De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geen roem voor de nieuwe mens

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geen roem voor de nieuwe mens

OVER GELOVEN IN GOD EN PRAKTISCHE THEOLOGIE [2]

9 minuten leestijd

Rechtvaardiging en wedergeboorte

Interessant is de passage die Immink wijdt aan 'een oud spanningsveld tussen enerzijds een geloofsverstaan vanuit de rechtvaardiging en anderzijds een geloofsverstaan vanuit de wedergeboorte en de bekering' (blz. 99). Wie sterk de nadruk legt op de wedergeboorte als een verandering in het innerlijk, waardoor er een nieuwe 'habitus' ontstaat, kan gauw vervallen tot een verzelfstandiging van de genade in de mens, zodat de genade een bezit van de wedergeboren mens lijkt te worden. De mens die 'genade kent', is dan ook de mens die het altijd heeft en ongemerkt zichzelf onder een geestelijke elite schaart, boven het onbekeerde volk verheven. Hiertegenover is het nodig met theologen als Kohlbrügge en Barth te blijven benadrukken dat de genade weliswaar werkzaam wordt in ons, maar dat Jezus Christus daarvan het subject is en blijft, en niet de bekeerde mens. 'In het geloof gaat het om een blijvende relatie, niet om een ingegoten substantie die zich verder autonoom ontwikkelt.' (blz. 101)

Toch kunnen we te veel in de kritiek blijven steken en dan van de weeromstuit in een andere eenzijdigheid vervallen. Dit gevaar ziet Immink zich heel duidelijk voordoen in de barthiaanse theologie. Er is immers niet alleen de externiteit (het van buiten af op ons toekomende), maar ook de intimiteit (het binnen in ons doorkomende) van het heil. Daarom is er in de praktisch-theologische bezinning alle ruimte voor de vraag hoe onze geestelijke vermogens functioneren in de geloofsovergave van de mens. Immink citeert hier Van Ruler: 'Dan springt de Geest over de muur van het hart en zet de mens zozeer aan om de poort van zijn hart te openen, dat - nieuwe sprong! - de mens zelf deze

poort opendoet.' Verder is de vraag hoe de gemeenschap met Christus beoefend wordt in de concrete levenspraxis. Op welke wijze krijgt het heil voorlopig en fragmentarisch gestalte in de levensgang van de mens? Valt de nadruk op boete en inkeer of op daadwerkelijke vernieuwing?

We zijn en blijven volstrekt afhankelijk van de liefdevolle en genadige goedgunstigheid van God jegens ons. Maar deze rechtvaardigende, vergevend genade ketst niet op ons af. Met Calvijn, maar ook met Jonathan Edwards betoogt Immink dat onze mentale gevoelens, kennis, gevoel en wil hierbij heel diep geraakt en betrokken worden. 'Het werk van de Geest is geen schampschot dat afketst, maar het klinkt als muziek in de oren en in ons binnenste raakt het een gevoelige snaar.' Door de krachtdadige en diepingrijpende 'input' van buiten af, dus van God uit, is er ook een lang naklinkende echo in ons binnenste, namelijk in de menselijke geest als woonstede van de Heilige Geest.

Het gaat nooit alleen maar om het eigen innerlijk. Er is meer dan mijn existentie en meer dan dit moment in de tijd. Gelovig ben ik betrokken op de historische heilsopenbaring die in Christus is geschied en op grond daarvan gericht op de toekomstige heerlijkheid die in Hem is gegarandeerd. Wel is er de wisselwerking en de verstrengeling tussen de binding aan Christus en de eigen levenservaringen. 'Van de levenservaringen pendelen we terug naar de openbaring in Christus en met de ontferming en genade van God komen we weer terug bij de zorgen en vreugden van alle dag... Zo doet de vreugde om het heil de melancholie niet zomaar verdwijnen. En de hoop van de opstanding doet wel de prikkel van de dood teniet, maar voorkomt niet het intense verdriet in een situatie van verlies.' In dit vernieuwingsproces is van triomfalisme geen sprake, maar wel van een nuchter besef dat de mens telkens van zijn kromme paden en eigenzinnige gedachten teruggeroepen moet worden. 'De vernieuwing lijkt meer op de indamming van het kwaad en de beteugeling van de begeerte, opdat het leven niet al te zeer ontaarde, dan op een roemrijke intocht van de nieuwe mens, die schoon schip maakt. De mens wordt eerder klein gehouden dan dat hij op de troon komt te zitten.' (blz. 114)

