Oordelen en hét oordeel
LICHT OP DE KERK [29]
In verschillende publicaties inzake het SoW-proces is de vraag aan de orde gesteld of er ook in dit proces een oordeel van God gezien moet worden. Er is verwezen naar Israël in het Oude Testament. Gods volk hoorde niet naar de stem van de Heere. Zijn inzettingen en rechten werden niet erkend. Toen kwam God met Zijn oordelen. De ballingschap vermelden we met vreze en beven. Er is gerefereerd aan Gods handelen met Zijn gemeente in de loop van de eeuwen die achter ons liggen. Hoeveel plaatsen en streken zijn er niet, waar de gemeente van Christus groeide en bloeide, maar waarvan gezegd moet worden: 'Men (...) vindt haar standplaats zelfs niet meer'? Zij liet zich niet tot de orde roepen. De eerste liefde werd verlaten en er vond geen bekering plaats. De Heere kwam met Zijn gericht en rekende tijdelijk met haar af. Ook dit bedenkend maakt ons stil. Wie op Gods richtend handelen in de geschiedenis staart, verzucht: 'Uw oordeel, Heer', kan niet dan vrees'lijk wezen'.
Oordelen en hét oordeel
U begrijpt dat we uitermate bescheiden moeten zijn in het spreken over 'kerk en oordeel'. Weliswaar belijden wij dat onze Heere wederkomt om te oordelen. Dat is het laatste oordeel. Maar aan dat eindoordeel gaan oordelen vooraf. Die oordelen zijn openbaar gekomen en komen openbaar. We memoreren: de verharding die voor een deel en voor een tijd over Israël gekomen is, de dood van Annanias en Saffira, Gods oordeel over Zijn gemeente te Korinthe, het wegnemen van de kandelaar van Gods Woord op verschillende plaatsen. De apostel Petrus spreekt ook over het tijdelijk gericht van God. Het oordeel begint van het huis van God (i Petr. 4 : 17). In het lijden van de christelijke gemeente ziet Petrus het vuur van Gods gericht over alles wat in haar niet deugt. Het is ter zuivering. Het onderscheid tussen hen die God oprecht dienen en de meelopers, zal meer en meer openbaar worden. God komt met zijn oordelen opdat nog velen van het eindoordeel gered zullen worden. Gered, in de weg van oprechte bekering en waar geloof.
Zichtbare oordelen
In de negentiende eeuw zag iemand als dr. H. F. Kohlbrugge Gods oordelen over de zonden van kerk en volk. Wanneer wij terugzien op de twintigste eeuw, slaat de schrik ons om het hart. Wat een dijkdoorbraken hebben er ook de laatste vijftig jaar niet plaatsgevonden? De vloed van de goddeloosheid steeg hoger en hoger. De fundamenten werden ondergraven en wankelden. Wat eeuwenlang gold, werd ongeldig verklaard. Menigeen is van z'n ankers losgeslagen en dobbert hulpeloos rond op de grillige golven van hedendaagse meningen en stromingen. Ik meen dat ds. W. L. Tukker eens gezegd heeft: 'De zonde in de maatschappij heeft: in de kerk haar oorsprong'. En de kerk, dat zijn wij. Bij ons ligt de oorzaak. Wij zijn de hoofdschuldigen. Wij staan ook schuldig aan de kerkelijke verdeeldheid en de continuering daarvan. Wij zijn zelfgenoegzaam. Wij beroemen ons op onze gehoorzaamheid. Wij staan nog steeds op de goede grondslag. Bij óns is nog de zuivere bediening, de zuivere belijdenis, en zo maar voort, tot de zuivere vertaling toe. Bij óns is de meelevendheid, het getal en het geld. Wij menen in alle ernst te moeten strijden over allerlei punten en komma's.
Het komt onder ons vaak niet verder dan constatering van feiten. We spreken van verstarring en verwatering. We hebben het over de flanken, de polarisatie. De wereldgelijkvormigheid wordt onder ons clichématig aangeduid. Naar de mond van Jeruzalem wordt meer gepreekt en gesproken dan we beseffen.
Maar... hebben we de waarheid wel altijd zo verbreid en verdedigd in de Nederlandse Hervormde Kerk of was het meer in de Bond? Was er werkelijk diepe liefde tot de kerk en lijden aan de kerk? Leefden wij op de toonhoogte van Schrift en belijdenis? Kwamen we op voor het recht van de belijdenis in de hele breedte van de kerk? Wisten we ons verbonden met hen die tot de kerk behoorden van Groningen tot en met Limburg of waren we zeer tevreden met de ruimte die men ons gaf? Hoe velen onder ons waren lid van de bondskerk in plaats van de Hervormde Kerk?
