Kroniek van dertig jaren [I]
In 1978 gaf dhr. ir. J. van der Graaf Delen o/helen? in het licht, een kerkelijke kroniek die begint in 1906, het jaar van de oprichting van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk. Deze kroniek loopt door tot 1951, het jaar van de aanvaarding van de kerkorde, die de Algemeene Reglementen verving. De ondertitel luidde: Hervormd kerkelijk leven in en met de Gereformeerde Bond. Het kloek uitgevoerde boekwerk, rijk voorzien van afbeeldingen en foto's, werd destijds gunstig ontvangen.
Na bijna een kwart eeuw heeft de schrijver hierop een vervolg mogen leveren, een tweede deel dat de jaren / 1951 tot 1981 omspant. Het is al een bijzonder voorrecht dat hij, na vele jaren intensieve kerkelijke betrokkenheid, dit vervolg heeft mogen schrijven. Er bestaan heel wat boeken als een eerste deel, waarin een vervolg wordt aangekondigd, dat echter nooit verschenen is. Van Delen of helen? werd in 1978 geen vervolg in het uitzicht gesteld, maar het is er wel gekomen. Dat is een felicitatie voor de schrijver waard, maar niet zonder dank aan Hem die hem leven en gezondheid daartoe schonk. Deze tweede kroniek omvat een kortere periode dan de eerste, maar het boek is veel uitgebreider. De paginering loopt nu tot 536, gevolgd door een namenregister, tegen 291 pagina's in het eerste deel. Overigens heeft dit tweede deel een geheel eigen uiterlijk gekregen, terwijl ook de typografische verzorging heel anders is dan het eerste deel. Een belangrijke wijziging, die direct opvalt als men de boeken naast elkaar opslaat, is dat de twee kolommen van deel 1 in deel 2 plaats hebben gemaakt voor een tekst die over de hele pagina doorloopt. Ik spreek nu wel van deel 1 en deel 2, maar deze aanduidingen ontbreken in de titel, omdat de schrijver in 1978 zich niet verplichtte ooit een vervolgdeel te publiceren. Het boek dat nu ter tafel ligt, is ook weer fraai verzorgd en rijkelijk geïllustreerd. Bovendien zijn drie bijlagen opgenomen: gedeelten uit de brochure 'Waar het in het proces tegen de Hervormde Kerk om gaat' uit 1951 en in zijn geheel: de 'Open Brief' van de 24 uit 1967 en het 'Getuigenis' van 1971.
De opzet
Bepalend voor deze kroniek is geweest wat in de pers verschenen is, met als vertrekpunt artikelen en berichten in de Waarheidsvriend en het Gereformeerde Weekblad, deze twee bladen die niet zonder enige concurrentie nog altijd bestaan. Het ene als officieel orgaan van (het hoofdbestuur van) de Gereformeerde Bond, het andere als een particulier blad van drukkerij Bout te Huizen. Daaromheen zijn vele honderden berichten en berichtjes 'geweven', die aan diverse bronnen zijn ontleend en een inzicht geven in voorvallen, gebeurtenissen en meningen in het geheel van de Hervormde Kerk en kerkelijk Nederland. Het is uitermate leerzaam dit alles hier bijeengebracht te vinden. Leerzaam voor hen die dit stuk geschiedenis van het kerkelijk leven niet of maar voor een klein deel hebben meegemaakt, leerzaam en overzichtelijk voor hen die, zoals de schrijver van dit artikel, deze dertig jaren bewust hebben beleefd, al was hij in het begin daarvan nog maar gymnasiast.
Het proces van 1951
elk ter zake kundig hervormd mens enkt bij het jaartal '1951' niet aan de nvoering van de kerkorde? Op 1 mei an dat jaar kwam een einde aan de eerschappij van de Algemeene Regleenten. Een nieuwe fase voor de Neerlandse Hervormde Kerk brak aan. et dit gebeuren zet de kroniek in. Bij elen was grote vreugde. Gedurende ientallen jaren waren pogingen aanewend om onder de Reglementen uit komen en de 'gedeformeerde' Kerk eer de gestalte van een Kerk te geen, een belijdende, een Christusbelijende volkskerk, geleid door ambtelije vergaderingen. In de jaren twintig n dertig leek enkele keren het moent nabij dat de Hervormde Kerk ich uit haaf verval zou oprichten.
