De apostel van onze belijdenis
DE APOSTELEN VAN JEZUS CHRISTUS [SLOT]
Gezondenen
In de eerste aflevering in deze reeks werd aandacht geschonken aan het woord apostel. Het betekent 'uitgezondene van de Vader', en 'uitgezondene van Jezus'. In deze laatste bijdrage vragen wij vooral aandacht voor de 'Uitgezondene van de Vader', de Heere Jezus Christus, in Hebreeën 3 : 1 de 'Apostel en Hogepriester van onze belijdenis' genoemd. Als Apostel komt Hij tót ons; als Hogepriester komt Hij vóór ons.
Nu zijn er wel meer gezondenen. In Luk. 1:19 lezen wij niet minder dan dit: 'Ik (de engel) ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen.' Het moet maar even tot ons doordringen, hoe hoog-heilig hier dit gebeuren in de Schrift is! Evenals Gabriël gezonden wordt naar Maria in Nazareth; en Gods bode naar Jozef. Gezonden, uitgezonden!
Daar blijft het niet bij. In Joh. 1: 6 lezen wij: 'Er was een mens van God gezonden, wiens naam was Johannes'. Jezus zegt van hem: 'Onder die van vrouwen geboren zijn, is niemand meerder dan Johannes de Doper' (Luk. 7 = 28). Toch raakt niemand van hen aan Jezus Christus, de Apostel van onze belijdenis, dat is de belijdenis van de zaligheid in Christus. 'Onze belijdenis', dat is die wij als de onze belijden.
Uiteraard is dan de brief aan de Hebreeën gestempeld door Christus als de ware, eeuwige Hogepriester. In hoofdstuk 8 : 1, 2 wordt dit in één volzin samengevat: 'De hoofdsom nu der dingen, waarvan wij spreken, is dat wij hebben zulk een Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen; een Bedienaar van het heiligdom, en van de ware tabernakel, die de Heere heeft opgericht, en geen mens.' Inderdaad: de Hogepriester vóór ons.
Eenheid
Maar nu dan: de Apostel, Die de Uitgezondene is tót ons. De eenheid van Jezus met de Vader komt daar bijzonder in uit. In Mt. 10 : 40 zegt de Heere: 'die Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft'. Of ook wel Mk. 9 : 37: 'en zó wie Mij zal ontvangen, die ontvangt Mij niet, maar Die, Die Mij gezonden heeft.' Zo ligt het trouwens ook met het Woord, dat de Apostel van onze belijdenis ons brengt. De Heere Jezus zegt Zelf: 'Die God gezonden heeft, Die spreekt de woorden van God '(Joh. 3 : 34). Een vrijblijvende zaak is dit niet. Woorden van eeuwige redding en zaligheid worden niet vrijblijvend aangehoord. Vol van ernst is Jezus' woord in Luk. 10 : 16: 'Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Hem, Die Mij gezonden heeft.' In dit verband veroorloof ik mij een goedbedoelde opmerking. Elke predikant hoort vaak tijdens het gebed in de consistorie aan het begin of einde van de dienst: 'Heere, nu kan de dienaar het Woord alleen maar brengen tot het oor. Maar wilt U het nu brengen in het hart'. Wij zeggen daar doorgaans niets van. Iet is een heel 'geijkt' gebed. Maar als een kerkenraadslid in Matt. 13 : 19 nu eens de gelijkenis van de zaaier leest, dan ziet hij: 'Als iemand dat Woord van het Koninkrijk hoort, en niet verstaat, zo komt de boze, en rukt weg hetgeen in zijn hart gezaaid was'. Wie nadenkt, zal dan tot de ontdekking komen dat niet ons oor, maar veel sterker en ingrijpender: ons hart het Woord verwerpt dat door de Heere tot ons hart gesproken wordt. Het is echt niet: 'oor in oor uit'. Maar: 'hart in hart uit'. Dan wordt de zaak toch wel heel ernstig!
