Boekbespreking
Dr. Marcel S. F. Kemp Het verscheurde beeld. De vraag naar lot, kwaad en lijden in de pastoraal-theologische theorievorming, benaderd vanuit het joodse denken over de mens als beeld Gods.
Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer; 680 blz.j € 41, -.
Mejfdeze dissertatie promoveerde dr. Kamp vorig jaar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Het is een zeer grondige studie geworden (435 pagina's tekst en 175 pagina's noten) naar het denken over het beeld van God in de joodse traditie, waarbij het klassieke jodendom maar ook het denken van twintigste-eeuwse theologen en filosofen de revue passeren. Daarnaast is het ook een zeer persoonlijke studie. Dr. Kemp werd in 1944 geboren en zijn levensgeschiedenis is niet los te maken van het gebeurde in de Tweede Wereldoorlog. Als voorzitter van de Contactgroep Kinderen Duitse Militairen en bestuurslid van de Stichting Werkgroep Herkenning (kinderen van 'foute' ouders) houdt hij zich bezig met de gevolgen van oorlog voor kinderen-vande-oorlog en met de betekenis van ontmoeting tussen kinderen van daders en slachtoffers. Bovendien heeft hij als geestelijk verzorger in het ziekenhuis Leyenburg in Den Haag bijzondere belangstelling voor de vragen wie de mens is en voor de vraag naar lot, kwaad en lijden. Het doel van zijn studie formuleert hij als volgt: 'Het vanuit bestudering van de joodse traditie zoeken naar een antwoord op de vraag naar de betekenis van Imago Dei (de mens als beeld Gods) voor het mensbeeld, toegespitst op de relevantie hiervan voor het omgaan met de vraag naar lot, kwaad en lijden in de pastoraal-theologische theorievorming'. Het is moeilijk een samenvatting van zijn grondige studie te geven. Allereerst onderzoekt dr. Kemp de teksten over het beeld van God in het Oude Testament (Genesis) en Nieuwe Testament, met name bij Paulus, waarbij onder andere de opvattingen van kerkvaders, Calvijn, Karl Barth, Brunner, Miskotte, H. Berkhof en Pannenberg ter sprake komen. De grote lijn is dat de betekenis van het beeld Gods het heersen over de geschapen creatuur inhoudt. Vervolgens passeert een aantal min of meer humanistische psychologen (onder andere Freud, Jung, Maslov, Rogers, Clinebell jr., en in het spoor van lung: Aleid Schilder) en theologen (onder andere Tillich, Niebuhr) en pastoraal theologen als Thurneysen en W. Zijlstra de revue.
In de hoofdstukken 3 en 4 komen joodse denkers aan het woord. Eerst wordt onderzoek gedaan naar de betekenis van het beeld van God en het lot, kwaad en lijden in het klassieke jodendom. De rabbijnen onderstreepten vanuit hun interpretatie van het beeld van God krachtig de heiligheid en onvervangbare waarde van elk mens. Kemp zegt: er is bij de rabbijnen geen sprake van dat het beeld van God door Adams val verloren is gegaan; er is slechts een vaag verband tussen Adams zonde en de verantwoordelijkheid van zijn nageslacht voor de straf. Het jodendom hield vanuit zijn gedachten over het beelddragerschap van God hartstochtelijk vast aan de vrije wil van de mens en aan zijn vrijheid om te kiezen tussen goed en kwaad. Een afgeronde leer van de verhouding tussen Gods voorzienigheid en de vrije wil van de mens kennen de rabbijnen niet; het gaat in de houding van het jodendom tegenover lijden niet zozeer om zingeving, maar om de wijze waarop het lijden wordt verwerkt door verantwoord handelen. Dr. Kemp gaat onder andere ook vier grote joodse denkers in de twintigste eeuw na: Buber, Heschel, Levinas en Soloveitchik, wier denken op verschillende wijze beïnvloed is door de gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog en die zich alle vier bezighielden met de verhouding jodendom-christendom.
Hoofdstuk 5 gaat vooral in op de invloed van de holocaust op het joodse denken over het beeld van God en het kwaad en het lijden. Hier komen sterk de lijnen naar voren dat in het jodendom de nadruk ligt op de verantwoordelijkheid van de mens en dat de schepping niet af is. Het beeld van God betekent in het jodendom dat God de verantwoordelijkheid voor het geschapene in handen van de mens legde en de mens partner van God is in de schepping-als-doorgaand-proces. Het laatste hoofdstuk trekt een aantal conclusies. De mens is in het joodse denken naar zijn wezen verscheurd (vandaar de titel van de dissertatie), hij is tegelijk goddelijk en dierlijk, van 'boven' en van 'beneden' en kan dit alleen maar tot een goed einde brengen als hij zich toewendt naar de naaste en naar God en zich niet richt op vervul-
ling van de eigen behoeften. Dat is zijn opdracht waardoor hij werkelijk tot mens wordt.
Het is duidelijk dat ik een aantal vragen heb bij deze dissertatie, die ik overigens met grote belangstelling las. Dr. Kemp vereenzelvigt zich in veel van zijn uitspraken met het bovengenoemde joodse denken. Hij meent dat de christelijke theologie zich ten onrechte ver verwijderd heeft van het jodendom en neemt onder andere afstand van de klassieke christelijke verzoenings- en verlossingsleer met zijn nadruk op de slechtheid van de mens en zijn belijdenis van het 'alleen door het geloof in Jezus als Redder'. Hij betuigt instemming met H. M. Kuitert in zijn verwerping van de twee naturen van Christus. Jezus is slechts, en bij uitstek, de belichaming van de scheppingsopdracht om mens te zijn op aarde. Deze conclusies zijn het die bij mij de meeste vragen oproepen. Alle nadruk ligt in deze interpretatie van het beeld van God op de opdracht aan en mogelijkheden van de mens. Die opdracht is er. Maar die komt m.i. slechts tot zijn recht in de belijdenis van Christus en Zijn verzoenend werk, zoals dat onder andere naar voren komt in de Romeinenbrief. Vandaaruit krijgt de navolging Gods gestalte, waarbij de mens volstrekt aangewezen is en blijft op de Heilige Geest, die in Zijn werken nauw verbonden is met het werk van Christus. Ook de stelling dat het christendom met zijn eeuwenlange aanspraak op absolute waarheid zich een identiteit verschaft die het niet toekomt, kan ik niet meemaken. Dat geeft de auteur als pastor de vrijheid om andersgelovigen hun geloof niet alleen niet af te nemen, maar hen in hun geloof te bevestigen. Zo wordt het getuigenis van Jezus als de Christus naar de zijlijn geschoven, zo dat getuigenis er überhaupt nog is. De studie van dr. Kemp is niet voor ieder gemakkelijk toegankelijk. Voor de geïnteresseerde lezer biedt het echter veel, ook al deelt hij de conclusies van het boek niet.
H. VELDHUIZEN, WAPENVELD
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's