Het SoW-proces heeft onder ons heel wat teweeggebracht. Ja, heel wat aan het licht gebracht. De spanning onder ons neemt toe in het licht van december 2003. Breuken dreigen. Ernstige verdeeldheid komt meer en meer openbaar. De kaalslag, die in kerkelijk Nederland en zeker ook onder ons - vanwege de secularisatie - zich voltrekt, zie ik vooral als Gods slaande hand. Nu wordt in die kaalslag de Hervormde Kerk misschien definitief meegenomen.
Ik kan dat alles niet anders duiden dan Gods oordelen over ónze zonde. Onze Rechter komt. Hij komt ten oordeel. Hij begint bij Zijn gemeente. Zichtbare oordelen.
Uit de diepten...
Wie bij het ontdekkend licht van Gods Geest de zaken enigermate gaat zien, kan niet anders dan deemoedig het hoofd buigen en erkennen en belijden: Wij hebben gezondigd, evenzeer als onze vaderen, wij hebben verkeerd gedaan, wij hebben goddeloos gedaan...! Ons vernederen onder Gods slaande hand vanwege onze kerkelijke zonden. Ook onze rechtzinnige zonden. Onze bonds-zonden. Laten we als hervormd-gereformeerde beweging voorgaan in verootmoediging en - zoals de vier vrienden hun verlamde vriend - onze zieke moeder aan de voeten van de Heelmeester neerleggen. En Jezus hun geloof ziende...
Die verootmoediging komt te dieper weg als we de schuld heel persoonlijk mijnen. Het is een diepte waar ik alleen nog maar kan roepen. Roepen tot God die met Zijn oordelen komende is. Te midden van de oordelen roepen om ontferming, om Zijn genade. Roepen, dat alleen kon de dichter van Psalm 130 nog. Tot de HEERE roepen en het van Hem alléén verwachten. Helaas kunnen wij vaak nog wat meer...
Buigen... niet weglopen
Er was eens een ventje met een teer gebedsleven. Iemand vroeg hem in een bepaalde situatie: 'Heeft de Heere je
gebed verhoord? ' Het kereltje antwoordde: 'Jawel. De Heere zei: nee!' Er is de afgelopen jaren gebeden. We hebben de Heere gesmeekt of Hij in de kerk die ons lief is een keer ten goede zou willen bewerken. Of Hij ook het SoW-proces wilde ombuigen, zodat het heilzaam voor ons zou zijn en voor al de kerken in Nederland, ja voor heel ons volk. Een beweging waarop Zijn zegen zal rusten. Er is en wordt gebeden of de HEERE in Zijn oordelen aan Zijn verbond wilde en wil gedenken. Wanneer het proces nu onverhoopt toch doorgaat, moeten wij dan als mensen die hun oprecht verlangen niet gekregen hebben, maatregel treffen en een andere, een eigen weg gaan? Nee toch? ! Het getuigenis van de Schrift luidt anders. Ook de geschiedenis der kerk leert ons dat dit niet een heilzame weg is. We zullen te midden van de oordelen die het huis Gods treffen op onze wachtpost blijven staan. Staan? Ik denk aan de profeet Habakuk. Hij heeft, wanneer hij God ten gerichte ziet naderen vanwege het onrecht in Juda begaan, geen been meer om op te staan. Hij buigt voor God. Hij buigt onder God. Hij staat aan Gods kant in vrees en beven en bidt ook of de Heere met Zijn oordelen wil-komen. Louterend. Reinigend. De HEERE kwam straffend en reddend. Ik moet ook denken aan de profeet Elia. Als Israël ten tijde van Achab alle woorden Gods in de wind slaat, bidt deze rechtvaardige een gebed. Hij bidt om Gods slaande hand; en de HEERE verhoort zijn gebed. Vreeswekkend. Elia bleef op zijn post: profeet des HEEREN te Israël. Hij verlangde zelfs samen op weg te gaan met Juda. De twaalf stenen op de Karmel getuigden ervan.
