De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

5 minuten leestijd

O oggetuigen van de Wereldgeschiedenis heet een boek dat is samengesteld door Geert Mak en Renée van Stipriaan (uitgave Promo theus, Amsterdam). Het bevat meer dan honderd reportages van markante momenten in de wereldgeschiedenis, opgetekend door mensen die er toen bij waren. In drie jaar tijd veertien drukken! Uit het ooggetuigeverslag van 'De pest in Florence' in 1348, opgetekend door Giovanni Boccaccio, het volgende:

Tegen de kwaal leek doktersadvies noch medicijn te baten. Integendeel, wegens de aard van de aandoening zelf, of omdat de genezers - wier aantal schrikbarend was toegenomen doordat hele horden kivakzalvers zich bij de doctoren hadden gevoegd - in hun onwetendheid de oorzaak ervan niet konden achterhalen en bijgevolg ook geen doeltreffende remedie konden bedenken, waren er bijzonder weinig besmetten die het overleefden. Binnen de drie dagen na het verschijnen van de beschreven symptomen bliezen de meesten, zonder enige koorts of andere begeleidende verschijnselen vertoond te hebben, hun laatste adem uit. (...)

Zo besmettelijk was namelijk de pest, dat zij niet alleen overging via mens op mens; ook dieren werden bij aanraking van een voorwerp dat aan een zieke of een gestorvene had toebehoord, aangestoken en in een oogwenk de dood ingejaagd. Dat heb ik, zoals ik al zei, met mijn eigen ogen kunnen vaststellen: twee varkens die op de openbare weg rondsnuffelden, stootten daar op een bepaald moment op een hoopje oude lompen van een armoelijder die door de pest naar het graf was gesleept. En zoals varkens plegen te doen, begonnen ze er eerst met hun snuit in te woelen en zetten er dan hun tanden in. Een ogenblik later zegen ze, na enkele stuiptrekkingen, alsof ze vergif hadden binnengekregen, zieltogend op de uiteengereten lompen neer. (...)

Sommigen zagen hun heil in een oppassend en sober leven: zij vormden een besloten gezelschap, trokken zich in volkomen afzondering terug in huizen die nooit door een zieke betreden waren, maakten met het oog op hun gezondheid een zeer matig gebruik van uitgelezen spijzen en edele wijnen en onderdrukten elke vleselijke begeerte; ze weigerde enige buitenstaander te woord te staan en wilden vooral geen woord horen over ziekte en dood; ze brachten hun tijd door met musiceren of met om het even welk ander genoegen dat hun in die omstandigheden nog gegeven was.

Anderen daarentegen beweerden dat een onfeilbare remedie tegen de kwaal erin bestond te drinken, te schransen, aan de zwier te gaan, uit de bocht te springen, aan iedere begeerte toe te geven en vooral met alle ellende te lachen en te spotten. En de daad bij het woord voegend, zwalkten ze dag en nacht laveloos dronken uan de ene taveerne naar de andere, en vaker nog van het ene huis naar het andere, althans als ze vermoedden dat daar voor hen iets te rapen viel. Niets stond hun daarbij in de weg, want alsof het einde der tijden aangebroken was, iedereen gooide zichzelf en zijn bezittingen te grabbel: de meeste huizen waren onbeheerd achtergelaten, en de eerste de beste vreemdeling die er toevallig belandde, maakte er gebruik van alsof hij de eigenaar zeif was. Maar hoe bont ze het ook maakten, ze vermeden zorgvuldig om zeljs maar in de buurt van een zieke te komen. Bij zoveel leed en ellende was in onze stad ook alle respect voor de goddelijke en menselijke wetten verloren gegaan, want zoals alle anderen waren ook zij die op de naleving ervan moesten toezien, ziek of dood; of er was hun zo weinig personeel overgebleven, dat ze hun taak hoe dan ook niet konden volbrengen. Iedereen ging dus gewoon zijn gang.

J arenlang heeft mevr. A. D. Ooms- Slob in Op weg met de ander de rubriek 'Gedicht dichterbij' verzorgd. In 'Globaal bekeken' geven we van tijd tot tijd een van haar doorkijkjes door. Nu ze ermee ophoudt is een selectie van haar bijdragen bijeengebracht in een bundel, uitgegeven onder dezelfde titel als de rubriek (uitgave 'Op weg met de ander', Zeist). We laten haar uit deze bundel nog eenmaal aan het woord bij het gedicht

Voorjaar van Willem de Mérode:

In de hemelen is de lente ontloken, De avondlucht is teder grijs en rood En de sterren zijn tot troost ontstoken Boven aardes hopelozen nood.

Maar de lente kan niet nederdalen, Tussen hier en ginder gaapt de nacht, Onze donkere armoe schreeuwt in duizend talen Naar der heemlen ijle rijke pracht,

Naar geluk, dat ons zo plots verzadigt, Als de voorjaarsloomte zijgt in 't bloed; Om een ogenblik te zijn benadigd, En een heer te wezen van Gods goed;

Eens te zijn gelijk de jonge bomen,

Waarvan ieder bloeibeladen nijgt; Zich te voelen van de Zon doorstromen,

Tot de ziel, van heil verslagen, zwijgt... In den hemel is de lente ontloken, In de zilv'ren windeloze sfeer. Maar ons aardse leed blijft ongewroken Wanneer komt ons voorjaar, ach wanneer?

Willem De Merode leefde van 1884-1939. Een gedicht over de lente, maar dan erns en eigenlijk weemoedig. We missen hierin de verwachting, die de lente meestal oproept. Een beschrijving van een grijsrode lentehemel met sterren tot troost ontstoken boven de aarde in haar hopeloze nood. Door de nood kan de lente niet nederdalen De armoede blijft schreeuwen. Waarnaar?

'Naar der heemlen ijle rijke pracht.' Een verlangen om alleen maar te zijn als de jonge bomen, waarvan het vierde couplet spreekt. Van de lente genieten kan De Merode niet. Er is zoveel leed en onrecht in de wereld, dat hij het schone van het voorjaar om zich heen niet ziet.

De Merode heeft veel verdriet in zijn leven ervaren. Hij had een zwaar kruis te dragen en vandaar dit toch wat sombere gedicht. In de laatste strofe verwoordt hij zijn verlangen naar een ander vooijaar:

tig In den hemel is de lente ontloken, In de zilv'ren windeloze sfeer. Maar ons aardse leed blijft ongewroken Wanneer komt ons voorjaar; ach . wanneer?

V.D.G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's