Peiling van wat er leeft
VERLEDEN, HEDEN EN TOEKOMST VAN DE GEREFORMEERDE THEOLOGIE [2L
Leven met en voor God
Het hart - en wat er van uitgaat- krijgt in dit boek ook aandacht in twee hoofdstukken. Het eerste handelt over 'Gereformeerde spiritualiteit', van de hand van drs. R. H. Kieskamp. Kunnen we in het licht van een 'oecumene van het hart' een gereformeerde geloofsbeleving misschien wat updaten en verruimen? Voordat we besluiten het net over een andere kant uit te werpen, wordt in deze bundel - in de kortste, maar niet de minste bijdragede gereformeerde vroomheid voor het voetlicht gehaald.
Mocht de gedachte leven dat gereformeerde vroomheid een eigen type vroomheid is, naast andere historisch bepaalde gestalten, dan onderstreept drs. Kieskamp met goed recht dat de beslissende vraag is in hoeverre vroomheid bijbels genoemd mag worden. Dat zet de dingen meteen op scherp, want het is een belangrijk element in de discussie met evangelische vroomheid of die laatste niet veel directer is, zonder de 'ballast' van belijdenissen, zonder de stolling en verkorsting van een traditie. Drs. Kieskamp neemt die handschoen op, en loopt het spreken van de gereformeerde belijdenis langs, om het bijbels gehalte ervan te beproeven. Hij doet dat niet maar door teksten op een rij te zetten, hij peilt echt wat in die teksten aan de orde is.
Gereformeerde spiritualiteit staat of valt met het leven uit het geloof. Zonder dat is de mens 'zielig', dat is: alleen maar 'levende ziel', levend uit deze wereld, en niet uit de Heilige Geest. Waar de Heilige Geest werkt, gaan we vruchten zien die niet uit eigen kweek zijn (306). Ook al maakt de Heilige Geest woning in onze harten, toch blijft de zekerheid buiten ons liggen - het 'binnen' van de inwoning van de Heilige Geest is niets anders dan de vaste betrokkenheid op het 'buiten' van Christus. De door de Geest vernieuwde mens blijft zijn geheim vinden in de gemeenschap met Christus, kan zonder Hem niets doen en is zelfs geen realiteit buiten dat geheim om.
Belevingscultuur
Op de eerste bladzijde van zijn bijdrage stelt Kieskamp dat bijbels-gereformeerde vroomheid van levensbelang is voor een cultuur. Waar het eertijds gekerstende Europa thans een gapende geestelijke leegte laat zien, weten we vanuit het Evangelie dat die leegte een uitnodiging vormt voor de macht van de duisternis om opnieuw binnen te trekken en bezit te nemen van de harten en levens van de mensen. Meteen al op de eerste bladzijde van zijn bijdrage valt te lezen dat de naam Auschwitz ons confronteert met de vraag of de bijbelse vroomheid ooit werkelijk wortel geschoten heeft op ons continent. Dat is inderdaad de achtergrond waartegen we ons vandaag hebben te bezinnen.
Op de blz. 304 en 332 wordt het geheim van Gods openbaring sterk afgegrensd tegen menselijke ervaring, en zelfs van de belijdenis wordt het menselijke karakter geminimaliseerd. Hier kan men vragen of er niet een tegenstelling wordt geconstrueerd, die geen recht doet aan de wijze waarop de Schrift ons gegeven is. Is niet het "inderdaad unieke- van Gods openbaring geheel en al betrokken op en verweven met menselijke ervaring?