Intussen mag Jezus Zich ook boven Johannes de Doper stellen: 'Ik heb een getuigenis, méérder dan die van Johannes; want de werken die Mij de Vader gegeven heeft om die te volbrengen, die werken die Ik doe, getuigen van Mij, dat Mij de Vader gezonden heeft' (Joh. 5:36). Hoe opvallend is het voor wie er op letten gaat dat de Heere Jezus het maar niet laten kan om te spreken over de Vader, Zijn Vader, Die Hem gezonden heeft. 'Ik en de Vader zijn één' (Joh. 10 : 30).
Jezus' legitimatie
Het is heel wat voor de Joden om te geloven dat Jezus van Nazareth, de zoon van Jozef, gezinslid tussen de
Vandaag plaatsen we de laatste aflevering van de reeks bijdrage van ds. Schuurman over de apostelen. Over de meesten van hen is op het eerste gezicht weinig bekend. Ds. Schuurman kwam tot de ontdekking dat in de vier evangeliën elke apostel beschreven wordt vanuit de positie waarin hij een rol speelde. Hun leven wordt steeds gesteld in het licht van Christus. e maken de lezer er hierbij op attent dat deze artikelen volgende maand enigszins uitgebreid bij uitg. Den Hertog in Houten in boekvorm zullen verschijnen. Het boek 'De apostelen' zal ongeveer 128 bladzijden bevatten en € 14, 90 kosten.
Red. de Waarheidsvriend
broers en zusters in Maria's huis, de Messias, de Zoon van God is. In de synagoge in Nazareth presenteert de Heere Zich als de beloofde Zaligmaker, Die reeds Jesaja heeft aangekondigd (Jes. 61 : 1, 2). De Heere leest Jesaja ook Zelf voor. Maar als Hij Zichzelf daarna bekendmaakt, toornt heel de synagoge tegen Hem, werpen ze Hem de stad uit, en als 't kan ook de steilte af. Maar als verlamd zien ze allen dat Jezus gewoon wegloopt en ook weggaat (Luk. 4 : 16-30)! Wat is dat ontroerend... De Heere Jezus zien vertrekken!
Wel heel duidelijk spreekt Jezus in Luk. 4:43 van Zijn zending: 'Ik moet (-) het evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen; want daartoe ben Ik uitgezonden'. Ook beperkt Hij Zijn zending wel tot Israël alleen. Zo luidt Mt. 15 : 24: 'Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis van Israël'. Van Nicodemus staat er een mooie belijdenis in Joh. 3 : 2. 'Rabbi, wij weten, dat Gij zijt een Leraar, van God gekomen...'. Maar wat onderschat Nicodemus deze Zoon van God. De Heere zal hem op eenmaal helemaal laten weten, Wie Hij is: 'Want alzo liefheeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden (Joh. 3 : 16-17). Het zal intussen nog jaren duren, voordat Nicodemus zich geheel aan dit woord van Jezus overgeeft (Joh. 19 : 39). 'En Nicodemus kwam ook...'.
Wel veel tegenstand en ongeloof valt Jezus ten deel in Jeruzalem. Hij preekt: 'Mijn leer is de Mijne niet, maar van Degene, Die Mij gezonden heeft' (Joh. 7 : 16). 'Ik ben van Mijzelf niet gekomen, maar Hij is waarachtig, Die Mij gezonden heeft' (Joh. 7 : 28).