Klassiek-gereformeerd en puriteins-evangelisch

Er is wel enig verschil tussen de visie op vernieuwing bij een klassiek-gereformeerde benadering en bij een puriteins-evangelische invalshoek zoals we die bij Edwards aantreffen. Calvijn zegt dat de zonde wel ophoudt in ons te heersen, maar niet in ons te wonen. In de heiligen is altijd zonde, totdat zij het sterfelijke lichaam afleggen. Ook in de wederomgeboren mens 'blijft een voedingsbodem van kwaad, waaruit voortdurend begeerten spruiten, die hem verlokken en prikkelen tot zonde' (Institutie III, 3.11). In de puriteins-evangelische geloofstraditie staat de wedergeboorte toch meer in het teken van de wording van de nieuwe mens. 'De scheiding tussen oud en nieuw wordt radicaler en definitiever. De wedergeboorte wordt beleefd als een beslissende gebeurtenis in de tijd en de gelovige laat daarna het oude leven definitief achter zich.' (blz. 115). De mens krijgt een nieuw geestelijk centrum dat als een door de Geest geheiligde eenheid wordt gezien, die controle heeft over het leven en zich niet meer op sleeptouw laat nemen door kwade machten.

Op dit punt stelt Immink enkele voorzichtige kritische vragen aan de evangelisch beïnvloede traditie, maar dan wel vanuit de openheid om daarvan ook te leren tot verrijking van de klassiek-gereformeerde visie. Het tweede deel van zijn boek loopt uit op het volgende aansprekende appèl: 'Wellicht is het nodig dat we in onze samenleving wat meer deze houding uitstralen: in God geloven is geen vorm van escapisme, maar als heilsverwachting juist een bron van levensvernieuwing.' (blz. 118).

God ter sprake

Van de tweede helft van het boek geef ik een nóg beknopter weergave dan van de eerste helft. Immink is hier op bescheiden en toch besliste wijze in gesprek met vakgenoten en tekent helder de verschillende benaderingen in de praktische theologie. Brede aandacht wordt besteed aan de tussenmenselijke communicatie. Er is een vergelijking te trekken (dat wil zegen: er is een analogie, dus overeenkomst en verschil tegelijkertijd) tussen enerzijds de communicatie van mensen onderling en anderzijds de wijze waarop God met ons in contact treedt. Van doorslaggevende betekenis is dat wij inderdaad kunnen zeggen dat er een daadwerkelijke dialoog plaatsvindt tussen God en mens, er is een heenen-weer gaand verkeer waarin God tot ons en wij tot Hem spreken.

Eén van de meest centrale vragen in de praktische theologie is: hoe komt God ter sprake? Wat doen we als we de naam van God in de mond nemen? In het 'openbaringsmodel' wordt het zo voorgesteld dat God zelf subject is van spreken en handelen. Dat wil dus zeggen dat de Vader van Jezus Christus écht spreekt, en niet slechts bij wijze van spreken. Het opmerkelijke is nu dat God tot ons spreekt via het tussenmenselijke spreken. In de kerk spreken we niet alleen ouer God, maar ook namens God.

In hoofdstuk 7 wordt de positie van Schleiermacher getekend. Bij deze grote theoloog uit de 19e eeuw ligt het vertrekpunt in de menselijke geest, en vanuit die positie komt God dan ter sprake. Dat is een principieel andere positie dan die van de openbaringstheologie, die immers inzet bij het spreken van God zelf, vanuit Zijn zelfopenbaring.

