Gods Naam geeft hoop
LICHT OP DE KERK [31]
'Wat zal de éénentwintigste eeuw ons brengen', zo vroegen we vorige week? Het antwoord was: 'Als we ons niet bekeren, is het ergste te vrezen'. Bekering nodig dus. Van de kerk als geheel, van ons persoonlijk. Bekering van al onze vormen van ontrouw zowel in leer als in leven en terugkeer naar volkomen trouw aan onze trouwe God.
'Zal dat nog wat uithalen? ' Vast en zeker! De Bijbel leert niet anders. Met name heel het Oude Testament is één groot getuigenis van de onvoorstelbare verbondstrouw van onze goede en genadige God. Een verbondstrouw waarin Hij weliswaar onze trouw aan Hem verwacht en vraagt, doch waarin Hij-Zijn trouw aan ons nooit afhankelijk maakt van wat wij ervan terecht brengen. We lezen toch in Ezechiël 36 : 22: 'Ik doe het niet om Uwentwil, gij huis van Israël, maar om mijn heilige Naam, die gij ontheiligd hebt onder de heidenen...'
God wil zijn Naam eer aandoen, zelfs als wij die ontheiligd hebben. Dat is de grondslag van de kerk. Dat geeft moed en houvast om hoop te houden. Al kan dat gaan door een weg van oordelen en gerichten heen. Want dat God trouw is, betekent ook dat Hij trouw is aan Zijn oordelen, wanneer we die hebben opgeroepen. En hoe diep en zwaar die kunnen zijn, kan geen mens bevroeden. En toch mogen we tegelijk weten dat God Zich wil laten verbidden. De Bijbel geeft ons zicht op het kunnen en mogen afbidden van de oordelen van God. Er mag hoop zijn op een nieuwe opbloei.
In ieder geval was het tijdens de komst van Christus op aarde wel heel laag afgelopen met de gemeente van het oude verbond.
Er was geen plaats voor Jezus toen Hij geboren werd in Bethlehem. En de godsdienstige beleidsmakers, de farizeeërs en de schriftgeleerden, deden later niet anders dan hun gal van vijandschap op Jezus uitspuwen. Toch was er ook toen nog een rest. Rond de geboorte van Christus waren er de oude Simeon en Anna. In de tempel nog wel. En Anna sprak van Jezus tot allen die 'de verlossing in Jeruzalem verwachtten'. En Jezus Zelfheeft er door zijn prediking voor gezorgd dat niet enkel Zijn discipelen, maar ook vele anderen in Hem gingen geloven. Bovendien gaat het na Pinksteren helemaal richting een machtige opwekking. Inderdaad, ook nieuwtestamentisch gezien geldt Voor honderd procent dat God het niet doet omwille van ons, maar omwille van Zijn heilige Naam. Zelfs nog als wij die Naam hebben ontheiligd. Daarom blijft maar één dingen over, namelijk hopen op genade alleen, pleiten op genade alleen en roemen in genade alleen.
De trouw van God
Meer dan deze genade hebben we niet. Voor onszelf niet. Voor de kerk niet. Het is genade die ons hoop geeft voor onszelf, wanneer we alles verzondigd hebben. En hoe vaak gebeurt dat niet. Het is ook genade die ons hoop geeft voor de kerk die alles verzondigd heeft. Wil de kerk dit ook weten? Wil de Nederlandse Hervormde Kerk dit erkennen? Wil die erkennen dat het mede door eigen schuld is dat in de negentiende eeuw zo veel van haar kinderen zijn weggelopen? En zet de Hervormde Kerk daarom de deur wagenwijd open naar die kinderen, door het gereformeerde belijden geheel te handhaven? !
Wil de Hervormde Kerk daarin iets op de Heere God Zelf gaan lijken, op de trouw van die God? Hij is toch een God die zelfs Zijn ontrouwe kinderen voortdurend achterna loopt, 'want de ganse dag heeft Hij Zijn handen uitgebreid naar een wederstrevig volk' (Jesaja 65 : 2). God schrijft ontrouwe mensen en een ontrouwe kerk niet snel af. Dat mag ons aansporen bij God 'in de leer' te gaan. Dat mag de Hervormde Kerk aansporen tot het uiterste te gaan in het 'niet kiezen tegen delen van zichzelf'. De trouw van God maakt namelijk dat mensen, dat kerken, het ruim gaan bezien.
In 1538 schrijft Calvijn aan Farel in Neuchatel: 'Wat de kerk betreft, zo laten we alstublieft, lieve broeder, de vele lofspreuken van de Schrift ruimte geven, die ons de eenheid van de kerk (na) aan het hart leggen. Dan zullen we ook letten op die getuigenissen die ook daar nog een kerk vaststellen, waar toch vele eigenschappen van de kerk ontbreken' (Rudolf Schwarz: 'Johannes Calvins Lebenswerk in seinen Briefen', I, Neukirchener Verlag, 1961, s. 102).
Hiermee is niet gezegd dat Calvijn de hand lichtte met het bijbels gehalte van de kerk. Integendeel. Wel maakt het duidelijk dat Calvijn oog had voor differentiatie en dat hij vol ontfermende liefde bewogen was met het verlorene.
Waar ligt de grens?
