De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

5 minuten leestijd

In Het A'damboek (uitgave Toth, Bussum; zie Boekbespreking) vinden we de volgende afbeelding van een prentbriefkaart uit 1921, Hadjememaar, met beschrijving:

'In 1921 was er voor het eerst algemeen kiesrecht: de hele Amsterdamse bevolking boven de 23 jaar mocht naar de stembus. Sommige mensen vroegen zich echter af of "het volk" wel een goede keuze zou weten te maken en niet zomaar zou stemmen op iedereen die genoeg kabaal maakte. Als protest tegen de stemplicht richtte een groepje anarchisten de Rapaille Partij op. Volgens Het Leven van 22 maar 1921 ging het om "groepen Dadaïsten", vrije socialisten, schilders die zich "de anderen" noemen, bootwerkers, bolsjewistische autobestuurders en nog meer van dergelijke menschen met ultra-moderne levensopvattingen". Als lijsttrekker kozen zij de zwerver Cornelis de Gelder, beter bekend als Hadjememaar. Zijn verkiezingsprogramma bestond uit verlaging van de prijs van "jajem" (jenever) tot vijf cent per borrel, verlaging van de brood- en vetprijs en verwijdering van het urinoir op het Rembrandtplein. De Rapaille-Partij verspreidde flink wat propaganda, zoals deze briefkaart. Op 7 april 1921 werd Hadjememaar met 13.179 stemmen gekozen in de Amsterdamse gemeenteraad. Voordat hij daarin plaats kon nemen werd hij echter opgepakt wegens dronkenschap. Hadjememaar vertrok naar Veenhuizen voor een ontwenningskuur. Zijn plaatsvervanger in de gemeenteraad was de voormalige flessenspoeler Hubertus Zuurbier. In de twee jaar dat Zuurbier als raadslid actief is geweest, heeft hij bijzonder weinig van zich laten horen.'

In het hierboven besproken boek van prof. Van den Beukel verhaalt deze ook over de middag enkele jaren geleden waarop hij sprak voor de predikantencontio van de Gereformeerde Bond (p. 124v.). Hij weet zich daarbij zelfs nog de psalm te herinneren waarmee de betreffende bijeenkomst geopend werd: Psalm 89 : 1 ('op hele noten', voegt hij toe, maar daar zou zijn geheugen hem wel eens in de steek kunnen laten, want dat gebeurt bij mijn weten al jaren niet meer). Tevoren had Van den Beukel bedongen dat hij er niet aan mee zou werken wanneer in de discussie na afloop van zijn lezing 'de maat van mijn orthodoxie' opgenomen zou worden. Bij de tweede vraag dreigde dat echter z.i. al te gebeuren: of hij wel geloofde dat de aarde zesduizend jaar geleden in precies zes dagen geschapen was, want anders dwaalde hij… Wie schetste echter zijn verbazing toen de voorzitter van de vergadering, de toenmalige algemeen secretaris dr. ir. J. van der Graaf, niet hem het woord gaf, maar (zich ongetwijfeld bewust van de gemaakte afspraak) zélf de vraag ging beantwoorden… Van der Graaf begon 'uitvoerig en terzake de opvattingen van zijn bondsbroederte weerleggen, in dezelfde geest waarin ik dat zou hebben gedaan. Ik stond er knikkend bij'. Van der Graaf maakte daarbij duidelijk dat de zes dagen uit Genesis 1 niet dwingend als 'gewone' dagen van 24 uur opgevat moeten worden. 'De rest van de middag', zo vervolgt Van den Beukel dan, 'verliep in een broederlijke sfeer, waarin we elkaar, ondanks beduidende verschillen, als christenen herkenden en respecteerden. Dat werd nog eens bevestigd doordat na afloop iemand tegen me zei: 'Wij zien heus wel dat u theologisch dichter bij Kuitert staat dan bij ons, maar er is één groot verschil: u veracht ons niet.' Ik bedankte hem voor het compliment…'


Eén bladzijde verderop treffen we overigens een merkwaardiger anekdote aan. Die gaat als volgt:

'Onlangs kwamen twee jongemannen, leerlingen van een school op reformatorische grondslag, mij interviewen voor hun schoolkrant. Eerst liep alles heel aardig, maar later kwamen er nogal wat vragen van het type "Denkt u ook niet dat de bijbel ons leert dat de aarde zesduizend jaar oud is?" enzovoort. Ik vroeg of ze dat zelfbedacht hadden. Met een blosje biechten ze op dat ze een lijstje van dit soort vragen hadden meegekregen van hun godsdienstleraar, een dominee, "om te testen of hij wel bjjbelgetrouw is" zoals dominee het had uitgedrukt. "Ik weet wel zeker dat jullie dominee dat zelf ook niet is," vertelde ik de verbaasde knapen. "Hoezo, kent u hem dan?" vroegen ze. "Nee," zei ik, "maar als hij 's zondags in de kerk met zijn preek begint, wat zegt hij dan? Hoe spreekt hij de gemeente aan?" Na enig nadenken produceerden ze het juiste antwoord: "Met '"broeders en zusters'". "Juist", zei ik, "heel goed. Maar bijbelgetrouw is het niet. Want hoe spreekt de apostel Paulus (…) de gemeente altijd aan? Dat weet je niet? Foei! Ik zal het je zeggen. Met '"broeders"' voor en '"broeders"' na, maar niet met '"broeder en zusters'". De apostel ziet de zusters helemaal niet staan, in tegenstelling tot jullie dominee. Waarschuw hem maar dat dit de eerste stap op het hellend vlak is…'

Nog afgezien van de vraag, of Paulus met het Griekse woord adelfoi niet (zoals nogal wat uitleggers menen) zowel broeders als zusters bedoelde, lijkt mij dat deze anekdote zó haast niet waar kan zijn. Leerlingen van reformatorische scholen behoren immers doorgaans tot gemeenten die door hun predikanten juist bewust niet aangesproken worden met 'broeders en zusters'. De enige aanspraak die er gebezigd wordt, is het eenvoudige 'gemeente'. De beide 'knapen' die bij Van den Beukel op bezoek waren, moeten dan ook echt een grote uitzondering gevormd hebben wanneer dat in hun geval anders lag. Waarschijnlijker lijkt mij, dat zij niet tot een reformatorische maar tot een vrijgemaakt-gereformeerde school behoord hebben. In elk geval lijkt Van den Beukels kennis van de orthodoxie zich niet tot de finesses uit te strekken, en keert het verwijt van onwetendheid dat hij de jongens maakt dus op zijn eigen hoofd terug…
GVDB

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 2003

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 2003

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's