De Bijbel als bron van vroomheid [2]
De tweede stelling:
In het Woord ontmoeten wij God Zelf Waar de Geest het Schriftverstaan in handen heeft, wordt de Bijbel het trefpunt met God in persoon. Prof. Van Ruler vertolkte dit wonder ooit zo dat wij door het Woord tot de werkelijkheid worden geleid. Ik meen te begrijpen wat hij bedoelde. De woorden van de Schrift zijn heilig. Ze zijn dat echter niet als loutere lettertekens, maar als aanspraak en oproep van de heilige God. In die sprake treedt Hij Zelf op ons toe en roept Hij ons ter verantwoording. Hij stelt ons in staat van beschuldiging en leert ons hart Zijn oordeel bij te vallen en Zijn genade toe te vallen. Heilig zijn de woorden omdat ze een genadige gemeenschap stichten tussen de Heilige en de onheilige. Heilig zijn de woorden, omdat ze de stem van Christus zijn, in Wie de Vader zich te kennen geeft, dat is: zich te geloven en te beminnen geeft. Heilig zijn ze omdat ze zijn doorademd van de Geest Die in de Waarheid leidt, dat wil zeggen, binnenleidt in de onthulling van Gods werkelijkheid, die ons anders verborgen zou blijven.
Dit zijn allemaal bekende klanken. Maar zou het kunnen zijn dat deze klanken hoe langer hoe minder weerklank vinden in de ervaring van ons orthodoxe mensen? Want ook wij ondergaan, wellicht meer dan we beseffen, de invloed van een intellectualisme dat ons vanaf de basisschool tot aan de academie wordt ingegoten. Wie van ons herkent het niet, dat de Bijbel wel voorwerp van onderzoek en informatie is, maar louter voorwerp blijft, zonder dat het komt tot een ontmoeting van hart tot hart? Dat is onder de maat van het christelijke geloof. We moeten er dan ook niet aan wennen en er niet mee leren leven. Leven? Dit is het leven niet. Puur verstandelijke kennis schiet tekort. Tegen de twijfel houdt ze geen stand, in de aanvechting is ze nergens, en op het sterfbed biedt ze geen houvast. Wat baat mij een hoofd vol godgeleerdheid, als het hart leeg is van God? Godskennis is ontmoetings- en omgangskennis. Hoe waar en legitiem het ook is dat het geloof, als het om systematische verheldering gaat, naar inzicht zoekt, bovenal zoekt het gemeenschap. In het louter intellectuele kan het hart niet tieren. Het hart vindt geen rust, totdat het rust in God. En rusten in God, is rusten in Hem Die ons Zijn hart verklaart. Met minder moeten we niet tevreden zijn, omdat de Geest dat ook niet is.
De Godskennis waar de Bijbel toe leidt, kan nooit het resultaat zijn van afstandelijke en verstandelijke beschouwing. Ze berust op de ontmoeting met de levende God en is ervaringskennis. Hiermee is allerminst bedoeld dat deze kennis uit de ervaring opkomt. Ze ontspringt veeleer aan het Woord van de Geest. Maar ze reikt diep en ze roept een eigensoortige ervaring op, waarbij het hart 'met goddelijke zoetheid wordt doortinteld' (Luther). De reformatoren en de piëtisten deelden het grondbesef van profeten, psalmisten en apostelen, dat het hart het centrum is waarin Gods openbaring resoneert en wordt omhelsd. In zijn (eerste) commentaar op de Psalmen schrijft Luther: 'Je kunt de Schrift alleen dan echt verstaan en ervan spreken, als je hart ermee overeenstemt, zodat je innerlijk gewaarwordt watje uiterlijk hoort, en zegt: Ja, waarachtig, zo is het'.
Voor Calvijn ligt het niet anders. Het Evangelie wordt niet maar door intellect en memorie gevat, maar het maakt woning in de binnenste gevoelens van het hart. Het Woord verwekt ervaringskennis van Gods genade. Vandaar dat het geloof niet moet worden opgevat als een kille kennis, maar veeleer als een ervaringskennis die het hart 'doet ontvlammen in liefde tot Christus'. Door dit geloof wordt men overtuigd van Gods goedheid. En dat kan niet geschieden zonder dat we 'Zijn lieflijkheid echt gevoelen en innerlijk ervaren'.
En toen de piëtist Gisbertus Voetius een eeuw later, in 1634, zijn befaamde inaugurele rede over de verbondenheid van vroomheid en wetenschap uitsprak, bepleitte hij - in onmiskenbaar mystieke taal - dat theologen de uitnemende liefde van de Bruidegom zullen vermelden. 'Wee u, wee mij, wee alle theologen - zei hij, natuurlijk in het Latijn - , als wij ijveren voor de godsdienst en anderen de godsvrucht inprenten, terwijl we er zelf misschien nimmer smaak in hebben gekregen'. De ware wijsheid is volgens Voetius een wijsheid die niet slechts het denken verlicht, maar die ook de binnenste kernen van gemoed en gevoelens doordringt!