We kunnen van Immink verwachten dat hij zich kritisch tegenover zo'n benadering opstelt en dat gebeurt dan ook inderdaad. Toch blijkt hij door Schleiermacher geboeid, omdat deze de waarde van de menselijke persoon in de praktijk van het geloofsleven zozeer weet te honoreren. Het mystieke en bevindelijke leven kan dan uitvoerig beschreven worden. Maar helaas, God zelf verdwijnt achter de horizon van het kenbare en het spreken over Hem gebeurt nog slechts op indirecte wijze. Alleen de menselijke ervaring van het goddelijke is voor ons kenvermogen bereikbaar. Hierdoor verliest de geloofsrelatie de concreetheid van de betrekking tussen een ik en een Gij. De bekende Nederlandse praktische theoloog Van der Ven staat in de traditie van Schleiermacher. Zijn positie wordt door Immink samengevat en van commentaar voorzien. Zelf zegt hij op blz. 165 dat hij 'enigszins afwijkt' van het model van Van der Ven. In werkelijkheid is hier mijns inziens sprake van een diepgaand verschil in benadering. Immink schat in deze vriendelijke formulering het onderscheid tussen zijn positie en die van Van der Ven niet juist in door de overeenstemming te veel te beklemtonen en de verschillen te bescheiden aan te duiden. Inhoudelijk geeft hij vervolgens wel zeer duidelijk de fundamentele verschillen aan. Het beslissende punt is dat in de praktische theologie gerekend moet worden met de werkelijkheid van het spreken van God. 'Tot het domein van de praktische theologie behoort de openbaring van God en van zijn heil, en de presentie daarvan in onze wereld.' (blz. 192)

Toch houdt Immink anderzijds zijn reserves tegenover de barthiaanse openbaringstheologie. Met veel instemming schrijft hij over Thurneysen. Wanneer we God ter sprake brengen, dan is dat een naspreken van het geopenbaarde Woord. Maar dat mag intussen niet verhinderen dat het geloof als gestalte in het menselijk leven de volle aandacht krijgt en dat er dan ook zicht is op de rol van het menselijk subject in de geloofscommünicatie. Vandaar dat toch ook Paul Tillich en het therapeutisch georiënteerde pastoraat een brede bespreking krijgen. Hier geldt echter weer als bezwaar dat er onvoldoende onderscheid wordt gemaakt tussen de geloofsbetrekking (de God-mens relatie) en de zelf-wereld betrekking, ofwel dat het psycho-sociale en het godsdienstige lijken samen te vallen. Het grote gevaar is dan dat we 'het godsdienstige oplossen in het menselijke, of, omgekeerd, het menselijke vergoddelijken.' (blz. 231)

Gods beloften

Inhoudsrijk en leerzaam is wat Immink schrijft over de geloofsomgang met Gods beloften en de blijvende spanning tussen belofte en vervulling. Juist omdat we leven in geloof, niet in aanschouwen, komt het zo aan op de betrouwbaarheid van de Naam, op de identiteit van de God aan wie wij ons toevertrouwen. Daarom ligt er in de Schrift zo'n grote nadruk op de openbaring van de ware identiteit van God.

Ik breek hier deze samenvattende weergave af. Belangrijke theologische discussies laat ik terzijde. Mijn grote waardering voor dit boek moge duidelijk zijn. Ik hoop dat in elk geval de predikanten het zullen lezen en ver-

werken. Daarbij mogen we bij onze dank aan het adres van de auteur de hoop uitspreken dat het hem gegeven mag worden om in een volgend boek de lijnen praktisch door te trekken naar homiletiek en pastoraat. Op blz. 266 lijkt hij al een voorzichtige belofte in die richting te doen!

J. HOEK, VEENENDAAL

N.a.v. dr. F.G. Immink In God geloven. Een praktischtheologische reconstructie. Uitg. Meinema, Zoetermeer; 290 blz.; € 27, 50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Geen roem voor de nieuwe mens

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's