Zo durven we niet weg te lopen, maar we buigen en wachten op de Heere. • Niet meer in te brengen dan de bede van onze broeder ter rechterhand van Jezus op de heuvel Golgotha: Wij ontvangen straf waardig hetgeen wij gedaan hebben. Heere, gedenk onzer! Dat is wat anders dan meegaan op een weg die een verloochening is van datgene, wat God in het verleden gedaan heeft. Dat begeren wij niet. Het is: te midden van de oordelen blijven staan op de grondslag van de kerk der eeuwen en ons zodanig te blijven verzetten tegen de grondslag van de PKN. Geen knieval maken voor de leugen. De Heere behoede ons daarvoor. Maar dat het ons te midden van de oordelen als rechteloze mensen om het goddelijk recht te doen zal zijn. We zullen dan de uitkomst aan de Heere moeten en mogen overlaten. Dat is niet méégaan! Dat is niet kunnen heengaan! Het is niet kunnen en niet durven weglopen onder de oordelen vandaan. Van David lees ik in Psalm 11 dat hij het advies (van vrienden? ) krijgt om te vluchten voor al wat hem benauwt. Het is een tijd waarin de grondslagen vernield worden. Maar hij doet het niet. Hij blijft waar hij is en vertrouwt op de HEERE, die hem tot koning liet zalven over Zijn volk. Calvijn schrijft in zijn verklaring op Psalm n vers 2 heel treffend dat zoals David door vrienden, die het goed meenden, verleid werd om zich af te scheiden van het lichaam der Kerk, omdat hij voor hen buiten hoop was als een verrot lid, wij ook op onze standplaats blijven moeten, al beweegt ons de wereld....'en al worden wij op en neer geworpen, onze voet moet vast blijven op het geloof onzer roeping'.
Onze gebeden. Verhoord? Als de Heere nu eens 'nee' zegt? Eenieder voor zich, maar dan zal ik buigen en uitzien naar de Heere en wachten op de God van mijn heil. Wie weet, Hij mocht Zich wenden...
Uw oordeel...
Alleen in het oordeel van God vinden wij Zijn genade. Van Zijn genade leeft de Kerk.
Golgotha. In het licht van Het kruis treffen we de kerk der eeuwen aan. Christus in het oordeel wordt ons daar voor ogen geschilderd. Nog nooit zo diep verstond ik daar de woorden uit Psalm 119: Heere, als ik op Uw gericht staar, Uw oordeel kan niet dan vreselijk wezen.
Nooit zal ik de rijkdom van Zijn ontferming verstaan en meer leren verstaan dan daar. Ik boog me en ik geloofde en mijn God sprak mij vrij! Vrijspraak in het oordeel van dé Rechtvaardige. Als een goddeloze vrijgesproken van al mijn goddeloosheid. Hem aangenomen hebbend zullen we, de tijd die ons nog gegeven wordt, de zonde haten en ontvluchten; we zullen de gerechtigheid najagen. De ware God en onze naaste liefhebben. Niet afwijken naar links of rechts. Onze oude natuur met alles wat daaruit geboren wordt kruisigen. We zullen tegen ons ongeloof en tegen alle zwakheid die nog - tegen onze wil in ons is overgebleven - strijden. Dagelijks zullen we met vrijmoedigheid de toevlucht nemen tot het bloed, de dood, het lijden en de gehoorzaamheid van onze Heiland.
Zo gaven we en geven we de kerk, die ons lief was en is niet over aan hen die er geen recht op hebben. Maar we Weten ons temeer geroepen tot verbreiding en verdediging van de waarheid. Mochten we zo als gereformeerde beweging nog eens tot zegen zijn in de PKN. Dat we samen de Weg weer vinden en gaan, buigend onder de welverdiende straf, om zo weer in genade aangenomen te worden. Samen op de weg van de bekering.
We bedenken: door de oordelen heen wordt de kerk gered. Gelouterd. Gereinigd. En het is alles dankzij Hem, die zich om haar in het gericht van' T - God gesteld en al de vloek van haar weggenomen heeft. Daarin schittert Gods genade zo heerlijk.
Dan is en wordt óns alle grond ontnomen en worden we gesteld op die ene grond: Jezus Christus de Gekruisigde en Opgestane Heere, die ons door diepten heen naar hoge heerlijkheid leidt.
Die hoop, die wij op Hem hebben, moet al ons leed verzachten. Ons onrustige hart vindt rust in God. Wij hebben geen been meer om op te staan, maar Hij is onze Rechter. Onze Redder.
A. BAAS, ALBLASSERDAM
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's