Inzake het onderwerp 'Kerk en ontrouw in leer en leven' zal er altijd een zekere pendelbeweging zijn tussen bijbelse directheid en voorzichtigheid. Waar en wanneer is de kerk zozeer ontrouw in leer en leven dat er terecht sprake kan zijn van valse kerk? Rond 1834 waren er die dat beweerden van de Hervormde Kerk. Anderen lieten de kerk niet los. Iets wat onder andere te maken heeft met bereidheid zich al of niet te willen laten corrigeren door bezonnen wijsheid van de vreze des Heeren. En verder terug in de tijd heeft W. a Brakel er ook mee te maken gehad rond de Labadie en zijn aanhangers. Nog verder terug bestond het probleem in de persoonlijke sfeer ook al in de oude kerk met de zogenaamde 'lapsi', de afvalligen. Mochten zij die zich misdragen hadden door hun geloof te verloochenen, daarna bij berouw terugkeren in de schoot der kerk, of mocht dat niet? Waar ligt hier de grens?
In ieder geval wordt de grens overschreden wanneer geduld en lankmoedigheid hebben plaatsgemaakt voor radicaliteit. Want dan lijken we niet meer op de Heere God Zelf. Immers, hoeveel geduld heeft Hij toch met ons en hoeveel lankmoedigheid toont Hij naar qns toe. Zoveel, dat het gewoon de bron van ons leven is. Zonder het geduld en de lankmoedigheid van God zouden wij allen binnen de kortst mogelijke tijd vergaan en zou de kerk ophouden te bestaan.
Uitzicht
Kan er dan geen einde komen aan het geduld en de lankmoedigheid van God? Vast en zeker wel. Wat dat betreft zullen we dan ook voortdurend in vrees en beven leven, zowel wat onszelf aangaat als inzake de kerk. Inderdaad, God kan ons persoonlijk overgeven aan het oordeel der verharding. Namelijk dan wanneer we almaar doorgaan met zonde te koesteren en een loopje blijven nemen met de heiliging van het leven. En wat de kerk be-
Dezer dagen is bij uitgeverij Boekencentrum in Zoetermeer het boek Licht op de kerk verschenen, een bundeling van de serie artikelen die in ons blad verschijnt en die over een enkele week afgerond wordt. In 22 hoofdstukken, voorzien van gespreksvragen met het oog op doordenking in kerkenraden en gemeenten, worden wezenlijke aspecten van het kerk-zijn behandeld. Gepoogd is vanuit Gods Woord licht te laten vallen op de kerk, en evenzeer vanuit de gereformeerde belijdenis. Kerkenraden hebben inmiddels een schrijven ontvangen waarin meegedeeld is dat wie voor 15 juni intekent geen € 13, 50 betaalt maar€ 11, -. In de hoop met dit boek de kerk te dienen, delen wij bovenstaande mee.
RED. DE WAARHEIDSVRIEND
treft kan God het licht van de kandelaar weren. Dat is de ene kant. De andere kant is dat God niets liever heeft dan dat we een appèl doen op Zijn barmhartigheid. En dat Hij in de weg van verootmoediging en geloofsvertrouwen grote dingen wil doen, ook vandaag nog. Persoonlijke bekering en bekering van de kerk zijn geen voorwaarden voor de genade van God, waarin we Zijn gunst kunnen kopen. Wel zijn het bijbelse middelen 'van de weg waarin' God ons Zijn goedheid wil betonen. Daarom blijft over dat we Gods vrijmacht en onze rechteloosheid belijden, terwijl we in vast geloofsvertrouwen pleiten op Gods beloften die in Christus ja en amen zijn. Al speelt daar ook weer in mee de mate waarin we persoonlijk geloof kennen. Weten we van Gods verborgen omgang waarin we alles met de Heere delen, ook de noden van de kerk? Is de nood van de ontrouw van onze Hervormde Kerk en de mogelijke Protestantse Kerk in Nederland ons werkelijk op het hart gebonden, samen met de nood van land en volk? En hebben we met onze eigen ontrouw zowel in leer als leven, zoveel te stellen dat we er 'dagwerk' aan hebben? Dan blijft er maar één ding over, namelijk een beroep doen op de trouw van God. Onze, ook kerkelijke, trouw is niet van zo hoog gehalte. Wie, hoe goed bedoeld ook, van eigen trouw toch hoog opgeeft, loopt gevaar te vergeten wat de Bijbel zegt, namelijk: 'Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle'. Zijn we er ver naast als we stellen dat de Doleantie ons hierin een afschrikwekkend voorbeeld is? Laten we wat dit betreft maar veel vrezen en beven. Daarom geven enkel de trouw van God, meer nog onze trouwe God Zelf, ons hoop en uitzicht. En dat mag ons aansporen om net als Willem van Oranje, onze Vader des vaderlands, . een vast verbond te maken met de Potentaat der potentaten. Laten we zo een covenant, een verbond sluiten en ons in de hoogverheven Naam des Heeren, door de kracht van Woord en Geest verbinden tot het onverkort vasthouden aan de Schrift en de op haar gegronde gereformeerde belijdenis. Ook als het fusiebesluit onverhoopt doorgaat, in de dan ontstane nieuwe kerk. Restloos zwak in onszelf en nochtans sterk in de Heere. Zo zal Hij Zijn kracht in onze zwakheid en ondanks onze zwakheid willen volbrengen. 'Onze hulp is in de Naam des Heeren'.
R. H. KIESKAMP, LIENDEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's