Belijdenis als evangelisatietraktaat?
DR. PLAISIER RISKEERT OUDE EN NIEUWE DWALINGEN
Ds. B. Plaisier was in Kampen, in de IJsselstad die halverwege de negentiende eeuw haar theologische Jaculteit kreeg. Toen waren het de christelijk afgescheidenen die daar hun toekomstige predikanten opleidden, omdat het leuen naar de belijdenis in de Nederlandse Hervormde Kerk zodanig bedroevend was dat velen deze kerk verlaten hadden en een eigen kerkelijk leven opbouwden. Anderhalve eeuw, de Doleantie van Abraham Kuyper en een bijna ajgerond Samen op Weg-proces later huisvest de oude Hanzestad de Theologische Universiteit Kampen, sinds jaar en dag een van de tivee opleidingsplaatsen van aanstaande predikanten binnen de Gereformeerde Kerken en enigejaren geleden door de synode van de SoW-kerken erkend met het oog op de toekomst.
Welnu, ook na deze zomer moet er weer gedoceerd en gestudeerd worden en daartoe opende de universiteit op maandag i september het academisch jaar 2003-2004, waarbij de scriba van de Samen op Weg-kerken het openingscollege verzorgde over het thema 'Tussen continuïteit en vernieuwing. Opent het ontstaan van één protestantse kerk nieuwè wegen voor theologie en belijden? ' Veel wat ds. Plaisier vanachter de katheder doorgaf, biedt stof tot nadere discussie en bezinning, en dan denken we aan meer dan wat RD en ND als opvallendste nieuws doorgaven, namelijk de stelling dat de tijd daar is om te komen tot een nieuw, actueel belijdenisgeschrift. Die belijdenis zou 'kort, krachtig, praktisch en missionair' moeten zijn. Zo verwoordde hij ook dat het brede midden van de kerk de orthodoxie hard nodig heeft, dat het een open wond blijft dat er maar spaarzaam contact is met de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Nederlands Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, dat het pijnlijk is dat de verhouding met de Rooms-Katholieke Kerk de laatste decennia institutioneel niet veel verder gekomen is. Maar op grond van zijn gehele rede is het goed verdedigbaar de opmerkingen over de plaats van de belijdenis vooral aandacht te geven. Daarvoor kiezen we op deze plaats. De achtergrond van de opmerking van ds. Plaisier mogen we zoeken in het door hem gesignaleerde feit dat 'de waardevolle functie van het belijden voor velen in onze kerken naar de achtergrond is gedrongen', wat de SoWscriba terecht onder de aandacht brengt. Wie kennisneemt van zijn rede, merkt evenwel dat hij vervolgens geen kritische aandacht besteedt aan al die ambtsdragers en gemeenteleden die het belijden van de kerk evenveel interesseert als een dakloze belangstelling heeft voor aandelen. Terwijl dienaren van het Woord in de proponentsbelofte toch beloofd hebben 'in de verkondiging van Christus Jezus, naar het Heilig Evangelie, te blijven in de weg van het belijden van de kerk'. Waar de synode van de Gereformeerde Kerken eerder dit jaar besloot de in 1905 geschrapte 21 woorden uit artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zonder enige discussie weer op te nemen, laat het zich verstaan dat deze confessionele onverschilligheid van een synode doorwerkt op het grondvlak. Zou ds. Plaisier daarbij niet de vinger moeten leggen? Daar was ook de voorzitter van het platform Op Goed gerucht, de Alkmaarse dominee P. Verhoeff, die in het laatste nummer van Woord en Dienst een oneigenlijke tegenstelling creëerde, toen hij zichzelf als een vreemde in eigen kerk kwalificeerde, 'waar sommigen stoffige belijdenisgeschriften belangrijker vinden dan trachten anno nu creatief kerk te zijn midden in deze geseculariseerde wereld'. Zou ds. Plaisier zijn Op Goed Gerucht-collega's - ja, ook zij hebben ooit hun handtekening onder het belijden van de kerk gezet!- geen handreiking kunnen doen hoe voor hen de belijdenis weer levend bezit kan worden?