Een Koning
Slechts één keer noemt de Heere Zijn eigen Naam als Gezondene. Die staat in Joh. 17 : 3: 'En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige Waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt'. Ook in de legitimatie tegenover de Sadduceeën is de Heere Jezus zo helder. Zij ontkennen de opstanding van de doden, die eenmaal komt. Maar Jezus zet daar tegenover: 'Mijn Vader is geen God van doden, maar van levenden!' Daarom kan God ook zeggen dat Hij de God van Abraham, en de God van Izaak, en de God van Jakob is (Mt. 22 : 31 e.v.). Abraham, Izak en Jakob, ze léven. Dit mocht Mozes al van de HEERE horen bij het brandende braambos (Ex. 3:6). Hoe zwaar is Jezus' legitimatie geworden bij Zijn lijden en sterven. Eerst voor Kajafas: 'Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God'. Ach, en dan breekt op Jezus' jawoord de hel in het Sanhedrin Jos (Mt. 26 : 63 e.v.). Pilatus' vraag volgt daarop: 'Zijt Gij dan een Koning? ' En het antwoord is: 'Gij zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou. Een ieder die uit de waarheid is, hoort Mijn stem' (Joh. 18 : 37 e.v.). Maar ach, wat heeft Pilatus met waarheid? ? Dan komt Herodes aan bod. Veel zijn zijn vragen aan de Heere Jezus. De overpriesters en schriftgeleerden beschuldigen Hem 'heftig'. Maar van Jezus niet één woord. En dan breekt de hoon en spot over Jezus los (Luk. 23 : 9 e.v.).
Zo straks is er de legitimatie aan het kruis: 'Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen' (Luk. 23 : 34). En: 'Mijn God, Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten? ' Maar dan toch als laatste: 'Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest!'
Straks wordt de kring kleiner, als de Heere na Pasen Zijn handen, Zijn voeten en Zijn zijde toont. Zijn Paaslegitimatie, die Thomas wel bijzonder dacht nodig te hebben. Een legitimatie, die nog altijd aanspreekt binnen Christus' gemeente, als het geloof zo sterk betrokken is bij Zijn doorboorde handen. Bijzonder soms aan Zijn tafel. Heel treffend verwoordt Jaap Zijlstra dit in 'De taal der liefde':
Op alle vragen die er rezen, gaf U mij Uw hand te lezen, één teken slechts, in spijkerschrift. Sinds staat het in mijn ziel gegrift.
Dat is zo heel veel, en in zo weinig woorden...!
Ook de 'Ik ben...'-teksten uit Johannes mogen wij onder Jezus' legitimatie rekenen. Hij is het Licht der wereld, het ware Brood des Levens, Brood Gods uit de hemel, de ware Wijnstok, de Goede Herder, de Deur der schapen, de Opstanding en het Leven. Hoe mocht en mag het geloof in de loop der eeuwen en in onze tijd zich in deze legitimatie verblijden en zich er aan troosten. Maar juist daartoe zijn deze 'Ik-teksten' door de Heere Jezus uitgesproken tot heil van Zijn gemeente.
De vrucht
Jezus' apostelschap is bepaald niet zonder vrucht gebleven. O zeker, heel erge dingen lezen wij in de Bijbel: 'gij gelooft Die niet, Die Hij (God) gezonden heeft' (Joh. 5 : 38). Wie goede werken wil doen om daardoor zalig te worden, mag horen: 'Dit is het werk van God, dat gij gelooft in Hem, Die Hij gezonden heeft!' (Joh. 6 : 27, 28). Is er iemand die het neemt van Hem? Vraagt Christus dan nooit meer naar het onze; enkel en alleen maar naar het Zijne, en naar wat het werk van de Vader is?
En toch: ze gaan tot Hem uit, trekken achter Hem aan, enkelingen en scharen, getrokken door de Gezondene van de Vader. En na het volbrachte werk mag Hij zeggen: 'Ik ben van de Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; wederom verlaat Ik de wereld, en ga heen tot de Vader' (Joh. 16 : 28). Dan wordt Zijn heimwee vervuld en gebed verhoord: 'Vader..., Ik heb U verheerlijkt op de aarde' (zij deden het niet...!); 'Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen' (zij lieten het liggen...!); en nu verheerlijk Mij, Gij Vader, Bij Uzelf, met de heerlijkheid die Ik bij U had, eer de wereld was' (Joh. 17 : 4 e.v.). En terwijl de apostelen van Jezus Christus, en zovelen na hen het Wooïd prediken, zorgt de Heilige Geest dat het Huis des Heeren vol gaat worden, totdat de laatste door het roepend, nodigend, liefdevol en waarschuwend evangelie is toegebracht. De schare bij God, en bij het Lam (Op. 7 : 9-17).
J. C. SCHUURMAN, BARNEVELD
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's