Groot was toen bij velen teleurstelling dat de Algemeene Synode haar positie wist te handhaven en een nieuw bestel van de hand wees. In 1950 was het echter zover: een nieuw samengestelde synode besloot dat op de ie mei van het daarop volgende jaar een kerkorde de reglementen zou vervangen. Maar deze invoering werd niet algemeen begroet, niet bij allen heerste daarover vreugde. De wettigheid van het besluit daartoe en de nieuwe structuur van de kerk ontmoetten bij sommigen van links tot rechts in de kerk heftige bezwaren. Een aantal bezwaarden sloot zich aaneen en liet het tot een proces voor de wereldlijke rechter komen: 29 lidmaten, van wie een aantal predikanten, vormden een bont gezelschap: enkele adellijke lieden, juristen, ambtsdragers en gemeenteleden. Nog wonderlijker was hun geestelijke achtergrond: van links-vrijzinnig tot (om het anachronistisch te zeggen) vertegenwoordigers van het 'Gekrookte Riet'. Onder hen waren ook enkele leden van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond, overigens op persoonlijke titel. Onder hen was de voorzitter, prof. dr. J. Severijn, die op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond van 1951 had verklaard: 'Wij staan alzo per 1 mei onder een kerkorde, die door ons als onaanvaardbaar wordt afgewezen'.
De rechter stelde echter de bezwaarden in het ongelijk en toen de eisers besloten in hoger beroep te gaan, haakten 11 van de 29 af. De 18 overgeblevenen moesten echter ervaren dat de rechter opnieuw hun bezwaren afwees.
Hoewel de voorzitter niet namens het hoofdbestuur deelnam aan dit proces, heeft het de Gereformeerde Bond geen goed gedaan dat de voorzitter samen met het hoofdbestuurslid Lt. Gen. L. F. Duymaer van Twist de kerk dit proces heeft aangedaan. De bezwaren spitsten zich toe op de vraag aangaande de wettigheid van het besluit de kerkorde in te voeren en op het gezag en de functie van de belijdenis. Wat dit laatste betreft: in de kringen van de Gereformeerde Bond was men het principieel oneens met de voorrang die aan het apostolaat van de kerk (art. VIII) was gegeven ten opzichte van het belijden van de kerk (art. X), ter linkerzijde was men beducht voor de leertucht die, na een 'moratorium' van tien jaren, dus vanaf 1961 zou kunnen worden gehanteerd.
Dr. Van der Graaf onthoudt zich in deze kroniek van wegingen en beoordelingen. Het gaat hem er louter om weer te geven wat er is geschied.
Theologische visies heeft hij in een andere studie, die kortgeleden verschenen is, naar voren gebracht. Daarom vinden wij hier niet zijn mening over het gewicht van de argumenten die de bezwaarden tot het proces voor de wereldlijke rechter brachten. De bezwaarden zelf hebben hun optreden uitvoerig toegelicht en verdedigd. Men vraagt zich wel af, of men dan liever had gezien dat de kerk onder de Reglementen was gebleven, daar het ondenkbaar was dat men als rechts en 'ultra-links' samen tot een betere, meer gereformeerde kerkorde zou zijn gekomen. Hoe men in het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond over de actie en het proces van de bezwaarden dacht, komt in de kroniek niet naar voren. Overigens zijn deze bezwaren langzamerhand verstomd. Scheuringen ten gevolge van de invoering van de kerkorde werden wel gevreesd, maar zijn uitgebleven. Ik betwijfel ook of deze dreiging reëel is geweest. Men heeft in de Gereformeerde Bond met de kerkorde leren leven, de positieve kanten ervan leren waarderen, zonder blind te zijn voor de vele negatieve. Het was wel zo dat ds. J. J. Timmer, heel invloedrijk als secretaris van het hoofdbestuur en vanwege zijn vele artikelen in de Waarheidsvriend, in die tijd het verschijnsel van 'linkse' en 'rechtse' Bonders signaleerde, met daar tussen een 'grote middengroep'. Nuances vond hij niet erg, die waren er ook in de tijd van Lodensteyn. Maar hij zag het verschil tussen linksen en rechtsen dieper liggen: het openbaarde zich ook op het terrein van de kerkpolitiek en men stond verschillend tegenover de synodale koers! De grote meerderheid stond overigens 'pessimistisch', aldus ds. Timmer.
