De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Bijbel als bron van vroomheid [3]

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Bijbel als bron van vroomheid [3]

8 minuten leestijd

De vierde stelling: Het draait om de tijd, maar het gaat om de eeuwigheid

Dat de Bijbel een boek vol levenswijsheid is en het alledaagse reilen en zeilen regardeert en reguleert, is een onbetaalbaar geschenk. Het leven met God vindt immers hier en heden plaats. De Schrift gaat daar heel concreet op in. Maar ze gaat er niet in op. Het unieke is veeleer dat haar boodschap een perspectief biedt dat óver de tijd tot in de eeuwigheid reikt. Het christenleven in de tijd is tijdelijk, voorlopig, onaf. De uiteindelijke bestemming ligt in het Koninkrijk dat komt. Het is deze eschatologische grondstemming die heel de Schrift doortrekt, in het Oude Testament vaak impliciet, in het Nieuwe doorgaans expliciet. Wie dagelijks met de Schrift omgaat, moet hierdoor wel worden getroffen. En wel op minstens twee manieren.

Het eerste dat ons treft, is dat de eindbestemming wel in de eeuwigheid ligt, maar dat de eindbeslissing voluit in de tijd valt. Om te beginnen geldt dat al in heilshistorische zin: het Koninkrijk brak aan in de volheid van de tijd en brak zich baan in Jezus* historische kruisdood en verrijzenis. Maar waar ik nu vooral op doel, is de persoonlijke, heilsordelijke kant. Met name de scherp separerende spits van Jezus' gelijkenissen laat zien dat aan het binnengaan in het toekomende leven een bekering in het heden voorafgaat, die zo ingrijpend is dat ze zelfs wedergeboorte heet. Meer dan de piëtisten deden, spreken wij vandaag graag over de komst van het Koninkrijk Gods, en dan vaak in universele, alomvattende zin. Ook dat heeft goede papieren. Maar als ik het goed zie, bestaat - ook onder ons - de neiging om een element te verwaarlozen dat in Jezus' onderricht juist het volle pond krijgt en dat door de piëtisten werd beklemtoond, namelijk de klemmende vraag of ook ik in dat Rijk zal ingaan. Men moet dit geen piëtistische heilsversmalling noemen. Het was geen piëtist, maar het was Jezus zelf Die de poort naar het leven smal noemde, en Die niet verzweeg dat kinderen van het Koninkrijk buiten geworpen kunnen worden. Het lijkt me geen goed teken als er nooit een huiver door ons heen trekt onder een dergelijk vermaan. Hoe zou dat toch komen dat puriteinen en piëtisten de gemeente met hartstocht konden bezweren, het helse vuur te ontvlieden en op zo'n grote zaligheid toch acht te slaan? Ik denk dat ik het weet. Het komt omdat ze beefden voor de ernst van Gods Woord en hadden geleerd dat genade, zoals mijn leermeester ds. G. Boer placht te zeggen, de doodsteek betekent voor iedere vanzelfsprekendheid.

Het tweede dat ons treft, is dat het in de Bijbel wel draait om wat zich in de tijd aan geloof, getuigenis en navolging voltrekt, maar dat het gaat om (en naar) de eeuwigheid; dat het gaat om die goddelijke werkelijkheid die de grens van onze tijd en ruimte overstijgt. De piëtisten stond dit in het hart gegrift. Zij hunkerden naar de eeuwigheid die hemel heet, precies zoals de apostelen dat deden. Enerzijds om te worden bevrijd van zonde en gebrokenheid, van kwalen en vermoeidheid. Anderzijds om te worden bevrijd tot de heerlijkheid en lofzegging Gods, waarvan de Geest het onderpand en de eersteling is. Ik kan me niet voorstellen dat wie werkelijk staat in zijn tijd en er derhalve aan lijdt, en wie werkelijk God leerde kennen en Hem lief heeft gekregen, niet met hunkering uitziet naar de sabbat die wacht, wanneer God zal zijn alles in allen en wij Hem zullen zien gelijk Hij is.

De overdenking van het toekomende leven, die Calvijns theologie en vroomheid doortrekt en ook door de piëtisten werd gepraktiseerd, moet men niet doodverven als een platonisch restant. Ze hadden het gewoon niet van Plato. Ze hadden het van Jezus, Wiens belofte hun verlangen had gewekt. En zeg nu zelf, hoe zouden wij niet uitzien naar Hem Die naar ons heeft omgezien? Kan een bruid het helpen, dat zij naar haar Bruidegom verlangt? De Bruidegom zal het haar niet kwalijk nemen. Wat Hij ons wél verwijten zou, hoefik u denkelijk niet uit te leggen. 'Waar uw schat is, daar zal uw hart zijn'! Calvijn schrijft bij Filippenzen 3 : 20 (over de wandel in de hemel): 'Wij hangen Christus aan, en er is geen partje in ons dat niet met vurig verlangen naar de hemel moet hunkeren'. En toen Voetius eind 1676 op zijn sterfbed lag, citeerde hij - zoals ook 'vader' Brakel dat 35 jaar later zou doen - de aan Bernardus toegeschreven regels: 'Ik begeer U duizendmaal, mijn Jezus, wanneer zult Gij komen? ' Zo te sterven, is het leven binnengaan. Wat de Geest aan voorsmaak geeft, is niet gering. Maar het smaakt naar meer. Een christen wil naar huis, zijn eindbestemming. Ter illustratie een herinnering uit mijn jeugd. Soms mocht ik met de boer mee naar het land. De paarden deden het zwaarste werk. Na een vermoeiende dag door de zware Zeeuwse klei, sjokten ze tegen de avond traag naar de boerderij. Maar zodra de schuur in zicht kwam, ging het in galop. Ze roken de stal...