Ik denk in dit verband ook aan de vraag van de auteur of we de term 'bevinding' niet zouden moeten herzien. De zaak zelf is belangrijk genoeg, maar het woord wordt niet meer verstaan buiten de kring van de gebruikers, en daar dient het nogal eens - signaleert de schrijver- ter verhoging van de eigen status. Kieskamp spreekt zelf over 'Woordervaring', en Van der Sluijs introduceert in zijn bijdrage de term 'Schriftondervindelijk', waarmee hij wil aangeven dat het eigene van gereformeerde 'bevinding' nu juist in de betrokkenheid op de Schrift ligt. Bij Calvijn hield het dat ook vooral in: we ondervinden in de praktijk van het leven dat het Woord betrouwbaar is. Kieskamp houdt hier naar mijn gedachte evenwel te vroeg op. Hij heeft helemaal gelijk dat de term 'bevinding' groepsjargon is geworden, maar
waarom trekt hij niet de lijnen door naar onze 'belevingscultuur', waarin het vage besef leeft dat we misschien de wereld gewonnen hebben, maar schade geleden aan onze ziel? Moeten we er als gereformeerden niet bij zijn om wat we in onze traditie aan bijbels geloofsgoed hebben ontvangen in relatie te brengen met de vragen van deze tijd? Is de 'bevinding' misschien versmald geraakt, waardoor ze haar kracht heeft verloren? Werpen de vragen van deze tijd ons niet terug op wat we zelf verwaarloosd hebben? Is dit echt alles: de menselijke ervaring kan slechts dienst doen als 'een aangrijpingspunt voor de Heilige Geest'? Als Kieskamp naar Miskottes spreken over bevinding had geluisterd en zijn intenties gepeild, zoals door Van der Sluijs bepleit, zou hij wellicht verder gekomen zijn op dit punt.
Kortom: moet de gereformeerde spiritualiteit niet meer worden ingetekend in het veld van vandaag?
Verborgen in God
Het gaat hier niet enkel om een binnenkant. Vroomheid kan niet zonder een leven in gehoorzaamheid, en het is in overeenstemming met die oergereformeerde eenheid dat de volgende bijdrage - van de hand van drs. J. J. Tigchelaar- aan ethiek is gewijd. In deze bijdrage komt de belevingscultuur wel in beeld, als hij achtereenvolgens het 'elfde, twaalfde en dertiende gebod' -nieuwe geboden vanuit het levensgevoel van onze hedonistische cultuur- de revue laat passeren. Het gaat om 'gij zult genieten', 'gij zult gezond zijn' en 'gij zult authentiek zijn'. Het is een leven uit een andere bron dan die van het Evangelie van Jezus Christus.
Op blz. 404 staat een prachtig citaat van Luther dat een christen slechts eigen zonde en ongerechtigheid ziet, maar niet zijn eigen heiligheid en gerechtigheid. Het christenleven is - zie Kol. 3, iw- met Christus verborgen in God. Die verborgenheid van het nieuwe leven onder de eigen ongerechtigheid geeft ds. Tigchelaar moeite met het verstaan van het bijbelse spreken over de 'goede boom' die 'goede vruchten' voortbrengt. Hij had er misschien goed aan gedaan hier eens met ds. Kieskamp over te praten. Bij hem wordt duidelijk dat het praktisch syllogisme -dat uit de vruchten tot het geloof concludeert- een weg wijst om het spreken van de Schrift op dit punt te verstaan. De vrucht die we opmerken, is zó duidelijk niet onszelf toe te rekenen, maar een wonder werk van Gods genade in ons, dat wij het met vreugde uitroepen dat Hij het geeft, en Hem de eer geven.
Uitvoerig tekent Tigchelaar aan de hand van de belijdenisgeschriften wat gereformeerde ethiek naar haar wezen is. Het 'leven' is met vele draden verbonden met de 'leer', en is geen zelfstandig terrein, maar gestalte van het geloof.
Bij de uitwerking steekt Tigchelaar niet onder stoelen of banken dat hij theocratisch denkt. 'Paars' moet het op diverse plaatsen bij hem ontgelden, en ook al geeft hij de context van art. 36 NGB als appèl van een vervolgde protestantse minderheid aan, niettemin kan er in ons land geen plaats zijn voor tempels en moskeeën. Hij ontkomt ook niet aan de gevaren die het theocratisch denken in zich bergt, als
hij tot uitroepen komt als: 'een gezond gezin, een gezond volk'. Het gaat ook echt te ver, als hij stelt dat een jongen of meisje dat een opleiding niet afmaakt diefstal pleegt, en dat een voetballer of filmster een 'waardeloos mens' is in vergelijking met een verpleegkundige.
Ik heb er geen enkele moeite mee dat hij vanuit de Schrift kritisch andere maatstaven aanlegt voor een goed leven dan om ons heen, maar het oordeel 'waardeloos mens' komt ons niet toe. Ook de manier waarop homoseksualiteit -zonder er ook maar enigszins op in te gaan- op enkele plaatsen categorisch wordt afgewezen, acht ik beneden de maat van hoe een gereformeerde ethiek heeft te spreken. Alsof er geen pijn geleden wordt, en er geen vragen zijn...
