De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ongenoegen onder broeders

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ongenoegen onder broeders

DE APOSTELEN VAN JEZUS CHRISTUS [11, VERVOLG]

9 minuten leestijd

Voor Petrus en de anderen is de omgang met Jezus intussen een blijvende leerschool. In Mt. 18 heeft de Heere gesproken over ootmoed en kleinheid. Een Jcind in hun midden stelt Hij tot voorbeeld. Hoe kónden ze bij Jezus komen met de vraag wie nu wel de grootste, de meeste in het Koninkrijk der hemelen was! Ze moeten de eenvoudigen, gelovigen met een hartelijk vertrouwen op hun Heere, niet verachten. Zij zijn de meesten, de grootsten. Engelen die altijd het aangezicht van hun Vader zien, hebben een band met hen. Met deze kinderen...!

Dan komt zonde en ongenoegen onder broeders aan de orde. Dat vraagt om die kleinheid, die ootmoed. Dat werpt een vraag op bij Petrus: (vs. 21) 'Heere: hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven? ' Moet dit nu bij herhaling, zelfs tot zevenmaal toe? Petrus lijkt erg royaal. Rabbijnen zeiden wel: tot driemaal. Noemt Petrus hier niet het maximaal voorstelbare? Jezus zal het mogelijk wel op minder stellen, 't Behoeft heus geen kwalijke vraag te zijn hier. Helaas beperkt echter Petrus hier de liefde, ootmoed en nederigheid. Ze spelen toch een beperkte rol? Ach, en nu verstaat hij weer niet hoe de Heere niet slechts iets, maar alles van de Zijnen vraagt in het Koninkrijk van God. Dat is: God en de naaste boven alles. Daarom Jezus' antwoord: 'Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventig maal zevenmaal...! 'Altijd weer. Vergevingsgezindheid is geen doodlopende weg, geen aftelsysteem, geen tegoed-bon. Maar zich geven aan de naaste met ons hele hart. Kaïn zal wel zevenvoudig gewroken worden, en Lamech zeventig maal zevenmaal (Gen. 4 : 24). De vergeldingsdrift van de goddelozen loopt echter dood op de liefdewet van het Koninkrijk Gods.

Nieuwe Godsrijk

Na het vertrek van de rijke jongeling (Mt. 19, Mk. 10, Lk. 18) heeft Petrus weer een vraag. De jongen ging bedroefd heen; hij bezat zo veel en had het voor de dienst van Jezus niet over. Maar de discipelen dan? 'Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd; wat zal ons geworden? ' Wat zal hun deel zijn? Bij Mt. (vs. 28) antwoordt Jezus dat in de wedergeboorte, d.i. de voleinding en vernieuwing van de wereld, de apostelen zullen zitten op twaalf tronen; ook de Zoon des mensen zal dan zitten op de troon van Zijn heerlijkheid. En zij zullen de twaalf geslachten van Israël oordelen. Dit is nog heel wat meer dan Jakobus en Johannes met moeder Salome ooit zullen durven vragen (Mt. 20 : 20 par.). Dan zal Jezus tronen in goddelijke gestalte, als God. En de twaalven die Jezus volgden, zullen de twaalf stammen van Israël, de volheid van het komende Godsvolk, regeren, oordelen. Het nieuwe Godsrijk wenkt. En verder: wie om Christus' wil en om het evangelie familie en bezit verlaten heeft, zal dit honderdvoudig terug ontvangen in deze tijd: huizen en harten van gelovigen zullen voor hen opengaan. Vervolgingen zullen daar ook bij horen (Mk. 10 : 30). Maar aan " de horizon wenkt het eeuwig leven in de toekomende eeuw. Een waarschuwing voegt Jezus daarbij: 'Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten' (Mt. 19 : 30). De apostelen zijn nu eersten en de rijke jongeling blijft achter, is laatste. Maar Petrus moet met de anderen weten: nooit mogen ze gaan steunen op hun volgen, hun verlaten van alles. Want dan kunnen ze in het Koninkrijk van God wel eens de laatsten worden...! Dat, én het omgekeerde zal vaak gebeuren. Laten ze toch leren zichzelf weg te cijferen en zich te verloochenen. Dat is 'nee' zeggen tegen jezelf in het Nieuwe Testament.

