Ontrouw in leer en leven
LICHT OP DE KERK [30]
Wanneer de Synode van Dordrecht (1618-1619) tot een afronding is gekomen, wordt deze afgesloten door een aangrijpend gebed van voorzitter Bogerman. Een gebed met een lengte van ongeveer een half uur. In het boek van dn G. P. van Itterzon Johannes Bogerman (Bolland, Amsterdam, 1980) wordt op bladzij 91 t/m 102 een gedeelte van dat indrukwekkende gebed weergegeven. Hét is een gebed vol van diepe dankbaarheid en intense verwondering over de goedheid van God. God wordt er geprezen en geloofd over het feit dat Hij niet alleen deze synode gaf als een geschenk, maar ook dat Hij het zo heeft geleid dat alles tot een goed einde mocht komen.
Immers, het ging niet over kleinigheden of haarkloverijen. Het ging over niets minder dan het feit of genade genade is, of dat het dat niet is. Met als insteek de leer van de uitverkiezing ging het ten diepste over de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze. Kan zalig worden ook voor de meest goddeloze mens of kan het enkel voor brave hendrikken die zelf al een goede voorzet hebben gegeven? En daarin ging het om de eer van God en de glorie van onze Heiland. Zelfs ook bij de leer der verwerping, hoe huiveringwekkend ondoorgrondelijk deze ook is en hoezeer in eerste instantie ook verbonden met onze eigen menselijke schuld. Centraal ging het in Dordt om het Godsbeeld. Het ging om het Godzijn van God. Is Hij echt de soevereine barmhartige God zoals Hij Zich in Zijn oord heeft geopenbaard? Of is Hij toegesneden naar ons menselijk voorstellingsvermogen? Vermenselijkt dus. Het is dan ook diep doordacht als dr. . Aalders in Hervormd Pleidooi (Groen Leiden, 1994) op bladzij 13 stelt dat de Kerk in de Dordtse Leerregels een dam poogde op te werpen tegen de dreiging van het humanisme.
Hand ook in eigen boezem
Gelet op dit alles doet het dan ook diepe pijn wanneer, om maar iets te noemen, de Leuenberger Konkordie inoudelijk in tegenspraak komt met belissingen van Dordt. Immers, de leer der verwerping wordt er verworpen. Naar ons gevoelen op een manier die elke diepe doordenking mist. Het zal waar zijn dat we hier aangekomen zijn bij de grens van ons theologisch denken en dat het ons past met grote schroom en in uiterste voorzichtigheid te spreken. Maar toch gaat het hier over zaken die diepere theologische wortels hebben dan velen vermoeden. En het feit dat Leuenberg geen geloofsbelijdenis is en dus niet valt onder 'in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht', kan weliswaar iets verzachten, doch doet niet af aan de ernst van de zaak. En zo zou er meer te noemen zijn. Bijvoorbeeld wat de Hervormde Kerk betreft, dat in theologische publicaties de verkiezingsleer van onze confessie werd omgebogen in barthiaanse zin. Zowel verkiezing als verwerping deed men opgaan in Christus als de Verkorene en Verworpene tegelijk. Ontrouw dus van de kerk aan haar eigen belijden. En het is vanwege die ontrouw dat hervormd-gereformeerden de jaren door onder spanning en met verdriet in de kerk hebben gestaan. Tegelijk was er al die jaren door het besef van eigen schuld aan die ontrouw. Een besef dat het strijden van de kerkelijke strijd stempelde en bracht tot ootmoedig steken van de hand in eigen boezem.
Al blijft de vraag of die hand wel steeds op tijd in eigen boezem gestoken werd. In ieder geval kan men zich terecht afvragen of er de jaren door niet eenzijdig accent lag op het handhaven van de belijdenis ten koste van het functioneren ervan in het levende geloof. Zodat het functioneren ervan in het geloof van alledag, te veel in de mist terechtkwam. Het blijkt immers altijd weer moeilijk te zijn om het juiste bijbelse evenwicht vast te houden. Aan de ene kant is handhaven van de belijdenis volstrekt nodig. Voor de kerk en voor ons persoonlijk. Aan de andere kant is het functioneren van de belijdenis levensvoorwaarde, zowel voor heel de kerk als voor ons persoonlijk. Want de belijdenis der kerk is geen dorre theorie. Het is het gebinte van het geloof en het lofgezang dat opklinkt via koorgewelven van grote kathedralen door lucht en wolken heen 'als reukwerk voor God toegericht'.
