De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bevrijdende ophef

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bevrijdende ophef

'Tot u, o Heere!, hef ik mijn ziel op'. [Psalm 25 : 1]

6 minuten leestijd

Met deze woorden begint de psalm. Ze is dus een gebed. Een gebed van boete. Zo is de psalm althans door de kerk altijd verstaan. Ze is de tweede van de zeven boetepsalmen. Psalm 6 is de eerste.

Dat ook Psalm 25 ertoe gerekend wordt, zal wel komen door vers 7, waar de dichter bidt: 'Gedenk niet de zonden van mijn jonkheid, noch mijn overtredingen'. David was dus waarschijnlijk al oud, toen hij dit lied dichtte. Hij ziet dan terug naar zijn jeugdjaren. Lang geleden. Toch staan ze nog helder voor zijn geest, helderder dan ooit. Wat is ervan in zijn herinnering overgebleven? Schuld! Uiteindelijk alleen maar schuld. Schuld die ook nog moet worden vergeven. Want daar bidt hij om. Nu pas, nu hij oud is geworden. Bidden om vergeving van wat in zijn jeugd verkeerd is gegaan en gedaan.

Wel laat. Maar niet te laat. En ook wel te herkennen voor ons. Als wij eens terugkijken, naar onze jonge, wilde jaren. U bent ze toch nog niet vergeten? En... bent u er al klaar mee gekomen, voor u zelf en voor God? Of ligt ook bij u de schuld nog open? Nog niet vergeven door God? Dan krijgt u vandaag nog de gelegenheid. Want ook hier geldt: beter laat dan nooit!

Psalm 25 is dus een echte boetepsalm. Maar ze is ook een lofpsalm en een dankzegging. Ook zij vullen Davids gebed in de ontmoeting met zijn God. Die ontmoeting zet als volgt in: tot U, o HEERB, hef ik mijn ziel op. Tot U...! Wat geweldig dat we dat tegen de Heere mogen zeggen. Dat we 'U' tegen Hem mogen zeggen. Dat betekent immers dat we contact hebben. We spreken de Heere aan, alsof Hij vlak vóór ons staat. Zo dichtbij dat we voelen, ja voelen!, dat Hij onze stem hoort. Tot U, o HEERE, hef ik mijn ziel op.

Puur een wonder dus. Dat is het trouwens altijd geweest. Maar in onze tijd helemaal. Want God... ach, voor hoevelen is Hij een onbekende geworden? Mensen kennen God niet meer. Soms zoeken ze Hem nog wel, zelfs op de gekste plekken, maar vinden doen zij Hem niet. Maar tallozen zoeken God zelfs niet meer. Geert Mak schreef zijn beroemde boek: God is uit Jorwerd verdwenen. Waarom is dat boek zo beroemd geworden? Ik vrees: omdat zovelen het herkennen in hun eigen leven! God... over Wie heb je het eigenlijk? We noemen dat Godsverduistering. Als God verduistert, verduistert heel ons bestaan. Dat zien we toch gebeuren?

Maar Gods kinderen dan? Ja, die zijn er ook nog. Ook David was dat... kind van God, man van Gods hart. Hij mocht de Heere wel kennen. Omdat Hij zich aan hem had bekendgemaakt. Dat geldt van elk kind van God. Door genade hebben zij de Heere leren kennen. Zij kennen Hem zelfs van heel dichtbij. Zij horen Zijn stem. Zij voelen Zijn adem. Zij raken Hem aan en zij lopen Hem aan. En zij zeggen 'U' te-gen Hem. Tot U, o HEERE, hef ik mijn ziel op.

De dichter noemt de Heere zelfs bij Zijn Naam. Ze staat met hoofdletters geschreven. Het is dus Gods eigennaam. Geen soortnaam. Hij is niet 'een' God, naast anderen Nee, het is Zijn eigen Naam. De Naam, waarmee Hij zich aan ons heeft voorgesteld, zoals eenmaal bij Mozes. Ik ben de HEE- RE. Zo heet Ik. En dat betekent: Ik ben er.

Daarin ligt nu juist het geheim, waarom de dichter tegen God 'U' mag zeggen. Want als de Heere Zijn Naam noemt, zegt Hij tegelijk: Ik ben er, ook voor u. Ik ben zelfs van u, want ik ben de HEERE, UW God!

Bijzonder is dat, om de Heere zo van dichtbij te kennen en vrijmoedig naar Hem toe te gaan, telkens weer. Vrijmoedig, want dat kan en dat mag bij deze Heere. Maar tegelijk ook met vrees, met een kinderlijke vrees. Want als we tegen de Heere 'U' zeggen, spreekt daar ook ontzag en eerbied uit. We zeggen tegen God geen 'jij'. We zeggen 'U' tegen Hem. Want Hij is een God, tegen wie we echt 'U' kunnen zeggen. God is ook hoog en heilig.

Het wonderlijke is echter dat dit niets afdoet van het vertrouwelijke in onze omgang met de Heere. Deze hoge en heilige God is ons immers dichtbij gekomen in Zijn Zoon, onze Heere en Heiland. Hij heeft voor ons de weg naar Zijn Vader gebaand. Nu mogen wij door het geloof in Hem naderen. Zo dichtbij, dat wij Zijn Vader onze Vader mogen noemen. Abba, lieve Vader, ook van ons! Dat brengt ons tot verwondering.

Kinderlijke vrees en kinderlijk vertrouwen. Ze gaan samen in ons omgaan met de Heere. Vooral in ons gebed. Maar niet alleen dan. Ons hele bestaan mag ervan doortrokken zijn. De Heere vrezen stempelt ons leven, ook van alle dag.

Maar vooral toch ons gebed. Daarom vinden wij bidden zo fijn. Omdat we dan onze ziel mogen opheffen tot God. Onze ziel! Wat is dat eigenlijk? Ze is ons diepste wezen, onze diepste gevoelens en emoties. Onze ziel zijn we zelf. Dus met alles wat ons bezielt, gaan we naar de Heere toe en brengen we bij Hem. Dat is bidden. Herkent u dat? Vindt u dat ook fijn? Met alles bij de Heere komen en het bij Hem neerleggen? Ons verdriet, onze vragen, onze pijn, onze schuld, maar ook onze dank en liefde en aanbidding.

Want dat alles zit in dat woord 'opheffen' opgesloten. Het betekent: erboven

uittillen. Mijn ziel dus, mijn diepste zijn, erboven uittillen, boven de misère, de raadsels, de aanvechting, mijn twijfel. Even boven alles uittillen, om dan bij God uit te huilen, tot rust te komen, even stil te zijn: Mijn ziel is immers stil tot God... (Psalm 62). Ik denk ook nog aan de eredienst. Daarin werden vele en velerlei offers gebracht. Onder andere de hefoffers. Zij moesten de gebeden begeleiden. In het heiligdom dus. Psalm 25 is dus niet alleen lied voor de binnenkamer. Ze is ook geschikt voor het samen in Gods huis tot de Heere bidden, Hem loven en prijzen. David kon daar soms heftig naar verlangen. En wij met hem. Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen (Psalm 84).

C. GRAAFLAND

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Bevrijdende ophef

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's