Lijdende Heere

Intussen naderen wij Petrus' geschiedenis in lijdenstijd. Jawel, een mensenleven heeft geschiedenis. Maar dan hier wel heel sterk in het licht van de lijdende Heere. Wij zagen bij Johannes, dat hij samen met Petrus het Pascha heeft bereid in Jeruzalem voor Jezus (Lk. 22 : 8).

Hoe zwaar zal deze Paschaviering worden voor Jezus. Een lam op tafel, dat Hem wijst op Zijn offer. Een verrader aan tafel, als dienaar van de vorst der duisternis. De instelling van het Heilig Avondmaal, nog zo onbegrepen en daarom onnodig voor de discipelen. De ruzie aan tafel, wie de meeste wel zou zijn. En dan dat woord van Jezus: 'de meeste onder u die zij gelijk de minste'; en 'wie is meerder: die aanzit of die dient? Is het niet die aanzit? Maar Ik ben in het midden van u als een, die dient...' (Lk. 22 : 24 e.v.). Daadwerkelijk: want na het avondmaal wast de Meester hun de voeten (Joh. 2 : 13 e.v.). Jezus staat op van de maaltijd, legt Zijn klederen af. (Straks, vs.

12, doet Hij ze weer aan. De meeste uitleggers zien hier een toespeling op Jezus' woorden in Joh. 10 : 17, 18 'Daarom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het weer neme. Niemand neemt het van Mij, maar Ik leg het van Mijzelf af; Ik heb macht het af te leggen, en heb macht om het weer te nemen...'). Deze slavendienst van de Heere wordt nauwkeurig omschreven: zich omgorden met de handdoek, water gieten in het bekken, voeten wassen en voeten weer afdrogen. Tegelijk ligt er iets koninklijke in Jezus. Een slaaf wast, en verdwijnt vóór de maaltijd. Jezus zet Zich weer aan het hoofd van de tafel, en wil de vraag stellen: 'Verstaat gij, wat Ik u gedaan heb? ' (vs. 12). Maar eerst is er weer een botsing met Petrus. Jezus hem de voeten wassen? Dat nooit: in der eeuwigheid niet: Met het 'na deze verstaan' heeft hij niets...! Maar het antwoord van de Meester velt hem: 'Indien Ik u niet was, gij hebt geen deel met Mij'. Dat is wat: Jezus' dienst weigeren; nooit meer roemen: 'De Heere is mijn Deel in eeuwigheid...!' (Ps. 73 : 26). Dan liever ook maar zijn handen en zijn hoofd mét de voeten gewassen. Door Jezus!

Dat is Petrus weer ten voeten uit. Hollen of stilstaan. Maar vóór het paasmaal waste ieder zich thuis; alleen de voeten werden weer stoffig, als men naar het huis ging van hen, met wie men Pasen vierde. Of als pelgrim naar het gastadres ging, na gebaad te hebben in of buiten Jeruzalem. Alleen dus de voeten, zegt de Heere. Dan zijn ze rein (al zondert Jezus Judas uit). Hier is weer die diepe betekenis: 'Gij zijt nu rein om het Woord, dat Ik tot u gesproken heb' (Joh. 15 : 3). Zijn volbrachte werk maakt hen rein. Maar de les komt nog: ze waanden

zich zo groot! Hebben getwist! Verstaan ze nu, wat Jezus hun gedaan heeft? Ze zeggen 'Meester, Heere'. Terecht. Maar hebben ze het voorbeeld begrepen nu? De Heere wilde wel slaaf zijn. Hoe zijn ze nu aan elkaar verplicht om ook zo te handelen. Een dienstknecht is niet meer dan zijn meester. Ze weten het nu! Zalig zijn ze, als ze het nu ook doen (Joh. 13 : 17). Ach, wat dit alles wel niet voor de Heere heeft betekend...! Als Judas is heengegaan, spreekt Jezus woorden van tedere liefde. 'Kinderkens, nog een kleine tijd ben Ik bij u'.

