Boekbespreking
Dr. Pieter K. Baaij Israël en de volken. Exegetische studie van Romeinen 9-11. Uitg. Groen, Heerenveen; 346 blz.; € 24, 50.
De nieuwtestamenticus I. H. Marshall maakt ugem^igt onderscheid tussen bete- 'Sfgijificance'. De 'ntóarfing' van eenByfcèlgedeelté'slaat dan opioatgene wat er staat; de uitleg varre«n tekst. De 'significance' is de betekenis van een gedeelte voor de hoorder. Het zal duidelijk zijn dat de resultaten van het eerste - de exegese - gevolgen hebben voor de betekenis die de hoorder/lezer aan een bijbelgedeelte ontleent.
Dr. Pieter Baaij (1928), die in 1992 in Brussel promoveerde op een exegetische studie van Romeinen 7, is blijvend gegrepen door de brief van Paulus aan Rome. In 1998 verscheen een exegetische studie van Rom. 3 : 21 - 8 : 39 en onlangs kwam een derde deel van de pers over Rom. 9-11. Ondanks zijn kwetsbare gezondheid en verminderde gezichtsvermogen heeft de auteur, met toegewijde hulp van zijn vrouw, kans gezienopnieuw een omvangrijke studie op tafel te leggen. Een grammaticale exegese van drie belangrijke hoofdstukken uit Paulus' brief aan de Romeinen.
Voor de uitleg van de brief aan de Romeinen hanteert dr. Baaij enkele belangrijke uitgangspunten. Allereerst is hij er van overtuigd dat Paulus in deze brief niet aan heiden-christenen schrijft maar aan Joodse christenen. Een visie die onder Paulus-specialisten weinig handen op elkaar krijgt. Misschien nog fundamenteler voor zijn werkwijze is het tweede uitgangspunt.
Dr. Baaij is er stellig van overtuigd dat de Griekse teksten van de apostel de neerslag zijn van het door hpm gedachte bijbels-Hebreeuws. De betekenis van de Griekse woorden moet derhalve niet alleen vanuit de Hellenistische betekenis worden begrepen, ook de achterliggende Hebreeuwse equivalenten moeten daarin worden betrokken. De auteur hangt namelijk de visie aan dat het verschil tussen het (bijbels-)Hebreeuws en het Grieks groot is. Deze opvatting, die vooral door James Barr in de jaren zestig fel bestreden is, wordt door Baaij nog steeds gesteund. Daarvoor voert hij zelfs een citaat van Barr in om deze tegenstelling te verduidelijken. De bewijsvoering van Baaij acht ik echter niet overtuigend. Aan het einde van de 19e eeuw was er onder nieuwtestamentici discussie over de vraag hoe Joods de brief aan de Romeinen eigenlijk wel is. Velen konden maar moeilijk geloven dat de schrijver van deze brief een 'Hebreeër uit de Hebreeën' is. Men dacht eerder aan een Griekse auteur. Dit standpunt is (gelukkig) allang verlaten. Sinds die tijd is er veel meer oog gekomen voor Hebreeuwse sporen in taal en stijl van deze brief. Het verwijt van Baaij dat er bijna uitsluitend oog is voor de Hellenistische betekenis van de Griekse woorden, is derhalve niet terecht.
Dr. Baaij gaat in zijn aanpak echter nog een stap verder. Op grond van de veronderstelling dat Paulus zijn tekst in het (bijbels- )Hebreeuws heeft geconcipieerd en deze heeft overgezet in het Grieks, heeft Baaij oog gekregen voor de ware betekenis van deze brief.
Rondom Baaijs eerdere studies zijn van bevoegde zijde uit de kring der nieuwtestamentici kritische vragen gesteld bij zijn aanpak. Ook werd er sterk getwijfeld aan de grammaticale keuzen die Baaij doet. Veel van deze kritische kanttekeningen kunnen ook nu worden gemaakt. Bijv. t.a.v. Baaijs gebruik van de genitivus - hij noemt Paulus consequent volken-apostel i.p.v. apostel der heidenen - en van het participium. In tal van opzichten komt Baaij tot een andere 'meaning' van de teksten en dat werkt door in de 'significance'. Als ik de auteur goed begrijp, raakt dat in Rom. 9-11 vooral aan de plek van Israël. Voor Paulus - zegt dr. Baaij - is 'het volk van Israël' niet hetzelfde als 'het Israël van God'. De vraag is dan wel of een woord als 'volk' (laos) slechts een etnische betekenis heeft.
In zijn Woord vooraf laakt de auteur het gebruik door andere commentatoren van de opvattingen van eerdere uitleggers. Het komt mij voor dat op belangrijke momenten ook Baaij in de leer gaat bij andere commentaren op de brief aan de Romeinen. Daar is niets op tegen maar het lijkt me niet consequent.
Het is het goed recht van dr. Baaij wanneer hij aan zijn overtuiging en aanpak vasthoudt. Uit niets echter blijkt dat hij iets met de vragen bij zijn werkwijze heeft gedaan. Dat is gezien de grote inspanningen die hij (en zijn vrouw) zich hebben getroost, spijtig.
G. VAN MEIJEREN, DIRKSLAND
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's