De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bereid tot zelfverloochening

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bereid tot zelfverloochening

DE ROEPING TOT DIENST IN GODS WIJNGAARD [SLOT]

7 minuten leestijd

Reactie op de roep

Hoe moet je Gods roepstem nu beantwoorden? Dat kan naar mijn gevoel alleen in onopgesmukte ootmoed. Wie wil leren dienen, moet eerst leren bescheiden over zichzelf te denken (Bonhoeffer). Staat dat niet in spanning met het zich bewust zijn van zijn gaven? Nee, want de gaven zijn gaven! We leven louter van het gegeef. Zonder de gevende en vergevende God stellen we in Zijn koninkrijk nul komma nul voor en hebben we niemendal te bieden, armoedzaaiers als we zijn. Dit besef, te leven van genade, brengt ons in de positie van de nederige. En uitgerekend daar, in het dal, wil God ons ontmoeten. 'Geloof niet - verzekert Thomas a Kempis - dat je één stap ver gekomen bent in de heiliging, indien je het niet diep gevoelt dat je geringer bent dan alle anderen'. Wat Thomas hier schrijft, geldt evenzeer voor de roeping. De reactie op Gods roepstem kan alleen dan zuiver zijn, als ze opkomt uit de verbaasde vraag: 'Wie ben ik? ' En dan niet als een vroom klinkende cliché, maar als een oprecht gemeende bekentenis voor Gods alziend oog. Het is een deemoed die niet uit sentiment bestaat, maar die in het volle leven handen en voeten krijgt. Dan zijn we niet te goed voor de geringste dienst.

Gods roep gehoor geven sluit onmiddellijk zelfverloochening in. Wat Bonhoeffer ooit schreef, moeten we maar in de oren knopen: 'God zal onze plannen en wegen steeds weer, elke dag zelfs, doorkruisen, door mensen met hun eisen en vragen op onze weg te plaatsen. Dan kunnen wij langs hen heen gaan, druk bezet met de belangrijke dingen die wij die dag op ons program hebben, zoals de priester voorbijging aan de man die in de handen van rovers gevallen was, misschien wel lezend in de bijbel. Maar dan gaan we voorbij aan het in ons leven zichtbaar opgerichte teken van het kruis, dat ons wil laten zien dat niet onze weg, maar Gods weg van belang is. Het is eigenaardig - zo voegt Bonhoeffer hieraan toe - dat juist christenen en theologen hun werk dikwijls zo belangrijk en urgent vinden dat zij zich daarbij door niets willen laten storen. Ze menen God een dienst te bewijzen, en minachten de 'kromme en toch rechte weg' van God. In de school van de deemoed leren wij echter onze hand niet te sparen als die een dienst kan verrichten, en ook dat wij zelf geen regisseur moeten spelen over onze tijd, maar die door God moeten laten vullen'. Bonhoeffer sluit de passage af met een klemmende conclusie: 'Alleen waar de handen zich niet te goed achten voor de daad van liefde en barmhartigheid in de dagelijkse bereidheid tot hulp, kan de mond het Woord van Gods liefde en barmhartigheid blijmoedig en geloofwaardig verkondigen'. De biddende bereidheid tot deze zelfverloochening is essentieel voor onze respons op Gods roeping.

Geen kwaliteiten?

Wat te doen als je je geroepen weet, maar de kwaliteiten mist? Punt één: het signaleren van eigen kwaliteiten is geen vanzelfsprekendheid. Het is een veeg teken als we vreemd zijn aan de vraag: 'Wie is tot deze dingen bekwaam? ' Het zicht op je bekwaamheid verkrijg je gewoonlijk niet dan via fasen van twijfel en verlegenheid. Voor zicht moetje licht hebben en dit licht ontsteek je niet zelf. Het wórdt ontstoken. Dat kan je overkomen tijdens particuliere meditatie, maar ook in samenspraak met oordeelkundige geloofsgenoten. Ik zal nooit vergeten wat ds. Exalto eens tegen me zei, toen ik hem toevertrouwde niet opgewassen te zijn tegen een bepaalde taak, omdat ik de nodige kwaliteiten bij mezelf niet bespeurde. Zijn reactie was: 'Dat kan jij zelf niet beoordelen. Laat anderen je dat vertellen'. Wie zo'n toets aandurft, maakt zich natuurlijk wel kwetsbaar. Je geeft je zelfbeoordeling uit handen en laat je door de ander testen. Hoe dat uitvalt, moetje open laten.