De zwaardvechter

Petrus' vraag is logisch: 'Heere, waar gaat Gij heen? ' Jezus antwoordt: 'Waar Ik heenga, kunt gij Mij nu niet volgen, maar gij zult Mij namaals volgen.' Hier springt voor de discipelen het licht op rood! Al vaak had de Heere het licht op oranje gezet: pas op, voorzichtig, er dreigt gevaar! Doet God dat nog niet in een mensenleven, als Hij remmend met ons bezig is? Soms al heel jong. Maar 't springt een keer op rood. Wie kan dan verder? En dan het grote wonder: het licht springt op groen. Heerlijk wonder van de Heere: 'Ze komen aan door goddelijk licht geleid... (Ps. 22 ber.). Want het pad is schoongeveegd, de weg bereid... Bereid door het Lam.

Maar dat ziet Petrus nog niet. Hij voelt wel aan: nu gaat het fout! En het flitst eruit: 'Heere, waarom kan ik U niet volgen? Ik zal mijn leven voor U zetten!' (Joh. 13 : 36 e.v.). Ach, en dan is er dat woord van de Meester: 'Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: de haan zal niet kraaien, totdat gij Mij driemaal verloochend zult hebben...'. Bij Mt. en Mk. lezen wij: 'En Jezus zei: Gij zult allen in deze nacht aan Mij geërgerd worden; want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan, en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden.' En dan is Petrus er weer: 'De anderen mischien allemaal.

Maar ik nooit!' Dan is er van Jezus datzelfde woord over verloochenen. En dan Petrus weer: 'Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins ver- •loochenen.' (Mt. 26 : 31 e.v.; Mk. 14 : 29 e.v.). En de andere tien vallen hem bij...!

Ach nee: ze hebben de lofzang (Ps. 113-118) zo-even aan tafel met Jezus gezongen (Mk. 14 : 26) 'Wie is gelijk de HEERE, onze God? ' (113). 'Beef gij aarde voor het aangezicht des Heeren' (114). 'De doden zullen de HEERE niet prijzen' (115). 'De banden van de dood hadden mij omvangen' (116). En toch: 'Looft de HEERE, alle heidenen' (117). 'Het is beter tot de HEERE toevlucht te nemen, dan op de mens te vertrouwen. De HEERE is mijn sterkte en Psalm, want Hij is mij tot heil geweest' (118). Maar niet één heeft de diepte vermoed die nu de Zoon des Mensen wacht in Gethsémané. Hij vraagt hun te waken. Het bekende drietal mag verder mee, totdat Hij ook hen achterlaat. Ver-baasd en zeer beangst (Mk.); droevig en zeer beangst (Mt.). Met de woorden op de lippen: 'Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe. Blijft hier en waakt met Mij. Bidt dat gij niet in verzoeking komt! Gethsémané: de toorn van God: Het bloedig zweet...! 'Mijn Vader, indien het mogelijk is...' Van spanning en droefheid vallen ze in slaap. Petrus . wordt bijzonder door de Heere gewekt: 'Simon: slaapt gij? Kunt gij (dan) niet één uur (met Mij) waken' (Mt. 26 : 40), (Mk. 14 : 37). En toch: straks is Petrus weer de zwaardvechter, en hij hakt er op in...! Juist als de Meester Zich vrijwillig overgeeft. Dan is het er, ook voor Simon: 'Toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende...' (Mt. 26 : 56). Ach ja: waar zijn nu alle grote woorden, van Simon, 'Petrus', de rots; en van alle anderen...?

J. C. SCHUURMAN, BARNEVELD

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Ongenoegen onder broeders

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's