Trouwbreuk
[Hosea 1 vers 2-9]
Hosea is getrouwd met Gomer. De HEERE noemt haar een vrouw der hoererijen. Hosea heeft kinderen van haar gekregen. Kinderen der hoererijen noemt de HEERE hen. Want, spreekt God, het ganse land hoereert van achter de HEERE. Geheel Israël is met het ySop van het overspel overgoten. Er is niemand in heel Israël die zich in positieve zin van het volk onderscheidt. Zelfs de kinderen van de profeet zijn kinderen der hoererijen.
Overigens hebben die kinderen van Hosea maar vreemde namen. De oudste dat gaat nog zo'n beetje. Jizreël heet hij. Een herinnering aan belangrijke plaatsen en gebeurtenissen in Israël. De laatste tijd vooral de herinnering aan de zomerresidentie van de koningen van Israël. Veel onschuldig bloed is daar vergoten. Veel wat naar de HEERE om recht schreeuwt, is daar gebeurd. Overigens ook een naam, die als de naam van een dal staat voor grote verlossingen die de HEERE Zijn volk heeft gegeven. Het dal Jizreël of het dal van Megiddo was het grote slagveld van Israël. Aan dit dal kleven de namen van Jozua, Barak en Gideon. Hosea's oudste zoon heet Jizreël. Maar uit het verband is duidelijk, dat Jizreël nu het omgekeerde zal zijn van wat het in het verleden was. Want Jizreëls boog zal verbroken worden. Jizreël, eertijds een naam die klonk in verband met het verbond dat de HEERE met Zijn volk had. Maar nu een naam die staat voor de toorn en de vervreemding van God tegenover Zijn volk.
En dan die andere namen. Lo-Ruchama en Lo-Ammi! Wie geeft zijn kinderen nu zulke namen? Een naam die begint met een ontkenning. Met zo'n naam laat je je kind toch niet door het leven gaan? Niet-ontfermend en Niet- Mijn volk. Je zult maar zo heten. Maar als men Hosea op de namen van zijn kinderen bevraagt klinkt er een onheilspellend antwoord.
Dan spreekt Hosea over zijn God, die hem bevolen heeft deze kinderen zo te noemen. Niet Hosea, maar de HEERE is de naamgever van de kinderen. Hij spreekt tot Israël door de namen van Hosea's kinderen Hosea's kinderen zijn kinderen der hoererijen. Zij staan model voor het ganse volk. Want het land hoereert ganselijk van achter de HEERE. Heel Israël is overspelig geworden. Heel Israël heeft zijn hart verpand aan andere goden dan de HEERE. Heel Israël is verduisterd geworden. Niemand weet eigenlijk nog wie de HEERE is en wat zij met de HEERE hebben. De verwarring is eigenlijk nog groter dan in de dagen van de profeet Elia.
Toen meende Elia al dat hij de enige was die de HEERE nog diende. Maar toen kon de HEERE hem nog antwoorden: Ik heb er nog zevenduizend overgelaten die de knieën voor Baal niet hebben gebogen. Je bent niet alleen, Elia. Het getal naar Gods verkiezing is er nog: zevenduizend. Maar nu noemt de HEERE dat getal niet meer. Het ganse land, niemand uitgezonderd, hoereert van achter de HEERE vandaan.
REDACTIE: P. J. VERGUNST, KLEINE FLUITERSWEG Hoe groot de verwarring is blijkt misschien nog wel het meest uit de dienst die de HEERE wordt gewijd. De Naam van de HEERE wordt namelijk nog veelvuldig genoemd. De HEERE is echt niet vergeten. Men roemt Hem; en men prijst Hem. En men houdt Zijn dagen. Maar wie goed luistert weet wel wat er aan ontbreekt. Men dient de HEERE alsof hij ook een soort Baal is. Men verwacht zonder meer, dat de HEERE zal geven wat Hij behoort te geven. Op offers verwacht men regen. Bij gebrek dient Hij te zorgen. Zijn dagen worden gehouden, dus Israël rekent op de zorg van God. Men heeft de HEERE binnen de cirkel van Baal en Astarte, Dagon en Kamos getrokken. Alsof ook de HEERE een bedenksel van ons mensen is; en of ook Hij dient te beantwoorden aan wat wij ervan denken. Zo omgaan met de HEERE is echter de relatie met Hem opzeggen. Daarom antwoordt de HEERE door de kinderen van Hosea. Ik noem jullie Lo-Ruchama en Lo-Ammi. Niet-Ontfermend en Niet-Mijn volk. Ik zeg het verbond met Israël op!
