Aanbidding en muziek
DE PLAATS VAN M U Z I E K I N ONS LEVEN [7]
Schriftgegevens
Het woord 'aanbidden' is in eerste instantie verbonden met de Oosterse gewoonte zich voor een vorst uit te strekken om zijn voeten of de zoom van zijn mantel te kussen. Zo heeft het de betekenis van aanbidden gekregen. Wie de concordantie opslaat en de teksten nagaat waar sprake is van aanbidden, leert onder andere Abraham, Mozes, Jozua en Samuël kennen als aanbidders van de HEERJE. Zij beantwoorden Gods openbaring met aanbidding. Israël leerde de HEERE aanbidden. Indrukwekkend is het zogenoemde exoduslied (Ex. 15) en Mozes' zwanenzang (Deut. 32). In tabernakel en tempel werd de Naam van de HEERE gezegend. Muziekinstrumenten kwamen er aan te pas.
David paste in zijn tijd de dienst van de levieten aan door hen te belasten met de leiding en uitvoering van zang en muziek ter ere van de HEERLIJKE in het heiligdom (1 Kron. 23 en 25). Hij zorgde ervoor dat levieten als zangers en musici opgeleid werden voor de dagelijkse eredienst. Er is sprake van 4000 professionele instrumentale musici. De dichters-componisten Asaf, Heman en Jedoetoen vormen met hun zonen en andere volleerde professionals een orkest van 288 leden. De oudtestamentische diakenen waren ook beroepsmusici. Ook Ezra en Nehemia ijverden voor het herstel van de eredienst (Neh. 9-13).
De lofliederen in het Psalmboek getuigen van Gods grootheid en genade. Het psalmenboek is het onvervangbaar liedboek van en voor de kerk. In het Nieuwe Testament zien we dat Jezus, de Zoon van God, de aanbidding ten deel valt. Onder de inwerking van de Geest van de profetie horen we lof en aanbidding uit de mond van Maria en Zacharias. Het zijn de engelen in de velden van Efratha, die een nog steeds doorgaand loffestival op Gods grote daden oproepen met hun 'Gloria in excelcis Deo'. De herders stemmen er weldra mee in en Simeon en Anna volgen. We horen de genezen blinde Barrimeüs en het over het wonder verwonderde volk God groot maken. Wat zal het geweldig geklonken hebben bij. de intocht van Jezus in Jeruzalem. We horen de Borg met de Zijnen de lofzang zingen in de nacht waarin Hij verraden wordt. We lezen van de discipelen na de hemelvaart van hun Heere dat ze de hele tijd lovend en dankend God in het heiligdom aanwezig waren. Te midden van verdrukkingen horen we Paulus en Silas God groot maken. De gemeente weet van lofzegging en aanbidding in de samenkomsten rondom Woord en sacramenten. Men loofde Gods macht en glorie, Christus' overwinning en heerschappij. De apostelen sporen haar aan tot lofzang op de HEERLIJKE als expressie van haar blijdschap. In het boek Openbaring horen we vele malen van aanbidding. Concluderend kunnen we zeggen dat aanbidden een daad van verzet is tegen alle andere goden, die niets waard zijn, maar ook een daad van ontzagwekkende liefde voor God. Aanbidden is vrucht van de genadige openbaring van God. Het is het antwoord van de mens op Zijn heilrijke daden in schepping en verlossing.
