Uit de pers
Vriendschap
Ooit was hij een van de toonaangevende theologen in ons land: Johannes Coccejus. Bekend werd hij vooral als 'verbondstheoloog'. Eerder dit jaar was het vierhonderd jaar geleden dat hij geboren werd (1603). Hij stierfin 1669. In Utrecht vond op 4 juni een congres plaats vanwege het feit dat hij vier eeuwen geleden het levenslicht zag. Drie referaten die toen gehouden werden, staan te lezen in de laatste aflevering van Kerk en Theologie (jaargang 54 no. 4 - oktober 2003). Dr. W. J. van Asselt was een van de referenten. Uiteraard, zou ik bijna schrijven. Sinds zijn promotie in 1988 tot doctor in de theologie geldt hij als een van de kenners als het gaat om persoon en werk van Coccejus. Zijn proefschrift droeg de titel Amicitia Dei. Een onderzoek naar de structuur van de theologie van Johannes Coccejus (1603-1669). In de hier geciteerde bijdrage in de aflevering van Kerk en Theologie schrijft dr. Van Asselt een bijdrage onder de titel Verbond, Rijk Gods en Vriendschap (Een schets van de theologie van Johannes Coccejus). Coccejus schrijft over de relatie tussen God en mens in termen van verbond, rijk van God en vriendschap (amicitia). Leven in het verbond met God schenkt, volgens Coccejus, de gelovigen de ervaring van Gods intieme vriendschap. Van Asselt gaat in zijn bijdrage vervolgens in op elk van de drie hier genoemde noties. Ik citeer hier enkele fragmenten uit wat hij schrijft over Coccejus' gedachten over vriendschap.
'Dat Coccejus zeiƒ geen dorre kamergeleerde was, maar een mens die zijn persoonlijke overtuiging niet onder stoelen of banken stak, viel reeds zijn studenten op. Een van hen schreef: "Zijn toehoorders zagen hoe zijn ogen zich met tranen vulden, wanneer hij bij de uitleg van de Schrift, de rijkdom van Gods genade prees." In brieven aan vrienden en collega's zong hij meer dan eens de lof van de spirituele vriendschap in Christus.
In zijn bijbelcommentaren besteedde Coccejus meermalen aandacht aan deze spirituele dimensies van vriendschap. Naar zijn mening werd de notie "vriendschap" in de Bijbel niet alleen betrokken op menselijke relaties (David en Jonathan), maar ook op de relatie tussen God en de gelovigen. Een indrukwekkend voorbeeld van het laatste was volgens Coccejus Mozes, die met God sprak zoals iemand met zijn vriend spreekt (Ex. 33 : 11). In het Nieuwe Testament werd Abraham een vriend van God genoemd (Jac. 2 : 23), terwijl van Johannes de Doper gezegd werd dat hij een vriend van de bruidegom - Christus - was (Joh. 3 : zg). Bovendien betitelden de evangelisten Jezus meermalen als een vriend van tollenaars en zondaars (bijvoorbeeld in Matth. 11:19 en Luc. 7 : 34J.'
Coccejus' verbondstheologie kenmerkt zich door een trapsgewijze afschaffing van het werkverbond, een weg waarlangs het genadeverbond zich baan breekt, in zeven stadia realiseert zich zo het Koninkrijk van God. Analoog.daaraan, aldus dr. Van Asselt, ontvouwt zich in die geschiedenis ook de vriendschap met God.
'Door de schending van het werkverbond viel de mens uit vrije keuze uit deze vriendschapsrelatie. Het genadeverbond betekende echter herstel van de vriendschap tussen God en mens. Gedurende de oudtestamentische bedeling was deze vriendschap nog onvolkomen, omdat zij vermengd was met vrees en onvrijheid. Deze onvolkomenheden verdwenen echter, toen Christus op aarde verscheen en de volkomen schuldvergeving door zijn dood aan het kruis historische realiteit werd. Het belangrijkste aspect van de verzoening was voor Coccejus de reconcilatio ojherstel van gemeenschap, die een nieuwe dimensie in de relatie met God aanbrengt. Reconciliatie werd door hem uitgelegd als "een totale verbintenis tussen de van God vervreemde mens en de vriendschap van God". Verzoening in deze zin is een "overgezet worden u de staat van vijandschap jegens God naar de staat van vriendschap en zegen."
Deze "overzetting" (translatio) in de staat der vriendschap werd door Coccejus gerekend tot het werk van de Heilige Geest en viel ten deel aan de uitverkoren gemeente. Dit "overbrengende" werk van de Geest en daarmee de participatie in de vriendschap met God was daarom geen universele aangelegenheid. Niet ieder mens op deze wereld kan zich een vriend van God noemen. Geheel in de lijn van de Dordtse synode verklaarde Coccejus dan ook dat Christus niet voor alle mensen was gestorven. De vrucht van Zijn lijden en sterven kwam alleen ten goede aan hen die Hem als borg door de Vader waren beloofd in het eeuwig verdrag. Alleen voor degenen, die de Vader de Zoon gegeven had, was hij een persoonlijke borg geworden.