De synodale koers
In de jaren na 1951 werd de synodale koers steeds duidelijker. Synodale verklaringen, herderlijke schrijvens, benoemingen en besluiten deden meermalen veel stof opwaaien en riepen vaak felle weerstand op: Christen zijn in de Nederlandse samenleving, de kwestie van de vrouw in het ambt, 'Hardegarijp', 'de Achttien', het mutatierapport, de 'kwestie Smits' (over de ver-
zoening door de Heere Jezus Christus), de kernwapens, de Open Brief, het Getuigenis, enzovoort, enzovoort. Het is boeiend hierover na jaren te lezen, temeer wanneer men bij veel hiervan zelf direct betrokkene is geweest en het is verleidelijk in details te treden, maar wie deze weten wil, leze het onderhavige boek. Gaandeweg wordt duidelijk - en dat geeft een wat triest gevoel bij het doornemen van deze rijke kroniek - dat de kerkorde geen echt herstel heeft gebracht. Bij velen heerste idealisme. Maar 1951 bracht slechts een kortdurende opleving. De grote vergissing was dat (om leuzen uit vroeger jaren te gebruiken) de 'organisatie' niet de eerste en voornaamste hinderpaal voor 'reformatie' was. Dat werd duidelijk toen de 'reorganisatie' niet de noodzakelijke en verwachte 'reformatie' bracht. Anders gezegd: de kwalen van de kerk waren allereerst van geestelijke en niet van organisatorische aard in de tijd dat Hoev D D e j m o v d o d g m a s s d demaker en Gunning, Kerkherstel en Gemeenteopbouw ijverden voor het zo noodzakelijke kerkherstel. De ziekten van vóór 19 51 werd meegesleept naar de tijd daarna!
De kwestie van de vrouw in het ambt
Deze kwestie haal ik even afzonderlijk naar voren, omdat zij als nauwelijks een andere de gemoederen heeft beziggehouden en de kerk verdeeld. Na jarenlange discussies besloot de synode in 1958 met de kleinst mogelijke meerderheid de ambten voor de vrouw open te stellen. Dit gold de ambten van ouderling en diaken. In 1966 werd dit besluit gevolgd door de volledige openstelling van het ambt van dienaar des Woords voor vrouwen. Voor de organisatie en leden van de Gereformeerde Bond was deze beslissing niet acceptabel. Voorafhad het hoofdbestuur een 'resolutie' aan de generale synode laten uitgaan, uitlopend op het dringend verzoek van de ingeslagen weg terug te komen. 'Uw vergadering kan toch het recht niet te niet doen van allen, die begeren kerkelijk naar de belijdenis te leven'.
Nooit heeft het echter gegrepen naar het middel van de dreiging bij aanvaarding met de kerk te zullen breken. Ook ds. W. L. Tukker, die als weinig anderen onder dit besluit en de uitvoering daarvan heeft geleden, verklaarde evenwel nooit om deze reden uit de Hervormde Kerk te zullen gaan. In scheiding zag hij geen heil. Bij mijn weten heeft hij echter nooit meer ambtelijke vergaderingen bezocht die vrouwelijke leden kende. Deze gedragslijn is echter zelden door anderen gevolgd. De vooruitziende blik van sommigen, die de kroniekschrijver van de Waarheidsvriend in die periode vertolkt, is overigens helemaal bewaarheid. Hij schreef: 'In de pers van de Gereformeerde Kerken riep de beslissing weinig of geen kritiek op. Sommigen in onze kring zijn van mening, dat het geen tien jaar meer zal duren, dat in de Gereformeerde Kerken de ambten voor de vrouw zijn opengesteld en men ook daar vrouwelijke predikanten op de kansel zal zien'. En inmiddels heb ik de indruk dat in het bijzonder het ambt van predikant in de Gereformeerde Kerken nog sneller en nog meer dan in de Hervormde Kerk 'vervrouwelijkt'. Tot heden zal men in gemeenten die beschouwd worden tot de hervormd-gereformeerde richting te behoren in het geheel geen vrouwelijke predikanten en slechts in uiterst zeldzame gevallen vrouwelijke ouderlingen en/of diakenen aantreffen.
L. J. GELUK, ROTTERDAM
N.a.v. Dr. ir. J. van der Graaf Delen of helen? Kroniek van hervormd kerkelijk leven in en met de Gereformeerde Bond, 1951-1981. Uitg. Kok, Kampen; 536 blz.; € 39, 90.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's