Vrucht
Het heeft mij in de lectuur van de Heilige Schrift rond de pinksterdagen opnieuw getroffen dat de Heilige Geest ons niet alleen leert bidden, maar ook aanbidden. Bidden is onze bedelstand. We kloppen aan bij onze hemelse Vader en leren bidden om alles wat wij naar geest en lichaam nodig hebben. Aanbidden is onze adelstand. Daartoe zijn we geroepen. Door Gods genade geroepen om de Heere weer te loven en te prijzen. Het zal echt weer worden zoals het was 'in den beginne'. Gedoopt in heilige bezieling door de Heilige Geest mocht de pinkstergemeente van het eerste uur met 'verheuging' het avondmaal vieren en God prijzen. Er worden in Handelingen 2 : 46, 47 in het Grieks woorden gebruikt die spreken van de jubelende en uitbundige blijdschap die hoort bij de komst van Gods heil. Bij God vandaan is er immers alle reden om ons uitbundig te verblijden. Vanwege Christus' volbrachte werk en de uitstorting van de Heilige Geest is de toekomst aan Hem en daarom niet meer onzeker. De vreugde mag daarover beslist doorbreken in de samenkomst van Zijn gemeente en in het leven van de gelovigen persoonlijk. We mogen onze Heiland en Zijn heerlijk Koninkrijk met opgeheven hoofd verwachten. En het Koninkrijk Gods is blijdschap door de Heilige Geest.
Aanbidden is dus nader gezegd, vrucht van de Heilige Geest. We worden er niet mee geboren, we worden ermee wedergeboren. Want de Heilige Geest schenkt een nieuw leven en schept nieuwe vreugde. Het is een hartelijke vreugde in God door Jezus Christus. Vrolijk zijn in de HEERE. Het is een beleefde werkelijkheid in het leven van de vromen. De HEERE is de God der blijdschap mijner verheuging. Geslacht na geslacht hebben jongeren en ouderen in Hem vreugde gevonden. In de wereld en in de zonde waren we die vreugde kwijtgeraakt en we wisten er ook niet meer aan te komen. Maar God heeft in Christus door de Geest de vreugde weer gebracht. En nu mogen we vreugde scheppen uit de naam van de drie-enige God. Gods beloften worden heerlijk vervuld. Ook deze: 'Dit volk heb Ik Mij geformeerd. Zij zullen Mijn lof vertellen'.
Eredienst
Luther brengt het in zijn Voorrede van het Babstschen Gesangbuch (1545) zo onder woorden: 'Zingt de Heere een nieuw lied, zingt de Heere gij ganse aarde! Want God heeft ons hart en gemoed vrolijk gemaakt door Zijn lieve Zoon, welke Hij voor ons gegeven heeft tot verlossing van zonden, dood en duivel. Wie zulks in ernst gelooft, hij kan het niet nalaten, hij moet er vrolijk en met lust van zingen en spreken, zodat anderen het ook horen en naderbij komen. Maar wie er niet van zingen en spreken wil, toont dat hij het niet gelooft en niet in het nieuwe vrolijke Testament, maar onder het oude, trage, lusteloze Testament hoort'.
Bidden en aanbidden. Welnu, ware Christ-gelovigen zijn zij die het niet kunnen nalaten God te aanbidden in het offer van Zijn Zoon Jezus Christus. Zij aanbidden de drie-enige God. De Vader voor Zijn welbehagen: het onuitsprekelijke voorrecht van het schenken van Zijn Zoon tot een volkomen verzoening van al onze zonden en het nieuwe leven in en door Hem. Zij aanbidden de Heilige Geest, de bewerker van alle weldaden in de heilsorde en, van alle goede werken.
Het zal ons duidelijk moeten zijn dat zang en muziek in de eredienst niet een bijkomstigheid of een luxe, een verpozing of ter afwisseling dient te zijn, maar een essentieel deel ervan. Er móet in de samenkomst gezongen en gemusiceerd worden, anders ontbreekt een belangrijk element eruit.
Zwakke plek
Wanneer we nu gezien hebben dat zang en muziek, en ook muziek als aanbidding vrucht is van de Heilige Geest, dan mag deze vrucht toch niet achter veel bladeren verscholen hangen? We zien juist in de Heilige Schrift dat ze naar voren springt en rijpt in het zonlicht van de genade.
Moeten we niet eerlijk belijden dat deze vrucht nogal schaars is? Dat de aanbidding, de lofprijzing onder ons weinig gehoord wordt? Nee, ik heb het niet over krampachtige blijdschap; die er zo dik bovenop ligt en onechtheid verraadt. Opgeklopte aanbidding ploft na een poosje in elkaar. Het gaat ons hier om de vrucht van de Heilige Geest. De vrucht die geplukt wordt door Hem, Die Zijn Geest uitstortte. Bij de een breekt de aanbidding uit, bij de ander is het meer een stille diepe vreugde. De een is de ander niet. Niemand mag zich dwingen tot een beleven van deze heerlijke zaak die niet bij hem past.