Volgens Coccejus werd deze intieme relatie vooral beleefd bij de viering van het Heilig Avondmaal als bezegeling van wederzijdse vriendschap (testimonia amicitiae) tussen God en de (verkoren) gelovigen. Vriendschap met God werd intensief ervaren in het gebed, waarin de gelovige van Gods aanwezigheid geniet "zoals een vriend van zijn vriend geniet" en met hem in een intieme relatie verkeert. In zijn commentaar op Johannes
15 : 14 ("Gij zijt mijn vrienden") heeft Coccejus prachtige dingen geschreuen over de vriendschap tussen Christus en zijn gemeente: wie in het uerbond leeft, is van Christus en luie uan Christus is, wordt zijn vriend genoemd.
Vriendschap speelt ook een rol in Coccejus' visie op het christelijk handelen. Met een beroep op teksten uit Job, Spreuken en Prediker ontwikkelde hij uit het uriendschapsmotief in de wijsheidsliteratuur een soort "uriendschapsethiek" voor de christelijke gemeente. Daarbij gaf hij ook uiting aan zijn teleurstelling - soms ook ergernis - over het feit dat de empirische kerk uan zijn dagen geenszins aan dit beeld beantwoordde. Wellicht om die reden verwachtte hij een dergelijke gemeente pas in de (nabije) toekomst, als overeenkomstig de "orde der profetie" een bloeitijd uoor de kerk aanbreekt.'
Inderdaad, de door Coccejus zo geschetste vriendschap was in zijn dagen ver te zoeken. Gisbertus Voetius (1589-1676) was de grote leider in de theologische strijd tegen Coccejus en de zijnen. De kerkgeschiedenis kent vele onverkwikkelijke tijden. De strijd tussen Voetianen en Coccejanen was er één van. Terwijl, als je leest hoe Coccejus' theologie toch een bevindelijk karakter draagt en geheel in lijn is met de opvattingen van de Dordtse Synode, je je afvraagt of dat toch niet anders had gekund. De man die zó nadrukkelijk de vriendschap in zijn theologie een plaats gaf, werd uitermate vijandig bejegend door de orthodoxe stroming der Voetianen. Kan het ook anders? Zeker!
Dit jaar was er nog een herdenking: John Wesley werd in 1703 geboren in de pastorie van Epworth, hij overleed in 1791. Ds. M. G. L. den Boer schreef er in In de Waagschaal (27 september 2003) een boeiend artikel over. Wesley is de man die de hele wereld als zijn parochie beschouwde.
Wie het vak kerkgeschiedenis in Utrecht onderwezen kreeg door prof. dr. G. P. van Itterzon, moest zijn 'Kalender van de kerkgeschiedenis' letterlijk paraat hebben op het mondeling tentamen. Deeltje 57 uit de Boeketreeks is nog altijd in mijn bezit, stukgelezen, van voor naar achter en van achter naar voor uit het hoofd geleerd. Daarom zullen velen van mijn leeftijdgenoten het nog wel weten als de naam John Wesley valt: 'John Wesley bij de Hernhutters in een vergadering te Londen tijdens de voorlezing van Luthers voorrede op de Romeinenbrief bekeerd op 24 mei 1738 des avonds kwart voor negen'. Prof. Van Itterzon vroeg het me op het tentamen en je moest het dan letterlijk zo oplepelen, wilde je zijn instemming oogsten. Overigens denk ik met veel dankbaarheid terug aan het onderwijs van deze vriendelijke en principiële hoogleraar. Ik citeer nu enkele fragmenten uit wat ds. Den Boer schrijft:
'Het leven van John Wesley stond in het teken uan groot en ueel. Dat begon al bij zijn geboorte. Hij was het vijftiende land uan Samuel en Susanna Wesley. Naast de naam John kreeg hij ook de naam Benjamin. Misschien brachten zijn ouders met de tweede naam hun hoop tot uitdrukking dat hij de laatste zou zijn in de lange nj. Er lauamen er echter meer. Enige jaren later werd zijn broer Charles geboren (1707-1788) als achttiende kind. Het zou blijken dat men ouer de ene broer niet kan spreken zonder de andere te noemen.
Bijna wasJohn al als kind omgekomen. In 1707 stond de grote pastorie in vuur en vlam. Niet een klein brandje, maar een grote brand die de pastorie in as legde. Vader, moeder en de schare kinderen konden zonder letsel op te lopen bijtijds het huis uerlaten, maar de vijfjarige John ontbrak. Waarschijnlijk was hij blijuen slapen, omdat hij het rumoer niet had gehoord. Vader bad en moeder riep luide zijn naam. Toen, ontwaakt door het roepen uan zijn moeder, verscheen voor een raam John, met achter zich de vlammen. Met moeite kon hij worden gered. Toen uiel al op hoe beheerst hij was in een crisissituatie. Moeder zag in zijn redding het teken dat hij tot iets groots was geroepen. John zelf zei later vaak, refererend aan de brand, dat hij was gered als een brandhout uit het uuur. Een nieuwe pastorie, een grote uoor het grote gezin, werd gebouwd. Die pastorie staat er nog altijd.