We mogen daar best van schrikken. De grootste zonde is kennelijk: de naam van de HEERE geven aan het beeld van wat wij van God hebben. Een zaak die de HEERE zeer vertoornt, is dat wij van Hem een God maken naar onze eigen gedachte. Het is mogelijk, dat wij de naam van de HEERE veelvuldig noemen en toch de heidenen gelijk geworden zijn. Het lijkt mij dat wij hervormd-gereformeerden daar niet te goed voor zijn. Laten wij ons beeld van God nog eens bekritiseren en eventueel corrigeren door de woorden van de profeet Hosea. Wat hebben wij gedaan met de heilige Naam van God? Hoe kijken wij naar de HEERE? Hoe denken wij over Hem? Moeten wij niet vrezen, dat ook wij 253, 7316 MX APELDOORN, TEL. 055-5766660 niet zoveel ontzag meer hebben voor de heiligheid des HEEREN? Er is toch een verschil, dunkt mij, tussen het ontzag dat onze groot- en overgrootouders voor de HEERE hadden, en wat wij voor Hem hebben. Is daar nog dat grote ontzag voor de HEERE? Dat weten tegen de HEERE gezondigd te hebben? Het besef datje niet zomaar met je schuld bij de HEERE op de koffie kunt komen? Begrijp me goed. We mogen vuil zoals we zijn bij de HEERJE komen. Maar dan wel schuldverslagen. Ook in het besef, dat de HEERE het recht heeft ons af te wijzen. De Heere Jezus zei tegen de Kanaanitische vrouw: Ik ben niet gezonden tot heidenen, maar alleen tot de verloren schapen van het huis van Israël. Die vrouw erkende dat. En de Romeinse hoofdman zei zelf: ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen.
Over het gemis van dit ontzag gaat het in de profetie van Hosea. Over een eigenwillige godsdienst. Een godsdienst zonder ontzag voor Gods grootheid en heiligheid. Een godsdienst zonder besef, dat we een gevallen mensheid zijn. Een godsdienst, die gaarne de lofprijzing zingt, - en de HEERE is het waardig - maar die niet weet, dat genade nodig is om van de HEERE te weten. Dat we zonder Zaligmaker niet loven kunnen. Zonder wedergeboorte ook niet. En dat al het valse prijzen vloeken dreigt te worden.
Als wij zonder het besef van Gods hei-ligheid Zijn grote naam durven noemen, zegt Hij: Lo-Ruchama en Lo- Ammi. Maar Hij voegt er, heel aangrijpend, nog iets aan toe. Zo zal Ik ook de uwe niet zijn. In het Hebreeuws: Lo-Ehjeh. Oftewel: Niet-Ik ben. Hier trekt de HEERE zijn Naam die Hij zich op Horeb heeft gegeven terug. Hij wil niet langer de God van het verbond zijn. Hij trekt ook Zijn verbondsnaam terug.
Wat een harde boodschap. Diep aangrijpend. Kan de HEERE zo spreken tegen Zijn eigen volk? Wonderlijk genoeg heeft de prediking van Hosea in-druk gemaakt. In wegvoering en ballingschap hebben de Israëlieten deze boodschap van Hosea trouw bewaard. Het is kennelijk ingeslagen. Men heeft er kennelijk met de HEERE over gesproken. Men heeft het erkend. Het is rechtvaardig. Maar met Mozes zeiden ze erbij: maar nochtans uw grote Naam, HEERE! En de beloften aan de Vaderen.
Ik denk, dat Eén, groter dan Mozes, Hem bovendien aan die Naam herinnerde. Hij doet dat nog. Wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige. Roep Hem bij uw gebrek. Laat Hij uw zonden kennen. Uw ongeloof, uw oppervlakkigheid. Misschien ook wel uw gjebïek aan eerbied en ontzag. Vertel het Hem maar. Gods Vaderhart zal eronder breken. Hij riep Hosea niet voor niets'. Hij deed het woord niet voor niets uitgaan. Hij is groot in trouw. En onbegrijpelijk in ontferming. Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.
Wat een God. Toch ontferming en toch Mijn volk. Welk een grote Naam heeft onze God.
A. VAN LINGEN, KINDERDIJK/ NIEUW-LEKKERLAND
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's