Om mijn weergave van dit artikel positief te beëindigen: prachtig vond ik te lezen dat vroeger bij het einde van de samenkomst van de christelijke gemeente aan de zegen nog de oproep werd toegevoegd: 'en gedenkt de armen'.
Ik wist dat niet, maar het laat schitterend zien hoe geloof en leven een onlosmakelijke eenheid vormden.
Gereformeerde theologie van de hoop De bundel loopt ten slotte uit op een fraai artikel over de christelijke hoop. De auteur, dr. G. van den Brink, is veruit de jongste van de scribenten in deze bundel, en hem is gevraagd naar de toekomst te kijken - van de theologie en van de cultuur. Zijn bijdrage is de meest wetenschappelijke van het geheel, zonder dat het in mindering komt op het praktische karakter ervan. Het is goed en hoopvol dat dit artikel de bundel afsluit. Ook hier geen theologie in een 'ivoren toren', maar peiling van wat er leeft. Onze cultuur leeft nog sterk vanuit de drie kernbegrippen die de moderniteit kenmerken: de opvatting dat het leven en denken onderworpen moet worden aan de inzichten van het eigen menselijk verstand, het vertrouwen op de menselijke autonomie, op grond waarvan de mens in vrijheid zijn eigen doelen kan stellen, én de verbeten hoop dat dit project van de Verlichting goed is en waar en zal lukken: het vertrouwen op de vooruitgang. Hoezeer deze idealen ertoe geleid hebben dat Europa zich vervreemdde van het christelijk geloof, toch kwamen ze voor een deel voort uit datzelfde christelijk geloof. Intussen wordt de huidige situatie gekenmerkt door de ontmaskering van de trotse idealen van de Verlichting, zónder dat het tot een terugkeer tot het christelijk belijden leidt.
Is er nog hoop voor onze westerse cultuur? Zo ja, op grond waarvan en in hoeverre? Er blijkt een weg te lopen 'tussen hopeloosheid en goedkope hoop'. Dr. Van den Brink doet dat op een manier die zijn afkomst als filosoof verraadt. Hij biedt in zijn bijdrage een 'fenomenologie van de hoop', die menselijke verlangens peilt en poogt te laten zien dat het ten diepste gaat om het verlangen dat God alleen kan vervullen. Als hij op deze wijze betoogt, is er echt een vertegenwoordiger van de 'Utrechtse school' aan het woord. Intussen is er geen sprake van een naadloze overgang tussen hoop als menselijk verschijnsel en de hoop die God door zijn spreken wekt. Maar het augustiniaanse uitgangspunt werkt niettemin in die zin door, dat er eigenlijk geen plaats is voor Paulus' scherpe tegenstelling tussen de 'hoop die men ziet' en de 'hoop die men niet ziet', en evenmin voor Luthers intekening daarvan in het leven als een 'ontdaan worden van alle hoop' (die een mens op enigerlei wijze ontleent aan wat hij ziet en dus onder voorbijzien aan zijn radicale verlorenheid) om daarin dan niets over te houden dan God en zijn belofte.
In meer dan één opzicht is dit artikel anders dan de andere bijdragen in deze bundel. Ik denk dan aan de uitvoerige en boeiende inhoudelijke discussies, die met diverse moderne theologen en filosofen - vooral met de Duitse theoloog J. Moltmann- gevoerd worden. Daarmee plaatst de auteur zichzelf midden in de discussies zoals die spelen, en vraagt aandacht voor de eigen bijdrage van een gereformeerde theologie. Ik acht dat van grote betekenis.
Daarnaast onderscheidt de auteur zich van de anderen in deze bundel dat bij hem de vragen van de kerk niet aan bod komen - maar dat is bij dit thema nog te begrijpen-, en evenmin die rond Israël. Ik kom er in het volgende en laatste artikel op terug, maar verwijs nu alleen naar het merkwaardige gegeven dat op blz. 510 Ef. 2, 12 wordt aangehaald, zonder dat ook maar aangestipt wordt dat het hier gaat om de aan Israël geschonken verwachting...
G. C. DEN HERTOG, APELDOORN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's