Een relatie met de Ander
OVER GELOVEN IN GOD EN PRAKTISCHE THEOLOGIE [I]
OVER GELOVEN IN GOD EN PRAKTISCHE THEOLOGIE [1]
Onlangs verscheen een belangwekkend boek van de hand van prof. dr. F. G. Immink, hoogleraar praktische theologie vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk bij de Universiteit Utrecht. De titel is In God geloven. Een praktisch-theologische reconstructie en het is uitgegeven bij Meinema, Zoetermeer. Deze studie is vrucht van jarenlang denkwerk en verwerking van ervaringen die de hoogleraar heeft opgedaan in de contacten met vakgenoten en studenten. Op de flap lezen we dat het boek bedoeld is voor lezers die geïnteresseerd zijn in de fundamentele vragen van de hedendaagse geloofspraktijk. Ik wil proberen aan te geven wat de gemiddelde lezer van de Waarheidsvriend aan dit boek kan hebben. Het gaat hier om een werk op theologisch-wetenschappelijk niveau en het is dan ook niet een boek dat je gemakkelijk even uitleest. De auteur beweegt zich, overigens in heldere taal, binnen het 'discours', het taalveld van vakgenoten. Zijn boek is een fundamentele bijdrage vanuit gereformeerd perspectief aan de discussie onder beoefenaars van de praktische theologie. Op deze discussie gaan we hier niet in, omdat ze in vaktijdschriften thuishoort. Tegelijkertijd geeft het boek echter de nodige handvatten aan predikanten, kerkelijk werkers en anderen die zich professioneel met kerkenwerk bezighouden, om de grondslagen van hun bezig zijn scherper in het vizier te krijgen. In de derde plaats -en daarmee komen we nog dichter bij de gemiddelde lezer van dit blad - helpt Immink theologisch geïnteresseerde gelovigen bij de bezinning op de vraag wat geloven in God nu eigenlijk betekent. In dit artikel ga ik met name op het laatstgenoemde in, in een volgend artikel betrek ik ook de overige aspecten.
Wat is geloven in God?
Om bij het laatstgenoemde te beginnen, geloven is een diepe relatie onderhouden met de levende God. In deze relatie is de mens met heel zijn wezen betrokken. Bij het nadenken over geloven-in-uitvoering komt dus heel de menselijke werkelijkheid in beeld: verstand, gevoel en wil, een vormgeving die door traditie en actuele context mede bepaald is, allerlei psychologische en sociologische kanten aan de zaak, enzovoorts. Het geloof is op velerlei wijze ingebed in de menselijke geest en in het alledaagse leven. Maar bij deze menselijke kant mogen we niet blijven staan alsof dit het een en het al was. Er is een Ander in het spel, namelijk de God die Zichzelf te kennen geeft als degene die ons roept en verlost.
Dat er een geloofsrelatie mogelijk is, is te danken aan God die de goddeloze rechtvaardigt. Dat wil zeggen dat Hij een weg baant om met mensen die dit niet waard zijn in contact te komen en hen genadig, ondanks alle schuld aan hun kant, als Zijn kinderen te aanvaarden. Geloven in God zou niet mogelijk zijn als Hij zich niet geopenbaard had. Deze heilsopenbaring van God heeft gestalte gekregen in de geschiedenis van Israël en in het leven, sterven en de opstanding van Christus. Geloven is antwoorden op het spreken van God, in vertrouwen reageren op Zijn beloften. Met deze betrokkenheid op het heilshandelen en op het heilrijke Woord van God staat of valt het christelijk geloof. Door deze afhankelijke, vertrouwensvolle relatie tot God staat de gelovige op herkenbare wijze in de wereld: hij of zij gaat vol mededogen en in ootmoed met de naaste en met heel de schepping om.
Geloven is niet alleen een bepaalde manier van handelen, maar in de eerste plaats een geesteshouding die vanuit de verbondenheid met God de handel en wandel van de gelovige stempelt.
In het dagelijks spraakgebruik heeft 'geloven' de betekenis van een verzwakte vorm van kennen. Je weet het niet zeker, maar je 'gelooft' wel dat het zus of zo is. Je neemt het aan, maar je durft er nietje hand voor in het vuur te steken. Dit ingeburgerde spraakgebruik maakt het moeilijker om uit te leggen wat 'geloven' in de bijbelse zin van het woord is. Daar is 'geloven' immers bij uitstek een kwestie van zzekerheid: 'In het geloof stellen we ons vertrouwen op God. En dat doen we, omdat we God betrouwbaar achten... Het vertrouwen wordt gevoed door de kennis, omdat we op grond van onze kennis iemand al dan niet betrouwbaar achten.' (blz.38, 40).
Wanneer we zo in een diep vertrouwen in de wereld staan, vervullen we daardoor opgewekt onze roeping in dit leven. 'Het is geen verdovend middel om de wereld te ontvluchten, maar een stimulerende factor die motiverend en inspirerend werkt in de levenspraxis.