Tucht
Nee, de SoW-scriba kiest zijn front elders. Hij zegt dat het er soms op lijkt dat 'kerkleden hun geloof dienen te belijden met een geloofsinhoud en in geloofsvormen van een voorbije tijd'. Meer dan alleen van de vorm neemt ds. Plaisier ook afstand van de inhoud (!) - en dan leeft hij ook nog even mee met degenen die de belijdenis 'vooral zien als een regel om de tucht te handhaven', voor wie het een reële verzoeking is om de belijdenis te juridiseren. Dat laatste zal waar zijn: juist in een tijd waarin de kerk zelf haar belijdenisgrondslag verbreedt, dienen tegenstanders daarvan het juiste, bijbelse zicht op de belijdenis te behouden. Het gaat er niet om in de belijdenis te geloven, maar te geloven wat wij belijden. En dat geloof van de kerk der eeuwen is terdege verwoord in de oudchristelijke belijdenissen. En dat nieuwe zicht op Christus als de enige Middelaar tussen God en mens, op het getuigenis van de Bijbel, op de realiteit van de genade, enz. is rond de wording van onze Hervormde Kerk terdege verwoord in de Formulieren van Enigheid.
Wijzer geworden?
Het gaat in deze reactie niet om kerkpolitiek, het gaat niet om het aanblazen van spanningen in de kerk, want het is te aangrijpend dat de ambtsdrager die geroepen is op deze post de kerk te dienen, het geloofsgoed van de Reformatie niet hartstochtelijk verdedigt. Onze belijdenisgeschriften zijn toch niet slechts historische documen-ten, die aangeven hoe er vroeger gedacht werd, maar - om het met de woorden van oud-GB-voorzitter prof. Severijn te zeggen, de man die het ging om het beleven van de belijdenis- 'het ongezocht akkoord, waardoor zij met de kerk van toen én heden in een geloofsgemeenschap verbonden is'. Wat is er mis met een belijdenis die duidelijk benoemt wat de kerk belijdt, wat zij in confrontatie met dwalingen in eigen boezem, met de geest van ongeloof in de samenleving, uit het Woord van God zelf verstaan heeft? Ds. M. Goudriaan citeerde vorige, week tijdens zijn Haamstede-leziiig over de godheid en de mensheid van Christus een woord van dr. Martin Lloyd-Jones: 'Zijn wij in onze tijd zoveel wijzer geworden in het verstaan van de Schrift? Het is een droom!' Juist in een tijd waarin de kerk een periode van neergang beleeft, zal ze terug moeten naar de bron, naar het levende Woord zelf, in de overtuiging tegelijk dat onze belijdenis de wacht betrekt bij het getuigenis aangaande Christus en Zijn werk.
Nieuw belijden
Is er dan geen ruimte voor nieuw belijden? Allereerst moet gezegd zijn dat de belijdenis van de kerk geboren is, ontstaan is tijdens cruciale perioden in haar geschiedenis, waarin de kerk bedreigd werd en ze zich keerde tegen aanvallen. Een nieuw belijdenisgeschrift lanceer je niet in een toespraak, bespreek je niet in een commissie en organiseer je ook niet vanuit een dienstencentrum. Hoe acht de kerk zichzelf hiertoe op dit moment bekwaam, als de in 1997 gedane toezegging om te komen met een pastoraal geschrift over waarden en normen vanwege interne verdeeldheid niet gerealiseerd kan worden?
Ondertussen is de vraag naar bezinning op het belijdende karakter van de kerk heel legitiem en ook nodig. We herinneren ons de vraag uit 2001 van ds. D. C. Floor uit Ede, waarin hij te
midden van de discussie over de kerkorde vroeg om een geschrift waarin de kerk aangeeft wat zij belijdt. Maar daarmee gaf dit synodelid aan geheel te willen staan in de lijn van de Reformatie. Vanuit de kern van het Evangelie, de wetenschap dat God goddelozen rechtvaardigt, valt er zeker inhou-
delijk door te spreken over de boodschap en de plaats van de kerk in onze cultuur, door en door geseculariseerd, waarbij de wetenschap het einde van tegenspraak is en velen zich laten leiden door economisch nut en de massa • leeft voor genot en gemak. Aan die bezinning zullen allen die de kerk liefhebben en willen dienen, graag deelnemen. Maar daarin beginnen we niet opnieuw en gaat de vergelijking van ds. Plaisier met verzelfstandigde zendingskerken -'wij dienen te kiezen voor vormen en geloofsinhouden die bij ons passen'-niet op.