Er wordt gezegd - en wel op goede gronden - dat John Wesley 250.000 mijl heeft afgelegd, op het paard en in zijn laatstejaren achter het paard, in een rijtuig. En wel 40.000 preken heeft hij gehouden voor grote menigten. Van zijn preken zijn er vele bewaard gebleven. Duizenden brieven van hem zijn overgeleverd. Ook schreef hij uitvoerige aantekeningen ("notes"), niet bij een aantal bijbelboeken, maar bij alle. Naast een veelheid uan andere geschriften, schreef hij ook dagboeken, zijn Journal (vier dikke delen). Met zijn Journal begon hij in oktober 1735 en zijn laatste bijdrage was in oktober 1790. Hij schreef toen als oude man dat hij voor een grote menigte in Spitsfield Church had gesproken over de "gehele wapenrusting Gods" en in de middag uoor een nog grotere menigte in St PauI's Stadwell over "een ding is nodig". De laatste woorden in de Journal zijn: "I hope many even then resolved to choose the better part". Niet "enigen", maar geheel in de stijl van Wesley "velen" (many).'
'Ik hoop dat ook velen zullen besluiten het betere deel te kiezen'. Wesley, een gunnend evangelieprediker. Samen met zijn broer Charles stichtte hij in Oxford een kring voor bijbelstudie, gebed en liefdewerk. Accent van hun beider arbeid lag op apostolaat en pastoraat onder de massa.
'Op zijn reizen, gezeten op zijn paard, heeft John Wesley veel gelezen (hij kon op zijn paard niet alleen lezen, maar ook schrijven). Grote invloed hadden de geschriften uan Luther, maar ook Holy Living and Dying van Jeremy Taylor en de Imitatio Christi uan Thomas a Kempis. Wesley was een uitgesproken tegenstander uan de predestinatieleer uan Augustinus en Calvijn. Daarover kwam hij in conjlict met George Whitefïeld, die tegen de zienswijze van Wesley schreef, en hem ervan beschuldigde dat hij de "universal redemption" leerde. De persoonlijke verhouding tussen Whitefïeld en Wesley werd echter niet verstoord. Bij de begrafenis van Whitefïeld hield John de preek. Er is een kort laconiek briefje van Wesley aan Whitefield bewaard: aan beide zijden zijn er er dwepers (bigots) die de boel op stang proberen te jagen; daar moeten wij niet aan meedoen; het zal wel blijken wie het aan het rechte eind heeft.
Wesley trachtte ook degenen die tegen hem gekant waren (en dat waren er velen) vast te houden. In 1742 ontmoette hij op weg naar een stad een andere ruiter. Deze begon al gauw zijn meningen te spuien. Wesley ging er niet op in. Dat beviel de ander niet. Wesley vertelde hem toen een en ander, en ook dat beviel de ruiter niet. Hij zei: "Je bent zeker een van de volgelingen uan John Wesley!? " Wesley antwoordde: "Nee, ik ben geen volgeling", want hij wilde geen volgelingen van Wesley, geen "Wiesleyans" (die er toch kwamen). Na een pauze zei hij: "Ik ben zelf John Wesley." Toen de ruiter dat hoorde gaf hij zijn paard de sporen en liet Wesley achter zich. Hij wilde niet langer in het gezelschap uan Wesley verkeren. Dat pikte Wesley niet. Hij was een betere ruiter (of hij had een beter paard) en hij haalde de ander in. Hij bleef net zo lang op de ander inpraten totdat hij hem had overtuigd (niet uan zijn gelijk) dat christenen elkaar niet mogen loslaten, ook wanneer zij van mening verschillen. Samen reden de twee ruiters de stad binnen.'
Over vriendschap gesproken. Misschien een richtingwijzer in deze barre tijden binnen onze kerken en kringen. Coccejus en Wesley, in verschillende - perioden en situaties, gegrepen door het bijbelse gemeenschapsdenken, levend uit een diepe geestelijke verbondenheid met Christus, propagandisten van de christelijke vriendschap. Wïe ? . kan er niet naar verlangen? . • i
J. MAASLAND
P.S. 1. Een los nummer van Kerk en Théologie is te verkrijgen door overschrijving van € 14, 20 (incl. porto) op postgironummer 610252 t.n.v. Boekencentrum Uitgevers, Zoetermeer, onder vermelding van jaargang 54, no. 4, oktober 2003.
2. Een los nummer van In de Waagschaal is te verkrijgen door overmaking van € 2, 50 op postrekening 2620510 t.n.v. penningmeester 'In de Waagschaal' Zeist, o.v.v. nieuwe jaargang 32 nummer 13 (27.09.03).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's