Maar de vraag wil beantwoord worden: waar is de aanbidding onder ons? Naar mijn overtuiging leggen we hier de vinger bij een zwakke plek. Een plek die juist ook jongeren ontdekken. Waar schort het aan? Aan geloofskennis van God in Christus. Daardoor is er een bekrompen leven en raakt ook de vreugde en de aanbidding in de knel. Hoe vlamt soms de blijdschap in de Heere even op, maar dooft spoedig. Het apostolisch vermaan klinkt niet voor niets: blust de Geest niet uit. Zijn we ook als voorgangers in de gemeente wel voorgangers in de aanbidding, de lofprijzing? Spreekt de apostel niet over medewerkers aan de blijdschap? Het is waar: wie spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien.
De rechte prediking is toch de prediking des gelóófs. Wanneer we onder
deze prediking mogen verkeren, leren we het oog van het geloof richten op Gods beloften. We richten ons op God in Christus. We zoeken het leven buiten onszelf in Christus en bekennen daarmee dat we midden in de dood liggen en dat ook de vreugde in niets van ons en van de wereld te vinden is. Wie God in Christus leert kennen door de Heilige Geest, die mag ervaren dat de vreugde, de aanbidding toeneemt. We gaan al Zijn deugden hemelhoog roemen en prijzen.
Vreugde der wet
De blijdschap, de aanbidding stikt ook, wanneer we slordig leven. Wanneer de werken van het vlees de ruimte krijgen in ons leven, sterft de vreugde en de aanbidding. Ik vrees dat onder ons de wereldgelijkvormigheid veel vreugde en aanbidding doet ontbreken. Een nauwgezet leven, waarin we de heiligmaking najagen en waarin we dus een lust en een liefde hebben om niet alleen naar sommige, maar naar • al Gods geboden te leven, doet ons kennen de vreugde der wet. Psalm 119 wordt ons lied.
Wanneer sommigen onder ons de zaak waarover het nu gaat buiten de gemeente gaan zoeken, moet ons dat nopen tot ernstig zelfonderzoek en ook tot bekering. Het is de HEERB welbehagelijk dat we Hem met blijdschap dienen en aanbidden. Wie Deut. 12 : IIW. en Deut. 26 : 11 ter harte neemt, verootmoedigt zich voor de Heere. Het was een vrolijk bedrijf bij de dienst des Heeren in het heiligdom als de stammen opgingen. En dat waren geen mensen die er ook wel eens uit wilden zijn en eens wat bijzonders wilden. Het was het bevel van de Heer' der heren aan Zijn Israël. Billijk om te eren.
Ook aan de wieg van onze reformatorische traditie ontbreekt deze zaak niet. Uit de Catechismus leer ik dat we geroepen zijn om elkaar in de gemeente met vreugde te dienen en te helpen (55A). Het oprechte christenleven kent iets van de eeuwige, hemelse vreugde (58A). Heel duidelijk is de omschrijving van de bekering. Het is een hartelijke droefheid over de zonde enerzijds. Anderzijds is er een hartelijke vreugde in God door Christus! (89A/90A). De vaderen van Dordt leren dat de uitverkorenen van de eeuwige en onveranderlijke verkiezing tot zaligheid verzekerd worden als zij '...het echte geloof in Christus, de kinderlijke vreze Gods, droefheid naar Gods wil over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid enz. - in zichzelf met geestelijke vreugde en heilige blijdschap waarnemen' (DL hfdst. 1 par. 12). Zij wijzen trouwens ook op een kortstondige blijdschap (een emotionele overstroming, a.b.) die weer spoedig overgaat. (DL hfdst. 3.4 par. 9). Maar ze spreken van een vaste blijdschap in God (DL hfdst. 5 par. 12).
A. BAAS, ALBLASSERDAM
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's