De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

10 minuten leestijd

Anne van der Meiden Duurzaam geloven. Over volharding door vernieuwing. Uitg. Ten Have, Baarn; 168 blz.; € 15, 90.

De emeritus hoogleraar in de leer van de publicjeOtfBMh^a vrij^MÜ'voorganger in dit bdfflf ia over de wijz^vaarop meSIjjsoj^' ^ gens hem hun geloof in stand kunnen houden. En hoe het komt dat ze het verliezen en wat ze ervoor zouden moeten doen om het vast te houden en te vernieuwen. En dit laatste is dan kennelijk het sleutelwoord voor de volharding in het geloof. Ook blijkens de ondertitel.

Veel van wat er gezegd wordt over duurzaam geloven lijkt, volgens de communicatie-professor, op wat er aan de orde is in de discussies over duurzaam ondernemen en organiseren. Duurzaam geloven en duurzaam werken in de samenleving zouden immers behoren tot dezelfde familie van de spirituele dimensie van ons bestaan. Hij opent zijn boek met zestien stellingen over het failliet van theologie en kerk. Velen zouden in de kerk blijven 'hangen' zonder dat er sprake is van een inhoudelijke binding. Van der Meiden vraagt zich af waarom je op deze wijze duurzaam zou moeten blijven geloven. Eigenlijk behoort dit tot een verknipte vroomheid zonder enige toekomst, al blijft men wel in een tweeërlei toekomst 'geloven'. En daarom gaat de auteur op zoek naar nieuwe vormen van duurzaamheid. Want wie niet bereid is om zijn eigen geloven voortdurend te confronteren met afscheid nemen van geloofsinhouden die 'er niet meer toe doen' en niet bereid is zich noodzakelijke vernieuwingen toe te eigenen, zal duurzaamheid met conservatisme blijven verwarren.

In de dan voorgestelde metamorfose van het geloof en het geloven worden systematisch alle bijbelse woorden dienaangaande van hun gereformeerde vertolking en duiding ontdaan en gevuld met vrijzinnig gedachtegoed. Want later en achteraf kun je tot de ontdekking komen dat heel veel van wat je duurzaam achtte in wezen niets met je geloof te maken had, maar tot het domein van de cultuur behoorde, de traditie en de goede gewoonten. En die verandering in opstelling maakt het lezen van boeken van Kuitert en Manenschijn dan zo boeiend. In ieder geval lijkt de tijd van de gevechten in de kerk om leerstellige zaken grotendeels voorbij te zijn.

En dit is maar goed ook, volgens Van der Meiden. Een kerkvader als Augustinus met zijn boek De dono perseverantia en een reformator als Calvijn met zijn predestinatieleer in de lijn van Augustinus hebben alleen maar veel kwaad aangericht voor het juiste verstaan van de volharding in het geloof.

En ten onzent vormen de Dordtse Leerregels wel een exponent van dit kwaad. Het kwaad zou hem eigenlijk al zitten in het individualistisch denken over de volharding, want het gaat eigenlijk om een collectieve volharding als levenssap van gelovige mensen. Eigenlijk zouden we eikaars volharding moeten zijn.

Van der Meiden vindt dat het daarom toe moet naar een nieuwe Reformatie, wil er van kerk en geloven nog iets terecht komen in onze postmoderne tijd. Alleen opgeven en veranderen van oude geloofsinhouden zal dan leiden tot duurzaamheid. Pluriformiteit staat daarbij hoog in het vaandel. Zelfs zou de Bijbel een pluriforme exegese van betreffende kernwoorden toelaten. We mogen vandaag dan ook nieuwe waarheden ontdekken die niet meer passen bij de oude. Dat hoeft ook niet, als er maar respect is voor de verandering.

De auteur, die ooit aan de Theologische Hogeschool van de Chr. Ger. Kerken in Apeldoorn studeerde, maar deze opleiding niet afmaakte, vraagt zich af welke begripsvernauwing ons toch gedreven heeft onszelf in te sluiten en anderen uit te sluiten. Dit staat hem met name tegen in de traditionele leer van de volharding. En een andere ergernis is dat de belijdenisgeschriften zo op zeker spelen. Want wil je Gods uitverkiezing en de menselijke vrije wil beide volledig intact laten, dan manoeuvreer je jezelf in een onhoudbare positie. Het gaat Van der Meiden veeleer en veel meer om een geloven dat zichzelf een volharding schept. Aansluitend bij Schleiermacher zou volharding niets anders zijn dan een vrucht van religieus bewustzijn. Een duidelijk vrijzinnige denkweg! De auteur vindt dat de vrijzinnige vaderen niet voor niets wel eens vergeleken worden met de extreem-rechtse bevindelijke mensen; niets is zeker, ook de zekerheden van de dogma's niet, als er niet iets met mij gebeurt, als ik niet in existentiële nood terecht kom, als ik niet ervaar dat alles waar mag zijn, maar nog waar voor mij moet worden.