Met name wanneer men in vooral intellectuele zin de confessie wil handhaven als leerstelligheden los van de ootmoedige lofzang van het geloof, dreigt het mis te gaan. De farizeeër komt op de troon en harde zelfhandhaving wordt gevoed. En wie zal hierin feilloos zijn? Wie zal hier altijd de bewogen scherpte evenwichtig kunnen verbinden met ootmoedige zachtheid? Het is dan ook steeds weer stuivertje verwisselen wanneer we met de beschuldigende hand naar de kerk wijzen als die ontrouw is in het handhaven van de belijdenis. Die hand moet namelijk direct ook weer in eigen boezem gestoken worden. Om eigen falen en ontrouw te bewenen.
Diverse nuanceringen
En hiermee zitten we zo ongeveer midden in ons onderwerp dat gaat over 'Kerk en ontrouw in leer en leven'. We kunnen en mogen bij ontrouw immers nooit enkel naar de kerk alleen wijzen, want we maken zelf ook helemaal deel uit van de kerk. En wanneer we terecht met de Heidelbergse Catechismus in vr/antw 114 belijden, dat we 'zelfs als allerheiligste' niet verder komen dan een 'klein beginsel' van de nieuwe gehoorzaamheid, dan zal 'stuivertje wisselen' met onze beschuldigende hand ons goed af behoren te gaan. Want als het gaat om ontrouw in leer en leven bij de kerk, dan gaat het ook om onszelf en om ontrouw van onszelf. Al maakt het wel verschil of het ontrouw is 'uit zwakheid, tegen onze wil', of dat het willens en wetens plaatsvindt vanuit een onbekeerlijk hart.
Ook maakt het verschil of het gaat om ontrouw in de leer of om ontrouw in het leven. Zonder iets af te willen doen van de grote ernst van ontrouw in levenswandel en zonder te ontkennen dat er onderlinge samenhang is tussen leer en leven, dient toch gezegd te worden dat ontrouw in de leer ernstiger is. Afwijkingen in de dogmatiek zijn de eeuwen door toch altijd als ernstiger beschouwd dan afwijkingen in de ethiek. Terwijl van die dogmatiek nog weer gezegd dient te wórden dat er onderscheid is tussen fundamentele
en minder fundamentele zaken. Onder fundamentele zaken verstaan we in elk geval de Schriftleer en de Godsleer. Wie loslaat dat de heilige Schrift het zuivere Woord van God is, 'kan de tent wel sluiten', want de kerk zal steeds verder afbrokkelen. En wie loslaat om de drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, te belijden, die zaagt de tak door waarop de Kerk der eeuwen haar veilige nest mag bouwen.
Oorzaak geloofscrisis
In beide gevallen lopen we tevens het huiveringwekkende gevaar dat we de Heilige Geest zo bedroeven dat Die het voor gezien houdt. Immers, wat kan de Heilige Geest nog met ons beginnen aan vernieuwing in persoonlijk leven en kerk, wanneer we het instrument van de Geest, namelijk Gods Woord, degraderen tot mensenwoord? ' We maken de Heilige Geest dan krachteloos. En alle mogelijke vernieuwingen die we organiseren stellen niet meer voor dan een slag in de lucht.
Bovendien maken we het de Heilige Geest onmogelijk te werken, wanneer we gaan knoeien met het zuiver Godzijn van Jezus onze Heiland. Immers, het werk van de Geest is toch bij uitstek om Jezus als volkomen Zaligmaker de hoogste plaats te geven in het midden van de kerk en in ons eigen hart en leven. Reken maar niet dat de
Heilige Geest een surrogaat-Jezus gaat 'verkopen zonder prijs en zonder geld' (Jesaja 55 : i). De Heilige Geest wordt dus werkeloos wanneer wij Jezus naar beneden halen als hoogverheven Heiland en Hem gaan vermenselijken tot een figuur enkel 'van beneden'. En daarin wordt ook de Heilige Geest Zelf in eigen God-zijn onteerd. Terwijl in dat alles eveneens onze hemelse Vader, die samen met de Zoon en de Heilige Geest de ene en eeuwige God is, onteerd wordt. En we vragen: 'Is dat soms de diepste oorzaak van de gigantische crisis waarin wij als kerk in Nederland en Europa verkeren? ' Een crisis die we zelf veroorzaken door af te gaan dingen op wat de Schrift ons aanreikt aan Schriftleer en Godsleer. Ontrouw dus in de leer. En dat roept onherroepelijk ontrouw op in het leven. Is het niet veelzeggend dat in de negentiende eeuw met name de leer der kerk het te verduren kreeg, terwijl in de twintigste eeuw het hollend achteruit is gegaan inzake de ethiek, het leven dus! Waar de Schrift en God worden losgelaten, gaat de mens zijn eigen normen fabriceren en zichzelf 'opkrikken' tot autonome goddelijke hoogte.
En wat zal de éénentwintigste eeuw ons brengen? Als we ons niet bekeren is het ergste te vrezen.
R. H. KIESKAMP, LIENDEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 2003
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 2003
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's