De trechter van Genesis 22
ABRAHAM OP DE BERG MORIA [2]
Het verhaal van Abraham op de berg Moria wordt in de joods-synagogale traditie de binding van Izak genoemd. In het Nieuwe Testament valt alle licht op het óffer van Izak, dat Abraham in het geloof voltrekt. De naam 'Moria' kan samenhangen met het werkwoord voor 'zien'. Volgens de Statenvertalers betekent het dan ook 'het gezicht Gods'. God ziet hier al het kruis van Zijn eigen lieve Zoon. Het offer van Izak verwijst naar het verzoenend lijden en sterven van onze Heere Jezus Christus. Het gaat in dit verhaal om deze 'visie', om dit 'zien' van God. Dat raakt het hart van het christelijk geloof. Maar welk licht werpt het tekstverband van het Oude Testament op deze geschiedenis?
Hilde Burger gebruikt voor de interpretatie van het boek Genesis het beeld van de zandloper. Het is een glas dat in het midden sterk is ingesnoerd. Het is een soort trechter dat maar enkele zandkorreltjes tegelijk doorlaat. Gaan ze klonteren, dan blijft het zand steken. De trechter is de binding van Izak. Alle verhalen moeten om zo te zeggen door dat smalle halsje. Daarna waaieren ze weer uit. Zonder Izak geen Jakob, zonder Jakob geen Israël. De zandloper kun je Jan ook weer omkeren: zonder Israël *een Jakob, zonder Jakob geen Izak. •
Nat is nu de trechter?
-Iet beeld van de zandloper fascineert jns wel. Maar kunnen we volstaan met : e zeggen dat het halsje de binding van zak is? Voor de beantwoording van dece vraag letten we op het tekstverband. Genesis 22 begint het de woorden en het jeschiedde na deze dingen. Daarmee wordt aenesis 22 vers 1 tot 19 gekoppeld aan jenesis 21.
ïenesis 21 vertelt ons van de geboorte r an Izak, het uitdrijven van Hagar en Isnaël en het verbond tussen Abraham : n Abimelech. Die verbondssluiting ond plaats ter zelfder tijd (vs. 22). Met als esultaat: Abraham woonde als ureemdeing vele dagen in het land der Filistijlen. De belofte van een eigen nagelacht heeft een begin van vervulling geregen, maar de belofte van een eigen md nog steeds niet. Wat dat laatste bereft is Abraham nog net zo ver als toen hij vertrok uit Haran: hij is en blijft een vreemdeling.
Wat nu de naamgeving van Izak betreft vallen twee dingen op. Het is in de eerste plaats een handeling van Abraham. Het wordt plechtig en omstandig verteld: En Abraham noemde de naam uan zijn zoon, die hem geboren was, die hem Sara gebaard had, Izak. Dit is het moment waarnaar hij vijfentwintig jaar heeft uitgezien.
Maar het is in de twee plaats een handeling van God. Dat gebeurt wanneer Izak wordt gespeend. Daarom geeft Abraham een groot feest. Ismaël drijft dan de spot met Izak. Sara neemt dat niet. Zij zegt tegen Abraham: drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit. Abraham wordt boos. Hij weigert. Toch moet hij dat nu doen van God, want, zegt de Heere, in Izak zal uw zaad genoemd worden. De passieve werkwoordsvorm geeft aan dat ditmaal de naamgeving van Izak een handeling van God is. Voor de Heere gaat het nu om Izak. Daarom wordt de naam van Ismaël in deze perikoop meer niet genoemd.
Daarom is het beslissende moment voor Abraham niet de binding maar het ouergeuen van Izak aan God, in het geloof dat de Heere het nu zal waarmaken: in Izak zal uw zaad genaamd worden. Hebreeën 11 peilt dat geloof tot op de bodem: Abraham overlegt wat God zegt. Het is de rotsvaste zekerheid: God is machtig mijn lieve zoon zelfs uit de doden te verwekken.
Dat is de trechter van Genesis 22: zou iets voor de Heere te wonderlijk zijn? God zegt dat tot Sara bij de aankondiging van de geboorte van Izak. Daarom kan Abraham de gang maken naar de Moria. Wat God betreft: Hij ziet een lam ten brandoffer, mijn kind.