Ik vermoed dat dit laatste een zeer juiste constatering is. De onderhuidse verbinding van het orthodoxisme met de vrijzinnigheid is evident, aangezien de ervaring doorslaggevend is voor de openbaring en niet omgekeerd. De sprong van rechtzinnigheid naar vrijzinnigheid is dan in wezen niet groot meer. Getuige ook de levensgang van de schrijver zelf. Een van zich afschrijven van de daarbij behorende frustraties en een dienovereenkomstige verwerking zijn dan ook in deze studie duidelijk herkenbaar. De volharding zou zijn eigen inhoud zijn. Ten diepste geeft dit toch het Baron von Münchhausen-effect, waarbij iemand zich aan zijn eigen haren uit het moeras optrekt. Eigenlijk gaat het bij Anne van der Meiden niet om openbaring, maar om ervaring. En die ervaring zou dan een openbaring zijn.

C. A. VAN DER SLUIJS, ROTTERDAM

Dr. John van Eck Handelingen. De wereld in het geding. (Commentaar op het Nieuwe Testament, derde serie, afdeling Handelingen der apostelen.) Uitg. Kok, Kampen; 576 blz.; € 39, 90.

Het boek Handelingen tekent de weg van het evangelie na Jezus' verhoging en de uitstorting van de Heilige Geest van Jeruzalem naar Rome. Het laat zich lezen als een missionair geschrift en tegelijk als een bemoedigend evangelie. Geen wonder dat dit boek vaak aan de orde komt in de prediking. In de uitleg gaat men verschillende wegen. Nu eens wordt vooral de oudtestamentisch-joodse achtergrond belicht, dan weer wordt het boek geplaatst in het kader van de Hellenistisch-Romeinse geschiedschrijving en retorica. Dr. Van Eek, classicus en theoloog, gaat deze laatste weg. In de lijn van de i8e-eeuwse geleerde Wettstein leest hij Handelingen vooral tegen de achtergrond van de cultuur van die tijd. Juist de vergelijking met de antieke wereld laat het eigene van de prediking van Lukas aan het licht komen in de confrontatie met de wereld van het heidendom. Van Eek geeft er blijk van geleerd te hebben van kritische geleerden als Haenchen, Conzelmann en Dibelius, maar is tegelijk kritisch ten aanzien van hun vooronderstellingen. Eerbied voor de tekst van de Heilige Schrift, zoals we deze ontvangen hebben als historisch en betrouwbaar getuigenis, gaat gepaard met een onbevangen benadering van de vragen die het moderne onderzoek heeft opgeworpen.

De auteur beschouwt Lukas, de arts en metgezel van Paulus, als auteur en dateert - anders dan Van Bruggen - de geschriften van Lukas na 70. Voor de uideg betekent dit dat hij oneffenheden niet probeert glad te strijken. Zo wijst hij in zijn verklaring van Handelingen 5 : 37, de vermelding van Theudas, op het verschil tussen Lukas en Josefus en merkt hij op dat het niet aangaat het verschil in datering op te lossen door twee verschillende personen aan te nemen. De auteur rekent ermee dat Lukas bewust door het historisch kader heenbreekt en over de hoofden van Gamaliël en zijn hoorders heen in gesprek is met de Romeinen van zijn tijd. Het is tekenend voor de manier waarop Van Eek de eigen aard van de antieke geschiedschrijving honoreert. Het gaat niet om verzonnen redevoeringen, maar wel is het zo dat we niet te maken hebben met stenografische verslagen; de historische gegevens zijn door Lukas op een eigen wijze vormgegeven.

Ook voor Van Eek is 1: 8 een programwoord, maar anders dan vele anderen verbindt hij dit met Handelingen 9 : 15 en 16: het getuigenis voor Israël, de volken en de koningen.

De inhoud van deze goedgeschreven commentaar werpt juist door de gekozen opzet verrassend licht op vele perikopen. Ik wijs op de behandeling van de woorden over de Hemelvaart, de Areopagusrede, de ontmoeting op Malta, de confrontatie van het evangelie met de wereld van de Samaritanen, het apostelconvent enz. Dankbaar ben ik voor de wijze waarop Van Eek laat zien hoe Israël in Handelingen niet afgeschreven wordt!