Tussen gisteren en morgen
Is het niet typerend te noemen dat de studie waarmee het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond de kerk en de theologische wetenschap dit voorjaar heeft willen dienen als ondertitel draagt Gereformeerd leuen tussen gisteren en morgen? En mag ik daarbij als voorbeeld wijzen op de bijdrage van dr. C. A. van der Sluijs, die nadenkend over het onopgeefbare van de Reformatie, aangeeft dat het gereformeerd belijden in taal van vandaag woorden moet vinden om 'op Schriftondervindelijke wijze' de postmoderne mens aan te spreken?
Dat is een vruchtbaarder insteek dan het tijdgebonden beschouwen van eigen geestelijk erfgoed, zoals we ook kunnen leren van christenen elders. Prof. Attila Keilemen uit het Roemeense Cluj vertelde tijdens zijn bezoek aan ons land in juni dat de Roemeens-Orthodoxe Kerk in het zoeken van een hernieuwde identiteit na vele jaren van onderdrukking de Heidelbergse Catechismus weer had ontdekt en de inhoud ervan koesterde voor het onderricht van de gemeente, ook voor de vele vragen van het gewone leven. Laten we het paard van de belijdenis niet achter de kar van ons moderne denken zetten.
Fundamenten en perspectieven
Samen op Weg is de laatste jaren niet veel meer geweest dan doel in zichzelf. Op deze pagina is al zoveel jaren geschreven dat de kerk - wij allen- innerlijke vernieuwing behoeft en door reorganisatie niet te redden is. Ook aan de vooravond van de invoering van de kerkorde van 1951 werd na alle kerkordelijke bezinning de behoefte gevoeld om in de ambtelijke vergadering bezig te zijn met het belijden van de kerk, waaruit het geschrift Fundamenten en perspectieven in 1949 voortkwam. Wat zegt de inleiding? 'Het klare overtuigde belijden in 20ste-eeuwse bewoordingen is de beste dienst aan de wereld van nu'. En aangegeven werd dat dit geschrift 'nauwkeurig aan de Schrift getoetst is, terwijl met aandacht naar de belijdenisgeschriften is geluisterd'. De opstellers wilden staan 'op de bodem der belijdenisgeschriften', die zeker niet klakkeloos herhaald behoeven te worden. Dat blijkt uit het feit dat juist in die jaren gesproken wordt over de verwachting aangaande Israël! Waar ongetwijfeld ook kanttekeningen te maken zijn bij dit geschrift, is de houding waarmee de kerk belijdend in haar tijd wilde staan ons ten voorbeeld. Laten we belijdend ook niet uitspelen tegen missionair. De belijdenis van de kerk is geen Alpha-cursus. Beide hebben hun eigen functie. Daarom buigen we het pleidooi van dr. Plaisier voor een nieuw belijdenisgeschrift om in een appèl om te drinken uit de bron waaruit de kerk eeuwenlang levend water geput heeft, om opnieuw te ontdekken welke schatten de kerk heeft. Dit appèl staat niet in mindering op de principiële openheid dat actueel belijden, ook in onze tijd, mogelijk is. Studie van de Bijbel kan nieuwe wegen wijzen, maar dan wel studie van de Schrift!
Tot slot een uitspraak van dr. J. Hoek uit zijn bijdrage over 'Belijden en belijdenis' (Licht op de kerk, p. 37): 'Wie de belijdenisgeschriften veronachtzaamt, stelt zich bloot aan oude en nieuwe dwalingen. Bovendien berooft men zich dan van het voorrecht om in koorzang met de kerk der eeuwen het gemeenschappelijke loflied aan te heffen voor onze God en Vader.'
P. J. VERGUNST
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's