Op zoek naar leer van de kerk
VERLEDEN, HEDEN EN TOEKOMST VAN DE GEREFORMEERDE THEOLOGIE [3]
Ik duidde al aan dat in de bundel bij diyerse scribenten overeenstemmende lijnen waar te nemen zijn. Ook voor een buitenstaander zoals ik, die de discussies binnen de Gereformeerde Bond over het SoW-proces niet tot in de finesses gevolgd heeft, vallen bepaalde gemeenschappelijke accenten op. Ik denk dan met name aan de na- / druk op het verbond in de benadering van de kerk. In de eveneens recent verschenen publicatie onder verantwoordelijkheid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond - W.J. op 't Hof (eindred.), Belijdenis en verbond. Ecclesiologie in de gereformeerde traditie, Zoetermeer 2003- krijgt men een beeld van de achtergronden.
Kerk, verbond en geloof
Van de commissie die het laatstgenoemde boek heeft voorbereid, maakte zowel Blenk als Verboom deel uit, en in hun bijdragen is dat goed te merken. De thematiek die hun voor deze bundel is opgegeven, lag in het verlengde van dat boek, en niemand kan hen verwijten dat ze bij het schrijven van hun bijdragen het werk aan die andere publicatie - en de discussies binnen de Gereformeerde Bond die die publicatie nodig maakten- hebben verwerkt. Het zou zelfs heel merkwaardig -zelfs gespleten- zijn geweest, als dat niet het geval was.
In de vorige artikelen heb ik al enkele lijnen in de bijdragen van Blenk en Verboom naar voren gehaald. Bij beiden valt een sterke nadruk op het verbond op in hun visie op de kerk. Bij verbond denken ze aan Gods trouw door de geslachten heen, en dat geeft ontspannenheid. Het maakt beiden mogelijk om te onderstrepen dat het goed-gereformeerd mag heten om te participeren in oecumenische organisaties. Het is immers een brede bedding, waarbinnen de Christus zijn gemeente verzamelt. Kieskamp denkt daar ook aan, als hij erop wijst dat men bijvoorbeeld op kerkelijke visitatie in brede lagen van de kerk sporen van bevindelijk geloofsleven kan tegenkomen (361).
Op verschillende plaatsen in deze bundel wordt deze visie op de kerk afgezet tegen een Afgescheiden denken. Het ongelijk van de Afscheiding wordt geïllustreerd aan bepaalde verkeerde ontwikkelingen die zich binnen de afgescheiden kerken van gereformeerde signatuur hebben voorgedaan. Verboom zet op blz. 256 Afscheiding en Doleantie geheel en al op één lijn, alsof er geen wezenlijke verschillen zijn tussen die beide, juist ook op het punt van de ecclesiologie, en als hij op blz. 264.V de vraag onder ogen ziet of Kuyper dan toch gelijk gehad heeft, blijft de Afscheiding buiten beeld. Maar het maakt toch verschil of men als De Cock afgezet wordt en Afscheiding als enige weg ziet, of als Kuyper een Doleantie plant en organiseert? !
Voor mijn besef is er nog verdere - breed-gereformeerde- bezinning op de kerk nodig. In feite vormen de weergegeven gedachten nog niet echt een ecclesiologie. De twee benaderingen van de kerk, zoals Verboom die op fraaie wijze bepleit, namelijk vanuit het verbond en vanuit het geloof, geven de grenzen aan waarbinnen we de kerk te zoeken hebben. Maar wat is kerk? Mijn vraag is of die theologische termen 'verbond' en 'geloof' in de hier geschetste benadering niet meer sociologisch dan bijbels-theologisch van aard. zijn. Ik denk bij 'sociologisch' aan het gegeven dat in alle samenkomen van mensen onderscheid gemaakt kan worden tussen een brede beweging als bedding enerzijds en de bewuste kern, die zijn leden uit deze beweging recruteert, anderzijds. Is de term 'verbond' hier wel zo bijbels gevuld? Dat God zijn sporen trekt in de geschiedenis van ons volk, geloof ik ook, maar om het op de noemer 'verbond' te brengen? Miskotte signaleerde in 1950 de 'tendens bij sommigen, het geloof, dat de H. Schrift Gods Woord is, te vervangen door het geloof dat Israël Gods volk is.' Is voor het reformatorische zicht op de kerk niet wezenlijk, dat zij - met de woorden van Bern 1528- is geboren uit het Woord van God en niet luistert naar de stem van een vreemde? !
Uiting van verlegenheid
Dat brengt me op een tweede vraag. Als zich in die brede beweging van de kerk nu een dwaalleer nestelt, die - misschien zelfs wel bij lippendienst aan de gereformeerde belijdenis!- metterdaad een andere kant uitgaat, hóe lang is men dan nog samen kerk? De twintigste eeuw heeft ons daarvan het een en ander laten zien, bij onze oosterburen ten tijde van de nazi-dictatuur, en in Zuid-Afrika, waar kerken van gereformeerd belijden een visie op 'verbond' en 'volkskerk' hadden, die uiterst bedenkelijke trekken vertoonde en doof maakte voor het spreken van de Schrift op dit punt! Luther heeft gezegd dat de ketterij niet in de woorden zit, maar in de zin waarin die woorden gebruikt worden. Waar in deze bundel de gevaren en uitdagingen van de twintigste eeuw en van onze tijd - ik acht dat voortreffelijk!- steeds present zijn, dient dat dan ook niet op dit punt meegenomen te worden?
