De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

4 minuten leestijd

E. P. Meijering Als de uideg maar goed is. Hoe vroege christenen de bijbel gebruikten. Uitg. Meinema, Zoetermeer; 139 blz.; € 14, 90.

Dr. Meijering, tot 2001 lector aan de Leidse universiteit, heeft zieh intensief beziggehouden met de kerkvaders uit de Vroege kerk. Bij dat onderzoek betrok hij heel de geschiedenis van het christelijk dogma. Zo schreef hij een boeiende studie over de manier waarop Karl Barth omging met de kerkvaders (1993). Dat hij in staat is om ook op een aantrekkelijke en dus ook begrijpelijke manier te vertellen over de ontwikkelingen in de tweede helft van de vorige eeuw, bewees hij in zijn boek Vijftig jaar onder theologen, Hoe het veranderde en gelijk bleef (2002). Deze ondertitel lijkt op die van het boek dat nu voor ons ligt. Het laat zich typeren als een rondleiding op een tentoonstelling over bijbelgebruik en bijbelbeschouwing in het vroege christendom door een ervaren gids. Dus geen lange citaten of reeksen bewijsplaatsen maar wel een goede introductie voor wie zich verder in deze boeiende materie wil verdiepen. De eerste kerkvaders die besproken worden, zijn Irenaeus en Tertullinanus.

Irenaeus was aan het einde van de tweede eeuw bisschop in Lyon. Hij bestreed met de Bijbel in de hand het gnosticisme en de aanhang van Marcion. Kenmerkend voor beide stromingen is het dualisme. De schuld voor alle ellende in de wereld ligt bij God de Schepper, de God van het Oude Testament, een harde, wrede God. Hij kan niet de God en Vader zijn van onze Heere Jezus Christus. Die God is liefde. Daartegenover houdt Irenaeus vast aan de eenheid van schepping en verlossing maar ook aan de eenheid van het Oude en Nieuwe Testament. Met behulp van de typologische exegese laat hij zien dat de oudtestamentische eredienst wijst op Christus en het offer door Hem volbracht. Dat Mozes een Egyptische vrouw trouwt, is een voorafschaduwing van de kerk, die wilde tak, die volgens Paulus wordt geënt op de olijf Israël. De twee dochters van Lot vertegenwoordigen de oudere en de jongere synagoge. De oudere, dat zijn de joden, de jongere, dat zijn de christenen. Het merendeel van de parochianen was analfabeet. Dat betekende voor de praktijk van het kerkelijk leven dat de Schrift en de geloofsregel op één lijn stonden. De geloofsregel was namelijk uit het hoofd te leren en dat kon je met de Bijbel niet. Tertullianus is een jongere tijdgenoot van Irenaeus. Ook hij houdt in de strijd tegen het dualisme vast aan de eenheid van het Oude en Nieuwe Testament. Nieuw bij hem is dat hij de ketters het recht van het beroep op de Schrift ontzegt, omdat zij zich buiten de geloofsgemeenschap hebben gesteld en daarmee buiten de geloofstraditie. Wie dat doet, heeft geen recht van spreken meer. Nog weer een generatie verder ontmoeten we in het Oosten, eerst in het Egyptische Alexandrië en later in Caesarea, Origenes. Hij probeert de samenhang tussen de kerkelijke en wetenschappelijke exegese te handhaven met behulp van de allegorese. In aansluiting op de filosofie van Plato onderscheidt hij in de mens lichaam, ziel en geest. Ook de mensheid als geheel bestaat uit drie groepen, die respectievelijk worden aangestuurd door het vlees, de ziel en de geest. De eerste categorie verschilt niet van

de dieren, de tweede laat zich leiden door de rede en de derde door de Geest. Dit zijn ook de stadia die een mens doormaakt wanneer zijn ziel opstijgt tot God. Daarmee correspondeert dan de drievoudige Schriftzin, de letterlijke, figuurlijke en geestelijke betekenis van een bijbeltekst. Het Israël van het Oude Testament wordt dan de kerk. Het heilshistorische wordt vervangen door het tijdloze.

Een eeuw later bestrijdt Athanasius de Arianen. Ook hij beroept zich daarbij op het Oude Testament, bijvoorbeeld Spreuken 8. Hij gaat weer meer in het spoor van Irenaeus.

In de voorafgaande hoofdstukken worflt de manier van uideggen besproken zoals we die aantreffen in de Griekse filosofie bij Plato en het vroege jodendom bij Hillel.

Voor het Oude en Nieuwe Testament conformeert de schrijver zich aan de gangbare opvattingen van de kritisch ingestelde bijbelwetenschap.

Tot slot een opmerking en een vraag. Wat opvalt bij het gebruik van het Oude Testament in het vroege christendom, is het accent op de eenheid van schepping en verlossing. Dat is in onze tijd veel minder het geval. Werkt daarin de invloed door van de theologie van Karl Barth - met zijn afwijzing van de algemene openbaring - en de na Wereldoorlog II opgekomen belangstelling voor de wijze waarop rabbijnen uit vroeger en later tijd de Schriften lezen? En dan nog de vraag: waarom is geen aandacht besteed aan de Apostolische Vaders, bijvoorbeeld de Brief van Barnabas?

H. J. DE BIE, HUIZEN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's