Uiteraard blijft er verschil van mening mogelijk. Het gekozen uitgangspunt brengt een zekere eenzijdigheid met zich mee. Niet altijd zijn voor mijn gevoel de antieke parallellen even overtuigend. Zo vraag ik me af of in Handelingen 4 : 23-31 niet sterker gerekend moet worden met oudtestamentische gebedstaai (Jes. 37 : 14-20) ook inzake de structuur van het gebed van de gemeente. Graag had ik ook wat meer gehoord over de relatie tot de Schriftuideg van Qumran met betrekking tot de oudtestamentische citaten.

Ten aanzien van de weduwen in Handelingen 6 ben ik er nog steeds niet van overtuigd dat het gaat om weduwen als helpsters. De argumentatie van Van Eek vind ik hier weinig overtuigend. Ik heb me ook afgevraagd of de schrijver ten aanzien van Simon de tovenaar niet te positief oordeelt. Toegegeven: je moet voorzichtig zijn het latere ongunstige oordeel in te lezen in Handelingen 8. Maar kun je op grond van vers 24 echt spreken van een onmiddellijke inkeer? Een verzoek om de bedreiging af te wenden is nog geen schulderkenning. Bij Handelingen 26 : n wordt naar aanleiding van het woord 'lasteren' verwezen naar de Romeinse praktijk de christenen tot lasteren te bewegen. Ook hier zou Lukas het beeld van Paulus aanvullen met Romeinse trekken. Onmogelijk is dat niet, maar gelet op Handelingen 18 : 6 waar sprake is van laster van joodse kant, vallen de woorden ook goed te plaatsen in de activiteit van

Paulus, de vervolger van de gemeente. Ten aanzien van de perikoop over Filippus en de kamerling vraag ik me af, of we bij het woord 'eunuch' toch niet moeten denken aan een ontmande? Voor mijn besef wordt de betekenis bij Van Eek wat afgezwakt. Op de achtergrond staat hier mijns inziens Jesaja 56. Bij Hand. 8 : 4 mis ik de verbanden tussen verstrooien en de vloek van de ballingschap waar Van Unnik op gewezen heeft. Het verrassende is dan dat de vloek een zegen in zich bergt. Opvallend is dat de auteur met de vele opstellen van Van Unnik over Handelingen betrekkelijk weinig doet. Trouwens, de wijze waarop hij secundaire literatuur gebruikt, is toch nog al selectief. De auteur geeft in zijn Woord vooraf hier een verklaring voor. De plaats waar hij dit boek goeddeels geschreven heeft, lag ver van een bibliotheek. Vooral naslagwerken en klassieke teksten zijn door hem gebruikt. Nu is dat op zich te goed te verdedigen. De literatuur over Handelingen is oeverloos. Beperking is dus geboden. Maar het brengt wel een zekere eenzijdigheid met zich mee en ook een zekere onevenwichtigheid in het commentaar, nu eens zeer uitvoerig, dan weer uiterst beknopt. Je mist een verwijzing naar een aantal standaardwerken. Een heel positief punt is dat de schrijver een eigen vertaling geeft. Ook hiér blijft verschil van mening mogelijk. Moet men echt op grond van het ontbreken van het lidwoord de consequentie trekken om 'pneuma hagion' in die gevallen te vertalen door 'heilige bezieling'? Mijn vragen en opmerkingen doen overi-

gens niets af van mijn bewondering en waardering voor dit fraaie boek. Het schrijven van een commentaar is bepaald geen eenvoudige zaak. Dat Van Eek er in geslaagd is om binnen een redelijke tijd dit boek op tafel te leggen, is een felicitatie waard. De gekozen insteek geeft aan dit commentaar iets eigens. De beperking die de schrijver zich heeft opgelegd en de gekozen optiek, betekenen dat predikanten er goed aan doen dit commentaar te raadplegen naast bestaande commentaren (b.v. Roloff en Stahlin in de serie NTD). Het biedt voor de prediking vele impulsen en werpt in een aantal gevallen een verrassend licht op bekende teksten. Het hermeneutisch gezichtspunt is van waarde voor de doordenking van de missionaire benadering van mensen in de context van onze tijd. Daarom: van harte aanbevolen. De prijs is niet laag, maar gegeven het gebodene ook weer niet buitensporig hoog. Kok zorgde voor een fraaie vormgeving.

A. NOORDEGRAAF, EDE

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 2003

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 2003

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's