Het geloof is als het zout dat smaak geeft aan het eten, als gist dat het brood doet rijzen.'(blz.53). Het geloof haalt ons niet weg uit het leven en maakt ons niet tot deserteurs. 'Ik leer dood en leven, teleurstelling en verwachting, pijn en vreugde - zaken waar we dagelijks mee in aanraking komen - te plaatsen in een ander perspectief, namelijk in het licht van Gods bemoeienis met ons mensen.'(blz. 62). 'Door het geloof hebben we weet van een andere werkelijkheid, de komst van het rijk Gods, en door die gerichtheid wordt het leven en het handelen van de mens gemotiveerd. Het geloof als bron van inspiratie en motivatie.' (blz.65).
Navolging en vernieuwing
Elk mens staat in de gebrokenheid van het leven, waarin vreugde en verdriet, blijde verrassingen en bittere teleurstellingen elkaar afwisselen. Het geloof in God geeft de mens een positieve grondhouding waarin vertrouwen en overgave een belangrijke rol spelen. Dat houdt niet in dat geloven identiek zou zijn met de beschutting en de veiligheid van het oude en vertrouwde. Dat was het niet voor Abraham en al evenmin voor de nieuwtestamentische gemeente. In de geloofshouding gaat het evenzeer om de moed tot verandering en vernieuwing. In dit verband vallen ook de grote woorden 'navolging', 'verloochening van jezelf', 'kruisdragen'. 'Navolging van Jezus betekent binding aan Jezus' levensweg: zelfovergave, instaan voor de ander, onbaatzuchtige liefde. Dan krijgt het leven de dimensie van de dienst aan de ander. Dat kost ook wat. Navolging heeft te maken met bekering en verandering en in sommige gevallen vraagt dat een nieuwe solidariteit. Denk maar aan Abraham en Paulus.' (blz. 75).
Juist in deze weg van de navolging en de zelfverloochening wordt een mens meer en meer zichzelf en rijpt zijn of haar persoonlijkheid. Het gaat immers niet om lijdelijkheid en fatalisme, maar om een bewuste keuze voor een weg die liever Jezus' voetspoor houdt dan met een boog om het lijden heen te gaan. Hiermee wordt echter de gedachte van een gelijkmatige groei en ontwikkeling verstoord. Er is telkens weer de realiteit van het falen en tekortschieten, er zijn de brokstukken en gebreken uit het verleden die we in het heden meedragen. Toch leidt dat voor de gelovige niet tot een gevoel van machteloosheid en zinloosheid. 'Onze naam is verbonden met de naam van Christus, de weg van Christus geldt als onze weg. Identiteit is: worden wie je in Christus bent. Het gaat om het waar en werkelijk worden van de nieuwe mens die we in het oordeel van God reeds zijn. Dat betekent een voortdurend appèl op verandering en vernieuwing. Kenmerkend voor de geloofsattitude is een toekomstgericht leven en dat is gefundeerd in Gods openbarend handelen in de opstanding van Jezus Christus. Simul iustus et peccator (tegelijk rechtvaardige en zondaar, J. H.) als geloofsidentiteit biedt dus enerzijds de ruimte voor boete en berouw, en anderzijds zet het aan tot vernieuwing, strijd en volharding.' (blz. 76).
Van boven en van buiten
Deze gedachten die Immink aan het begin van zijn boek schetsmatig heeft weergegeven, komen breder aan de orde in deel II van het boek, 'Theologie van de praxis'. Achtereenvolgens lezen we in de hoofdstukken 4 en 5 over 'de toerekening van het heil' en 'de inwoning van het heil'. In feite wordt hier de evenwichtige benadering van rechtvaardiging en heiliging (de 'duplex gratia', de tweezijdige genade van vergeving en vernieuwing, zoals door Calvijn en na hem in de gereformeerde theologie geleerd), vruchtbaar gemaakt voor de bezinning in het kader van de praktische theologie. De inzet bij de rechtvaardiging betekent meteen ook een krachtige onderstreping van het grondgegeven dat het heil van boven en van buiten af op ons toekomt. Zonder het heilrijke komen Gods tot de mens heeft geloof geen been om op te staan. Door dit komen van God ontmoet de mens een andere werkelijkheid en wordt zijn bestaan opengebroken. Het vrijsprekende oordeel van God, dat als pure verrassing de mens treft, wordt in geloof aanvaard en krijgt dan concreet gestalte in het hart en in het leven. De toerekening van de gerechtigheid van Christus doet de mens werkelijk tot nieuw leven komen, 'Niet in de vorm van een plensbui die het zaad op de akker wegspoelt, maar als een verkwikkende regen die het zaad doet ontkiemen en laat opgroeien. De mens wordt tot leven gewekt Er wordt ook gesnoeid en weggehakt, maar niet om het leven zeifin de kiem te smoren.' (blz. 89).
J. H. Gunning jr. en A. A. van Ruler komen in dit verband aan het woord, omdat deze beide theologen uitdrukkelijk ingaan op de verhouding tussen de Heilige Geest en het menselijk subject en bij beiden het begrip 'inwoning' een belangrijke rol speelt. Immink heeft bij alle waardering voor de eerste toch voorkeur voor de laatste, omdat bij Van Ruler de strijd vanwege de weerbarstigheid van het levep nieer nadruk krijgt en het leven door de Geest meer in zijn gebrokenheid en veelkleurigheid wordt getekend.
J. HOEK, VEENENDAAL
N.a.v. dr. F. G. Immink In God geloven. Een praktisch-theologische reconstructie. Uitg. Meinema, Zoetermeer; 290 blz.; 27, 50 euro.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's