Ik stel deze vragen niet vanuit een ongeschokte alternatieve visie op het geheim van de kerk, maar eerder vanuit verlegenheid rond de ecclesiologie, die we ten overstaan van deze vragen nog eens met elkaar zouden moeten peilen. Want één ding staat vast: de huidige kerkelijke situatie - het langs elkaar heen leven van hen die de diepe verbondenheid aan het gereformeerde belijden delen- is onbestaanbaar. De ecclesiologie zoals die in dit boek naar voren komt, is voor mijn besef ook meer een uiting van verlegenheid, een welkome onderbouwing van de eigen weg, dan een leer van de kerk...
Israël en het verbond
Ik heb in mijn weergave al gememoreerd dat Blenk uitdagend en prikkelend oppert dat gescheiden kerken, die braken met de volkskerk, door hun eigen ecclesiologie ook moeite hebben met Israël: ze slaan door (GKN) of Israël werkt niet door (CGK). Het zal hem niet verwonderen dat ik bij deze stelling vragen stel.
In de eerste plaats: klopt het historisch wel? Is er juist binnen de Afgescheiden kerken niet eerder oog voor Israël geweest dan in kringen van de Gereformeerde Bond? Ik hoef alleen maar naar het artikel van Blenk zelf te verwijzen. Het bezig zijn met de vragen rond Israël in de Gereformeerde • Bond is vooral een zaak van de laatste decennia, terwijl de Christelijke Gereformeerde Kerken al veel langer intensief deze vragen doordachten. Me dunkt, dat is een vraag die Blenk als historicus moet aanspreken.
Daarmee hangt een tweede vraag samen: hoe diep is het besef van de betekenis van Gods verbond, zoals Blenk en Verboom dat hebben laten uitkomen, doorgedrongen in kringen van de Gereformeerde Bond? En: in hoeverre stempelt dat het zicht op Israël? Is het werkelijk de door hen bepleite benadering van het verbond en de daarmee samenhangende ecclesiologie die de verbondenheid met Israël doet beleven? Is juist binnen de Gereformeerde Bond ook niet veel sympathie voor Christenen voor Israël, en komt dat niet veel meer voort uit bepaalde vormen van evangelicaal denken? Is alle Israël-bevlogenheid wel vrucht van verbondsdenken? Vraagt juist de Israël-bevlogenheid - óók omdat die zo gemakkelijk weer wegebtniet om een doordenking van wat 'verbond' is?
Ik voeg er nog een vraag aan toe. Als de benadering van Israël zo nauw
samenhangt met een ecclesiologie, die haar vertrekpunt bij het verbond neemt, waarom is dan het - terechte en broodnodige!- accent op de zendingsopdracht bij Blenk, Verboom en Tigchelaar niet vanuit Gods weg met Israël benaderd? Wat betekent dat eerste 'schisma', tussen kerk en Israël, voor onze benadering van de zending? Eens te meer is de vraag: hoe inhoudelijk is het verband tussen een benadering van de ecclesiologie vanuit het verbond en het besefin Israël ingelijfd te zijn? Is het meer dan een formele overeenkomst?
De uitdagingen
Ten slotte: er zit een fraaie lijn in de bundel. Hij opent met een peiling van de huidige theologische situatie en eindigt bij gereformeerde theologie als theologie van de hoop. Zowel in de eerste als ook in de laatste bijdrage komt onze huidige 'postmoderne' si-' tuatie aan de orde. Daarbij valt het verschil in taxatie op. Waar Van der Sluijs openingen ziet, is Van den Brink veel sceptischer. Het spreekt elkaar niet tegen. De openheid die Van der Sluijs signaleert, komt niet voort uit een optimistische visie op de cultuur. Hij realiseert zich ongetwijfeld terdege dat bij alle veranderingen in de cultuur het Evangelie niet naar de mens is en niet naar de mens zal worden. Dat dat geloofsgegeven niet een algemene waarheid is, maar in steeds nieuwe gestalten zich openbaart, laat Van den Brink zien. Er is geen postmoderne verlegenheid waar we gemakkelijk bij kunnen aanhaken. Het moet ook niet: God wil ons niet maar hebben met onze zwakheid, maar met onze kracht. Als wij over de toekomst van geloof en kerk denken, hebben we van onszelf uit geen antwoord op de vraag of de Zoon des mensen ook het geloof zal vinden op aarde, als Hij weerkomt. Niet van ons uit, maar wel van Hem. 'Wat geloof je van de kerk? ', vraagt de Heidelbergse Catechismus. Het antwoord verwijst ons niet naar prognoses, niet naar de kracht van de gereformeerde traditie, of ook naar het ver- bond op zichzelf - maar naar Chri^us, de Zoon van God. Het eerste wat v^n de komst van het Evangelie in Europa vermeld staat, is dat de HEERE het hart ' V van Lydia opende, zodat zij luisterde* Daarin ligt ook voor vandaag de enige hoop.
G. C. DEN HERTOG, APELDOORN
N.a.v. dr. ir. J. van der Graaf (red.) Belijden met hoofd en hart. Gereformeerd leven tussen gisteren en morgen. Uitg. Kok, Kampen; 572 blz.; € 34, 90.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's