De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Mijn hart de Heere ten offer

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Mijn hart de Heere ten offer

DE ROEPING TOT DE DIENST IN DE WIJNGAARD [I]

10 minuten leestijd

Introductie

In juli 1536, juist rond zijn 27e verjaardag, doet Calvijn Genève aan. De viering van zijn geboortedag zal er wel bij ingeschoten zijn. Op zijn vlucht voor de Inquisitie in zijn vaderland zoekt hij tijdelijk asiel in het hervormingsgezinde Genève. Hij is op doorreis, vast van plan om naar Straatsburg te gaan en daar zijn studie voort te zetten.

Theologie is zijn lust en zijn leven, vooral na zijn plotselinge bekering van enkele jaren geleden. Het was een conversio ad docilitatem. Docilitas betekent leergierigheid, maar heeft tevens de gevoelswaarde van onderhorigheid.

De bekeerling zou de strekking daarvan aan den lijve ondervinden! Zodra Guillaume Farel, een van de Geneefse predikanten, ter ore komt dat Jean Cauvin, alias Johannes Calvinus, in de stad gearriveerd is, zoekt hij hem op in diens logement. 'Jou hebben we hier nodig!' Calvijn protesteert en hij worstelt hevig om aan de klem te ontkomen. Hij heeft dringend behoefte aan rust om te kunnen studeren. Maar het duurt niet lang of de vurige Farel springt op en hij grijpt hem bij de schouders: 'Ben jij bezorgd voor je rust? Dan verklaar ik in de naam van de Almachtige datje studie een voorwendsel is. Als je weigert, je met ons aan de zaak van God te wijden, zal Zijn vervloeking je treffen. Wantje zoekt niet Christus, maar jezelf'. Calvijn heeft geen keus. Er wordt voor hem gekozen. Van hoger hand. Zelf bericht hij er later over: 'Alsof God uit de hemel met geweld Zijn hand op mij legde'. Zo riep God hem in Zijn wijngaard.

Maar wat voor wijngaard! De post is zwaar, de tegenstand fel. Calvijns roepingsbesef wordt geducht op proef gesteld. Vooral als de Raad van Genève hem in 1538 uit de stad verbant. In Straatsburg vindt de hervormer een gastvrij onthaal. Hier kan hij zijn roeping 'uitleven'. Maar wat gebeurt? Na enkele jaren keert in Genève het getij en dringt men op Calvijns terugkeer aan. Zijn eerste reactie is: 'Liever op staande voet sterven dan voortdurend op die pijnbank (van Genève) te worden gemarteld!' Maar al gauw wordt de roep hem te sterk en moet hij opnieuw capituleren. Aan Farel schrijft hij de inmiddels gevleugelde woorden: 'Ik breng mijn hart aan de Heere ten offer'.

Gods weg doorkruiste bij Calvijn de zijne. Gods belang brak zijn eigen belang. Wat het zwaarste was, moest het zwaarste wegen: Gods roeping. Die heeft altijd de voorrang. Gewoon omdat God niet de tweede of de zoveelste op de ranglijst kan zijn, maar de eerste is.

Thema

Ons thema is de roeping. Wie daarover de handboeken raadpleegt, treft uitvoerige informatie aan over het nieuwtestamentische 'klèsis' (zonder meer een sleutelbegrip als terminus technicus voor de overdracht en ontvangst van het Evangelie), alsook over de roeping als moment in de orde des heils. Van veel geringer omvang en strekking zijn echter de gegevens over de roeping die in deze bijdrage aan de orde is. Waar het ons immers om gaat, is de roeping tot een specifieke opdracht in Gods kerk. Dat betekent dus een versmalling van het brede begrip vocatio. En zelfs bij deze versmalling zullen we nog aan aspecten voorbijgaan die er toch nauw mee verbonden zijn. Ik bedoel de formeel-kerkelijke kant van de roeping, zoals colloquium, beroepsbrief en bevestiging. Anderzijds wil ik juist enige verbreding aanbrengen. Al zal mijn verhaal met name de roeping tot het predikambt betreffen, gaat het me toch om meer dan dat. Niet ieder van jullie ambieert immers het domineeschap. Daarom kies ik - overigens op jullie eigen verzoek - een breder perspectief, en wel de roeping tot dienst in Gods wijngaard. Die dienst zal dikwijls ambtelijk zijn, maar niet altijd. Ook buiten het ambt kan men zich van Godswege geroepen weten tot arbeid in Zijn koninkrijk.