Dit brengt ons bij punt twee. God kan me, vaak mede door bemiddeling van broederlijk vermaan, een weg wijzen die een andere is dan die ik dacht en verlangde. Het hoge woord moet eruit. Als via eerlijk zelfonderzoek, oprecht gebed en wijze beraadslaging blijkt dat ik de kwaliteiten mis om het begeerde doel te verwezenlijken, dan moet ik de moed hebben een andere weg in te slaan. Dat ik dit zo meen te moeten stellen, vindt zijn grond in een overtuiging. Ik geloof namelijk vast dat roeping en kwaliteiten onlosmakelijk samenhangen en samengaan. God doet geen half werk. Hij roept, maar geeft ook wat nodig is om die roeping te vervullen, door welke beproevingen het ook heen gaat.

Geen roeping?

Ook de omgekeerde kwestie kan in het geding zijn: wat te doen als je de wil én de vereiste bagage hebt, maar geen zicht hebt op je roeping? Deze vraag laat zich op soortgelijke manier bena-

deren als de vorige. Om te beginnen vormt de combinatie van begeerte en bekwaamheid nu precies een hoofdmoment van de roeping. Althans, zo ligt het volgens de reformatoren en ook volgens A Brakel. De conclusie ligt dus voor de hand: God roept ons doordat Hij ons de begeerte en de gaven verleent. Toch zou ik er niet voor willen pleiten, al te rechtlijnig tot geroepenheid te concluderen. Gods roep wordt ontvangen en beantwoord in geloof, en niet per conclusie. Daarom lijkt het mij gepaster, ook déze verlegenheid aan de Heere voor te leggen, en er eventueel met een broederlijke vertrouweling over te spreken.

Wat mezelf aangaat, heb ik altijd gezocht naar persoonlijk houvast in de Schrift. De sluitrede is mij in dit verband te verstandelijk. Stellig vormen de kwaliteiten een indicatie van Gods roeping. Maar het zouden geen indicaties, dus verwijzingen zijn, als ze niet verwézen. Ze verwijzen naar de roepende God zelf. Vrijmoedigheid tot dienst in de wijngaard ontvang je bui- ' gend voor God, gebogen over Zijn Woord. Alleen Hij kan mij duidelijk maken of de mij geschonken gaven op roeping duiden. Het verkrijgen van deze verheldering en zekerheid vereist een zoektocht, een hongertocht door de Schrift, in de behoeftige gestalte van de bedelaar: Veni Creator Spiritus! Zulke gebeden zijn niet aan dovemansoren gericht. Het behoort tot de rijkdom van Gods Woord dat het niet alleen de juiste vragen leert stellen, maar dat het ook het antwoord op die vragen in zich bergt. Wie dat antwoord in verwonderd geloof ontdekt en ontvangt, die mag als geroepene op weg gaan. Waarheen? Naar de plek waar God de weg toe effent.

Besluit

Op enkele resterende vragen kan ik nu niet voldoende meer ingaan. Graag was ik wat uitvoeriger geweest over de soms langdurige wachtenstijd tussen de afronding van de studie en het ontvangen van een beroep. Ik moet volstaanmet drie korte opmerkingen. Allereerst met de nuchtere constatering dat een overvloed van kandidaten onvermijdelijk 'ruimtegebrek' ten gevolge heeft. In de tweede plaats dat het uitblijven van een beroep een aanwijzing kan zijn dat de Wijngaardenier een andere bestemming dan het reguliere predikantschap gereed houdt. De zendingsvelden bijvoorbeeld zijn wit om te oogsten! In de derde plaats merk ik op dat 'wachten' meestal een zware beproeving uitmaakt, maar dat het de heilzame bedoeling heeft het geloof in de roepende God te louteren. De loutering van dit wachten betekent niets minder dan de oefening om het louter van Hem te verwachten.

Hiermee is meteen het rechtgeaarde roepingsbesef gekarakteriseerd. We betreden de wijngaard niet omdat we het dienstwerk wel aankunnen - wie zou bij uitstek in deze tijd van kerkverlating en ontkerstening zo vermetel durven zijn? - maar omdat we de roepstem niet kunnen weerstaan. En Hij Die roept is getrouw, Die het ook doen zal. Op Hem is onze hoop gevestigd. Omdat de Roepende alles kan behalve liegen (Titus 1:2).

A. DE REUVER

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Bereid tot zelfverloochening

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's