Deze geluiden zijn niet uit de tijd en achterhaald. Ze zijn waar en actueel. God geeft zich te kennen, van hart tot hart. Dat Hij ons Zijn hart verklaart, betekent niet dat Hij Zijn bestaan met wetenschappelijke bewijsvoering doorzichtig maakt. De term 'verklaring' heeft hier veeleer de betekenis van een liefdesverklaring. Die ontvang ik niet in rationeel begrip, maar in liefdevolle verwondering. Geloven en liefhebben horen bijeen. Het één bepaalt het ander, in onlosmakelijke samenhang. De ziel van het geloof is niet dat we met ons hoofd veel van God weten, maar dat we met ons hart veel van Hem houden. Onlangs nog werd ik getroffen door het vervolg van de bekende psalmtekst dat het begin van de wijsheid bestaat uit de vreze des Heeren. De dichter voegt hier niet aan toe: 'Allen die precies weten uit te leggen wat die vreze betekent, hebben goed verstand', maar: 'Allen die ze doen, hebben goed verstand'. Godsvreze wil niet geanalyseerd, maar gedaan zijn, beoefend, beleefd. God wil niet begrepen, maar aangegrepen zijn. Hij wil worden bemind, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Dit bijwoordje 'eerst' heeft; een nadrukkelijke zin. Het is doelgericht. Gods liefde gaat voorop, óm wederliefde te wekken. Ik besef dat ik me beweeg op de rand van een ongeoorloofde scheiding tussen verstand en gevoel. Eveneens besef ik dat ons gevoel niet minder bedorven is dan ons verstand. Geen van beide zijn ze ongeschonden uit het paradijs gekomen. En de Geest herschept ze beide evenzeer, zodat we God liefhebben met al onze zintuigen. Maar volgens mij heeft het piëtisme, in het spoor van een eerbiedwaardige, bijbels geijkte traditie, goed begrepen dat Godskennis in de hersenpan een voet te hoog zit. In de Bijbel mikt God op ons hart, om het te hechten aan het Zijne. Hij zélf wil gezocht, gevonden en bevonden zijn, in een omgangskennis die we bevinding noemen, in een geloofservaring die berust op de openbaring van God Die ons in het Woord genadig ontmoet.
De derde stelling: De Bijbel is vooral een meditatiebron
Met dit 'vooral' bedoel ik dat de meditatieve omgang met de Schrift de voorrang heeft boven alle andere omgangswijzen, zoals de taalkundige, de exegetische, de bijbels-theologische en de systematische. Die manieren mogen er zijn; ze moeten er zelfs zijn. De noodzaak daarvan hoefik niet toe te lichten. Maar ik zou willen stellen dat ze slechts dan effect sorteren als ze worden gedragen en bevrucht door de overdenking van het Schriftwoord. Hiermee beweer ik niet dat de ene manier de andere uitsluit, en nog minder dat ze per definitie met elkaar in strijd zouden zijn. Het klassieke voorbeeld van samenhang tussen meditatieve en studieuze Schriftlezing vinden we bij Luther. Juist tijdens zijn meditatieuren was hij hartstochtelijk op zoek naar de bijbels-theologische zin van het Schriftwoord, gedreven door zijn honger naar persoonlijke heilszekerheid. Doordenking en overdenking gingen samen op. Uitgerekend onder het mediterend herkauwen van de woorden deed hij de exegetische en meteen existentiële ontdekking van zijn leven.
Het gaat me dus niet om chronologische voorrang. Wat ik met voorrang veeleer bedoel, is dat in de omgang met de Bijbel een meditatieve instelling fundamenteel is. Het is de elementaire gezindheid van innerlijke betrokkenheid en ontvankelijkheid, van ootmoed en ontzag. Misschien laat ze zich het best karakteriseren als verwondering, verbazing over het ontzagwekkende wonder dat God spreekt, tot 'mij'!
Bij Martin Buber heb ik eens gelezen over een rabbi - Susja was zijn naam - die telkens wanneer hij hoorde lezen: 'En God sprak', zozeer in vervoering raakte, dat hij naar buiten moest worden gebracht. Zijn wij ons, als wij de Bijbel openslaan, niet al te zelden bewust hoe onvanzelfsprekend het is dat God Gód is en nochtans het woord tot ons wil richten? Dat Hij met schépselen communiceert, is al wonderlijk genoeg - wij zijn niet van Zijn niveau! - ,
maar dat Hij het gesprek hervat met zondaren die de communicatie willens en wetens verbraken, is ronduit overweldigend. Door deze verbazing wordt de meditatie gekenmerkt.
Wie zich verwondert, heeft geen haast. Hij houdt de pas in en kijkt zijn ogen uit. Mediterend lezen is dan ook het tegenovergestelde van snel en vluchtig lezen. Hoe zinvol het op zijn tijd ook is om een bijbelboek in één adem door te lezen, de meditatieve manier breekt het brood in brokjes en proeft de woorden met een hongerig hart en luistert met gespitste oren. Luther, die' getuige de schat aan 'Tafelgesprekken' toch heel wat afgepraat heeft in zijn leven, was vaak dagelijks enige uren aanhoudend één en al oor. Het was de erfenis van zijn kloosterverleden en van een rijke vroomheidstraditie uit de Middeleeuwen. De reformator had de gewoonte om het bijbelwoord te 'smaken' en te 'herkauwen'. En 's avonds sliep hij in, met een telkens herhaald bijbelwoord in gedachten. U moet het eens proberen! In ieder geval lag Lu-thers kracht in de overdenking van de Schrift en in de verwondering over de heilsbetekenis ervan voor het hart. Het piëtisme zette deze meditatieve lijn voort, doelbewust. En ik ben ervan overtuigd dat wie dit spoor verlaat, schade oploopt aan zijn ziel.
A. DE REUVER
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's