Ik werk het thema voornamelijk uit aan de hand van de vragen die jullie zelf hebben aangereikt. Op die manier hoop ik jullie zo goed mogelijk van dienst te zijn. Een negental aspecten breng ik ter sprake.

Roeping

Wat betekent de term 'roeping' eigenlijk? Minstens twee dingen. De eerste betekenis wijst op de activiteit van Gods roepen. Roeping is meer werkwoord dan zelfstandig naamwoord. In de roeping komt God aan het woord. Hijzelf is er het subject van. Die roeping geschiedt wanneer Hij Zijn Woord aan ons adresseert. Daarvan is Hij de auteur.

Zijn roepstem gaat aan al het onze vooraf. Het is een gebeuren dat om te beginnen absoluut op eenrichtingsverkeer berust. Vergeleken met dit wonder van Zijn roep mag onze inbreng nauwelijks een naam hebben. Hij roept, ik ontvang. Hij spreekt, ik luister, overrompeld door Zijn sprake. Daarbij ben ik op geen manier productief, maar louter receptief. In deze roeping is er maar Een creatief: de Roepende.

Deze overweging zet ons op de plaats en in het juiste gelid. Want als de zaak er zo bijstaat, kan Gods roeping nooit mijn 'bezit' worden, nooit iets waarover ik beschik. Als Gods roeping niets minder behelst dan het geheim van Zijn genadige lokroep aan mij gericht, dan kan ik die even weinig claimen als dat ik het zonlicht in mijn jaszak kan stoppen of de buitenlucht in mijn handpalm kan bergen. Op Gods roepstem kan een mens zich, vooral onder aanvechting en aantijging, wel beroepen, maar men kan zich er nooit

Op 19 december jl. vond in Nijkerk de jaarlijkse ontmoetingsdag van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond met studenten in de theologie plaats. Prof. dr. A. de Reuver hield daar een lezing over de roeping tot dienst in de wijngaard. Zijn bijdrage plaatsen we in drie afleveringen.

Red. de Waarheidsvriend

in beroemen. Juist het gegeven dat God het subject en de auteur van de roeping is, sluit alle aanmatiging uit. Ik wil maar zeggen - en ik zeg het met nadruk - dat de roeping niet de onze is, en ook nooit wordt, maar de Zijne blijft, levenslang.

Nu de tweede betekenis. Die lokroep en oproep van Boven vragen om onze respons vanbinnen. Om het met een eenvoudig beeld te verduidelijken: Gods geadresseerde en aangetekende brief wil niet ongeopend teruggestuurd worden, maar wil biddend gelezen zijn en biddend beantwoord worden. Niet met 'ja maar' of'ja misschien', maar met 'ja en amen'. Het is in dit amen van het geloof dat wij de roep van de Heere aanvaarden. Schuchter wellicht, maar met de overgave van het hart.

Is deze geloofsrespons nu een prestatie, en toch nog iets van eigen fabrikaat? Naar mijn ervaring en overtuiging niet. Ze is vrucht van Gods overmachtige roepstem en vormt geen eigen zelfstandige inbreng. Onontbeerlijk, maar louter als gevolg, en nooit als grond. Gods roepwoord wordt niet gedragen door ons jawoord, maar het is andersom: ons jawoord wordt door Zijn oproep gedragen. Hij wordt mij te sterk, ik word overreed. Ik deed er niets aan. En ik kan er ook niets aan doen dat Zijn roep resoneert in mijn hart en de respons van mijn instemming uidokt. Heel mijn 'bijdrage' bestaat uit bijval. Mijn ja is weerklank, echo. Niet automatisch, zoals de nagalm in een kathedraal, maar persoonlijk, zoals een mens in wederliefde God bemint, omdat Hij hem eerst heeft liefgehad.

Op deze manier krijgt de tweede betekenis van het begrip roeping de zin van roepingsbesef Roepingsbesefis de overtuiging, geroepen te zijn. Jawel, maar ik ben geneigd een kleine wijziging aan te brengen: het is het besef geroepen te urorden. Hiermee wil ik niet ontkennen dat een geroepene weet mag hebben van een moment in het verleden dat Gods roep hem te sterk werd, maar wil ik articuleren dat roepingsbesef meer een dynamische akte is dan een statische habitus. Zoals de eerste betekenis van 'roeping' geen gekoesterd bezit wil worden, maar een permanente horigheid aan de roepende God veronderstelt, zo ook is het roepings besef geen eigenschap die ons zelfbewust maakt, maar een houding van diepe en blijvende afhankelijkheid.