Nog steeds twee en geen twaalf
Het verhaal van het offer van Abraham wordt ook gekoppeld aan het vervolg. Dezelfde zin als in vers 1 keert terug in vers 20: en het geschiedde na deze dagen. Abraham krijgt het bericht dat zijn broer Nahor nu twaalf zonen heeft. Met het offer van Abraham is de spanning niet gebroken. We lezen tweemaal van Abraham en Izak: zo gingen zij beiden samen. Van de twaalf stammen van Israël is nog niets te zien. Dat blijft ook zo nadat Abraham de beproeving van zijn geloof had doorstaan, ook nadat God Zijn belofte aan Abraham opnieuw had bevestigd: uw nageslacht zal zijn als de sterren aan de hemel en het zand aan de oever van de zee. Maar zijn broer heeft het al. In zijn twaalf zonen is dat nageslacht al inbegrepen. Ook de naam van de toekomstige vrouw van Izak wordt al genoemd: Rebekka. Maar voor Israël is en blijft er alleen de belofte. Het stempelt de geschiedenis van Israël. Zou het Israël van onze tijd niet opnieuw geschiedenis maken door zich enkel en alleen te oriënteren op deze belofte? En om onszelf niet buiten schot te houden, zou dat ook niet gelden voor ons als christelijke gemeente in deze tijd?
Na de wegzending van Hagar en de dood van Sara hertrouwt Abraham met Ketura. Uit dat huwelijk komt een uitgebreid nageslacht voort. We lezen dat aan het begin van Genesis 25. Maar dat is niet het nageslacht dat door de engel des HEEREN wordt bedoeld in Genesis 22. Hij geeft aan hen geschenken, maar zendt hen dan weg. En nu uit eigen beweging. Hij gaf aan Izak al wat hij had (vs. 5). Zo blijft het voor hem recht overeind staan: in Izak zal uw zaad genoemd worden.
De verwekkingen van Terach
In het boek Genesis zijn 11 opschriften terug te vinden. De geschiedenis van Abraham staat onder het opschrift en deze zijn de geboorten uan Terach (Gen. 11: 27). In het Hebreeuws staat dan het woord toledot, dat letterlijk betekent 'verwekkingen'. Nu doet zich het merkwaardige feit voor dat in deze opschriften alle hoofdpersonen bij hun naam worden genoemd, ook Ismaël en Ezau, alleen Abraham niet. Toch is hij de vader van alle gelovigen! Vroeger werd daar geen aandacht aan besteed. In de wetenschap werden de boeken Genesis tot en met Deuteronomium opgesplitst in een aantal bronnen met ieder hun eigen achtergrond. Het zicht op de tekst als geheel ging daarmee verloren. Bovendien slaat de gewone bijbellezer geslachtsregisters en naamlijsten vaak over.
Waarom zou de naam van Abraham niet genoemd worden in het opschrift boven zijn geschiedenis? Dat valt des te meer op omdat God tot hem had gezegd: Ik zal uw naam groot maken?
Een vreemdeling onderweg
We kunnen hier in de eerste plaats denken aan Genesis 12. Daar ontvangt Abraham de opdracht: ga uit uw land, uw stam- en familieverband naar het land dat Ik u laat zien. Dat maakt Abraham tot een vreemdeling. Vreemdelingen worden niet geregistreerd. Ze horen nergens bij. Maar dat is nu juist de 'verwekking': wie geschrapt wordt uit het register van het stam- en familieverband, zal God tot een grote naam maken. In de 'verwekkingen' van Terach staat niet het ideaal centraal van de gesettelde mens, maar van de mens die belijdt: Ik ben, o God, een vreemdeling hier beneên. Dat is hier de Tora of het 'onderwijs'.
De 'verwekkingen' zijn onverwachte wendingen. Ze wekken dan ook nieuwe verwachtingen waar alle hoop is uitgeblust. Dat gaat zo het hele boek door. Terach is het niet maar Abraham. Ismaël is het niet maar Izak. Ezau is het niet maar Jakob. De 'verwekkingen' van Jakob gaan in werkelijkheid over Jozef. Wat de zonen van Jozef betreft is het niet Manasse maar Efraïm. Jakob wil de lijn van Jozef doortrekken, maar op zijn sterfbed zegt hij in Gods naam: Juda, gii zijt het!
Ga gij - Hij ziet
In de tweede plaats komen wij dan weer terecht bij Genesis 22. Tussen beide hoofdstukken bestaat een zeker verband. In alle twee vinden we ook op een beslissend moment dezelfde uitdrukking, namelijk ga gij. Het is een aanscherping van de opdracht. Het is een opdracht van God. Abraham kan er niet onder uit. In Genesis 12 moet Abraham op weg gaan naar het land dat God hem laat zien en in Genesis 22 naar de berg die God hem laat zien. In het ene hoofdstuk wordt hij een vreemdeling, in het andere brengt hij het offer van zijn zoon. Wat dat laatste betreft, hoe heeft Abraham dat gekund? Hij weet: God zal Zichzelf een lam ten brandoffer voorzien. Er staat dan in het Hebreeuws een uitdrukking van hetzelfde type als ga gij, maar nu wordt het vertaald met 'Zichzelf'. Het is bedoeld als een aanscherping: Gód ziet. In de grondtekst wordt alleen het woord voor 'zien' gebruikt. Abraham kan gaan want God - Hij ziet het Lam ten brandoffer.
Nogmaals: geen 'verwekking' zonder verzoening.
H. J. DE BIE, HUIZEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's