Globaal bekeken
In Contactblad van de afd. Gereformeerde Bond in Amsterdam schrijft Gerard Colenbrander in een artikel getiteld 'Kerkmuziek in een Bondsgemeente - contradictio in terminis?', over 'De geschiedenis van de kerkmuziek vóór de Reformatie':
'Zang en muziek hebben al tijd een belangrijke plaats gehad in de christelijke gemeente. Wie kent niet de voorliefde van Augustinus en Ambrosius voor gemeentezang en muziek? Tegelijkertijd heeft de kerk altijd gepoogd muziek een bescheiden plaats te geven, vooral als het ging om instrumentale muziek. Maar al te gemakkelijk kan muziek namelijk een hoofdrol in de eredienst gaan spelen, en daarmee afleiden van de dienst van het Woord. Op welke wijze de gemeente ten tijde van de kerkvaders bij zang en muziek betrokken is geweest weten we niet precies. Tot 500 schijnt de gemeente nog meegezongen te hebben bij de Mis. Daarna werd het aandeel van de gemeente steeds minder.
De enige hymne die in het caluinisme bewaard is gebleven is "Christe, qui lux es et dies" - bij ons bekend als de Avondzang. Een karakteristiek lied, met korte verzen en een goed zingbare melodie. (…)
In latere tijden, in de Middeleeuwse kerk, was de zang solistisch (door de priester) of werd de zang door een koor verzorgd. De taal was voornamelijk Latijn, ook al zijn er liederen bekend waarin het Latijn met de volkstaal werd afgewisseld. Denk aan "In dulci Jubilo - singhet ende weset vro". Ter afwisseling werd het orgel, voorzover daar al sprake van was, gebruikt om instrumentale muziek ten gehore te brengen. Het orgel had daarbij een zogenaamde alternatim-functie en dus geen functie in de begeleiding van de (gemeente)zang. De gemeente kwam en zweeg stil. Een kwalijk punt was dat de gemeente dus niet meer deel nam aan de liturgie en eigenlijk toeschouwer was geworden. Dat de volkstaal in de dienst amper werd gebruikt, zal daar debet aan zijn geweest. En dat er een "uitweg" in de vorm van de lekespelen werd gevonden, laat zich raden. Hoever men van de eredienst af kwam te staan blijkt wel uit de bekende toverspreuk "Hocus pocus Pilatus pas". Oorspronkelijk ging het hier om een formule die bij het Heilig Avondmaal door de priester werd uitgesproken: "Hoe est corpus Pilatus passus est" (Dit is het lichaam dat geleden heeft onder Pilatus). Eén en ander neemt niet weg dat ons een schat aan liederen en muziek uit de Middeleeuwen is overgeleverd.'
Dit jaar is het driehonderd jaar geleden dat de Engelse opwekkingsprediker John Wesley werd geboren. Bij lezing van een prachtig Engelstalig boek van Jean-Pierre van Noppen, Transforming Words ('The early Methodist Revival from a discours Perspective', uitgave Peter Lang, Bern) trof mij (opnieuw) hoeveel aandacht Wesley besteedde aan de sociale kwestie, aan arbeidsethiek en economie. Luiheid duidde volgens hem op een slechte verhouding met God ('Zoals de Zon zal ik de bezigheden van de dag verrichten, vanaf zonsopgang tot zonsondergang'). Liever dan uit het Engels te vertalen geef ik door wat het N.D. bracht over 'Johan Wesley en geld':
'Wesley had als een rijk man kunnen leuvn, als hij gewild had. Maar hij leerde rond te komen van zo'n 30 pond per jaar en dat heeft hij zijn hele leven volgehouden. Ook in de jaren dat zijn inkomen ongeveer 1400 pond bedroeg, in zijn tijd een astronomisch hoog bedrag. Wesley verdiende dat vooral door de opbrengsten van zijn vele boeken, maar het grootste deel ervan gaf hij weg of besteedde hij aan de bouw van kerken en kapellen.
Wesley gaf drie duidelijke richtlijnen voor het gebruik van geld:
1. Verdien zoveel je kunt.
Geld op zich vond hij niet slecht. Mensen moesten daarom proberen er zoveel mogelijk van te krijgen. Vooral zakenlieden moesten volgens Wesley voldoende middelen hebben om het voortbestaan van hun bedrijf mogelijk te maken.
2. Bespaar zoveel je kunt.
Wesley waarschuwde om niet te veel uit te geven aan kleding, dure maaltijden en dergelijk. Wie zich beperkt tot het noodzakelijke kan veel besparen. Bovendien leidt de aanschaf van dure spullen alleen maar tot verlangen naar meer, aldus Wesley.
3. Geef zoveel je kunt.
Christenen moeten in ieder geval tien procent van hun inkomen weggeven, vond Wesley. Maar ze moeten beseffen dat alles wat ze hebben, eigendom is van God. Dat betekent dat de volle honderd procent moet worden gebruikt tot Gods eer.
(Ontleend aan een artikel van C. E. White, in het blad Leadership, winter 1987).'
V.D.G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's