ónze geest. Ik heb Hem niet ter beschikking. Het gaat er veeleer om dat Hij over mij zal beschikken.
Wat betekent deze notie nu voor de praktijk van het Schriftonderzoek? Dat de lezing wordt voorafgegaan en vooral gedragen door het gebed. 'Ontdek mijn ogen - vraagt de dichter van die eindeloze psalm - dat ik de wonderen van Uw wet aanschouw'. Ons eigenlijke vertrekpunt is dan niet zozeer: 'Spreek, want Uw knecht hoort', als wel: 'Schep mij een ontvankelijk hart, opdat ik hoor'. Bij uitstek hier geldt het woord van Luther: 'Wir sind Bettler'. Onze gang door de Bijbel is veelbelovend, omdat de Schrift de werkplaats van Gods Geest is. Dit laatste betekent echter dat omgang met de Bijbel geen eigenmachtige veroveringstocht is, maar een hongertocht die bedelend wordt voltrokken. Bedelend, of de Geest onze gestolen mondigheid zal herscheppen tot geschonken horigheid.
A. DE REUVER
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's