De vijfde stelling: De Schrift heeft een centrum

De vroege piëtisten stonden voluit in hun tijd. Werkelijk naar van alles ging hun belangstelling uit: naar huwelijk en gezin, naar onderwijs en opvoeding, levensstijl en kleding, overheid en samenleving, tucht en pastoraat. Een zeker moralisme en zelfs een vleugje wetticisme was hun - in ónze ogen althans - niet vreemd. Maar hun drijfveer was het ontzag voor Gods gebod dat heel het leven claimt en normeert. En de lectuur van hun geschriften heeft me geleerd dat achter déze drijfveer nog een diepere motivatie school, namelijk de liefde van en tot Jezus. Hoe breed en compleet ze de Bijbel ook lazen en wilden eerbiedigen, hun omgang met de Schrift was op dit ene brandpunt gericht. Door de Schrift had Jezus' liefde hun hart veroverd en in brand geschoten. Geloof en liefde hingen en gingen voor de piëtisten samen, zei ik zojuist. Ik voeg eraan toe: het geloof vond in de liefde zijn hoogtepunt. Het was stellig een liefde die ook de gestalte van praktische naastenliefde droeg. Maar deze praktijk der godzaligheid werd gevoed door een innige, doorleefde liefde tot Jezus. Ontroerend wisten ze ervan te getuigen, niet zelden in het taaleigen van A Kempis en met de mystieke gloed van Bernardus.

Men moet hier geen principiële breuk met de Reformatie construeren - hoogstens is er sprake van een verschil in graad. Wat denkt u (om over Luther maar te zwijgen) van Calvijn, als hij in zijn commentaar (!) op Efeze 3 verklaart dat de liefde van Christus ons voor ogen wordt gesteld, opdat we ons in de overdenking van die liefde bij dagen en bij nachten zouden oefenen en er als het ware in verzinken? Elders haalt de reformator met instemming een fragment uit Bernardus' mystieke Hoogliedpreken aan: 'De naam Jezus is niet alleen licht, maar ook spijs, honing in de mond, muziek in het oor, juichtoon in het hart en tevens medicijn. Al wat wordt geredeneerd is dwaasheid, als deze naam ontbreekt'. Heel de hoofdsom van het heil weet Calvijn in Christus begrepen. Zoekt men sterkte, ze is te vinden in Zijn heerschappij. Reinheid, ze vertoont zich in Zijn ontvangenis. Deernis, in Zijn geboorte waardoor Hij ons in alle dingen gelijk is geworden en geleerd heeft met ons mee te lijden. Verlossing, in Zijn lijden. Vrijspraak, in Zijn veroordeling. Kwijtschelding van de vloek, in Zijn kruis. Reiniging, in Zijn bloed. Doding van het vlees, in Zijn graf. Nieuwheid des levens en onsterfelijkheid, in Zijn opstanding. Beërving van het hemelse koninkrijk, in Zijn hemelvaart. Onbekommerdheid en overvloed van alle goeds, in Zijn Rijk. 'Kortom, daar in Hem de schatten van alle soort van goeds voorhanden zijn, moeten ze tot verzadigens toe uit Hem worden geput'. En om nu één piëtist te citeren: Willem Teellinck doet voor de reformator niet onder als hij (in Kempiaanse bewoordingen) bidt: 'Ende wille toch in my verwecken een gloet der liefde, dat ick gheheel ende al in dijne (uw) liefde mocht ontbranden... Want ghy toch, Heere, beter zijt dan alle(s), beter dan het leven; als ick dy hebbe, Heere, soo is mijn leven soete'. Deze honger naar Jezus was de vrucht van Teellincks omgang met de Bijbel.

Ik geloof dat het hart van de Schrift zich voor ons ontsluit aan het liefdeshart van de Gekruiste. En hoe zou ik Hém niet liefhebben, Die mijn oude bestaan voor Zijn rekening nam en wegbracht in Zijn offerdood, om me op de derde dag het verzoende leven aan te brengen? Hij is mijn leven. Dit is het geheim van de unio mystica, de verborgen eenheid met Christus door het geloof, waarvan de Geest mij in de Schriften verzekert. Calvijn bekende: 'Ik ervaar haar meer dan dat ik haar begrijp'. Inderdaad. Ik kan er met mijn verstand niet bij. Maar zoveel te meer ervaart het geloof Gods liefde in Christus, die door de Geest in het hart wordt uitgestort. Waar deze liefde ons leven bezielt, zijn we goed af. En die met ons omgaan, niet minder. Want de liefde is te groot om in het hart verborgen te blijven. Ze is een geheimenis dat niet geheim kan blijven. Wie ervan leeft, die deelt er ook van, wervend en gunnend. En aan dit geschenk heeft onze kille kerk ongekend behoefte, en onze harde wereld niet minder.

A. DE REUVER

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De Bijbel als bron van vroomheid [3]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's