In dit besef hangen we niet aan onze roeping, maar aan de mond van God Die ons roept. Een geroepen mens hangt aan Gods lippen. Wie weet van ' Gods roeping, die leeft van Zijn stem. Gewichtiger dan de vraag of je een roeping 'hebt', is daarom de vraag of de Roepende jou heeft!

In- en uitwendige roeping

De tweede kwestie die ik wil aansnijden, is of er een onderscheid bestaat tussen inwendige en uitwendige roeping.

Dit is zeker het geval als ermee bedoeld wordt dat de externe roepstem van God haar interne respons wil ontvangen in het hart. Het is het geheim van de Heilige Geest dat Hij als de 'inwendige Leermeester' (Magister interior) het Woord dat onze oren bereikt, laat post vatten in het geweten. Extern en intern zijn te onderscheiden. Maar niet te scheiden. Woord en Geest vormen een twee-eenheid. Wie God innerlijk roept door Zijn Geest, die roept Hij uiterlijk door Zijn Woord (Calvijns befaamde bifariam). Concreet betekent dit dat Gods innerlijke roep ons bereikt via het gehoorde en het gelezen Woord. Laat ik het uit mijn eigen leven mogen illustreren.

Al vroeg wilde ik dominee worden. Dat was middellijk het gevolg van mijn opvoeding. Mijn ouders waren streng, maar van een strengheid die werd gemotiveerd en overstraald door de liefde tot God en Zijn dienst. Die liefde sloeg aan.

Een aantal jaren smeulde m'n verlangen en werd het bijna gedoofd door heel andere ambities. Maar toen het vuurtje weer ging branden, waren het opnieuw 'uiterlijke' factoren die de vlam aanbliezen. Preken die ik vernam, pastorale geschriften die ik las, gebeden om arbeiders in de wijngaard die ik hoorde. Ze werkten als brandstof op het smeulende vuur. Maar bovenal was het de persoonlijke omgang met de Schrift die de doorslag gaf. Wat is daarin uiterlijk, en wat innerlijk? Door genade voltrekt zich het wonder dat bijbelwoorden van 'buiten' blijven haken als een roepstem in je binnenste. En door diezelfde genade geeft een mens zich er innerlijk aan gewonnen.

Waarom?

De waaromvraag heb ik toegevoegd. Ze lijkt me van belang. Waarom roept God mensen tot een bijzondere dienst? Daar schuilt Zijn vrijmacht achter. Deze soevereiniteit moetje maar nooit verwarren met de willekeur van een despoot, die ofwel zelfgenoegzaam en solitair te werk gaat, ofwel anderen met commando's onder druk zet. De vrijmacht van de Roepende is veeleer het welbehagen van een Vader Die Zijn kinderen nodigt en roept. Heeft Hij hen dan nodig? Krachtens Zijn almacht niet. Alle dingen heeft Hij in Zijn hand. Zonder enige menselijke medewerking gaat elke ochtend de zon op en treden elke nacht de myriaden sterren aan, op Gods bevel. Zo zou Hij, door Zijn Geest, ook het licht van de genade in mensenlevens kunnen ontsteken, zonder enige menselijke bemiddeling.

Maar Zijn welbehagen is kennelijk anders. Door een bijzondere genade wil de Heilige Geest zich van menselijk instrumentarium bedienen. Deze instrumentele aard van onze dienst in de wijngaard is van fundamentele betekenis voor ons roepingsbesef. Ik mag instrument zijn, geroepen en reagerend instrument, onder de adem van de verkiezende God. Een breekbaar aarden vat, maar met een onbetaalbare schat: het heilig en heilrijk Evangelie. Dat God toch in zo'n lemen vat geen onbehagen heeft! Maar nee, het is Zijn welbehagen om het in dienst te nemen.

Wat breekbaar is, vindt Hij juist bruikbaar. Opdat de uitnemendheid der kracht de Zijne zou zijn en niet de onze. Saulus is er het toonbeeld van: slechts een vat, maar wél een uitverkoren vat. Dit besef houdt de geroepene te nederig om op eigen waardigheid prat te gaan, maar meteen te begenadigd om Gods opdracht te verkwanselen.

A. DE REUVER

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 2003

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Mijn hart de Heere ten offer

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 2003

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's