Een roeping die niet ophoudt
CONTINUÏTEIT EN CONSISTENTIE [2]
In dit artikel kijken we terug naar het verzet zoals dat gevoerd is tegen de inmiddels door de triosynode aanvaarde kerkorde en de voorliggende fusie. In welk kader stond dat verzet? Anders gevraagd: 'Wat is de grondlijn ervan? '
Kader
In 1980 stelde het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond op de jaarlijkse predikantenconferentie in januari Samen op Weg aan de orde. De toenmalig studiesecretaris, ds. C. den Boer, hield een lezing onder de titel 'Samen op Weg'. Hij verwoordt ernstige bezwaren tegen het proces van (toen nog) hereniging. De ELK was immers nog niet in beeld. Scherp benoemt hij de kritiek: 'Een dialoogkerk graaft haar eigen graf. Pluriformiteit mag er zijn, maar dan niet los van 'uniformiteit' in het belijden'. Hij spreekt van een 'sterke reductie van het bijbels en confessioneel gehalte'.
Ds. Den Boer komt dan tot de volgende conclusies:
'Veeleer hangt ons blijven in die kerk af van Gods verregaande verbondstrouw en van een ons geschonken ruimte om in gewetensvrijheid met het Woord daar te staan en te werken'.
'De Gereformeerde Bond heeft nooit kunnen instemmen met het kerkscheidende beginsel van afscheiding en doleantie. De diepste wortel daarvan (en van het blijven in de Nederlandse Hervormde Kerk) ligt in het geloof in de trouw-houdende Verbondsgod, die tot de uiterste grens gaat met 'Jan Rap en zijn maat'.
'En wij moeten onszelf niet wijsmaken, dat niet meegaan met de unie kan betekenen, dat wij op ons eentje de oude vaderlandse kerk kunnen voortzetten... Daarom zou het kunnen zijn, dat een meegetrokken worden in de fusie van de beide kerken behoort bij de kosten die wij uit kracht van het hervormd-zijn moeten betalen. Dat deze weg verkieslijk is boven een zelfstandig voortleven als (nieuw georganiseerde) kerk, die zogenaamd de voortzetting is van de vaderlandse kerk, willen wij nu reeds betuigen. Maar of deze verkieslijke weg begaanbaar is, zal zeker ook in sterke mate afhangen van de ons gelaten vrijheid om naar Gods Woord en met eer en geweten in de geünieerde kerk te leven. Onze roeping om hervormd te zijn en te blijven valt ons zwaar genoeg. Of wij zwaarder lasten moeten en kunnen dragen, dat weet God'.
Aangevochten uitgangspunt
Deze lezing vormde het vertrekpunt voor het beleid van het bestuur. De nadruk valt op de 'verregaande' trouw van God, de volle vrijheid om met het Woord van God in de kerk te staan, breken met de kerk wordt afgewezen, zelf de vaderlandse kerk voortzetten is een illusie. In de jaren die volgden, is dit uitgangspunt aangevochten. Van keer tot keer is ermee geworsteld. Vervolgstappen in het proces dat tot eenwording van kerken moet leiden, brachten ons tot uitspraken die niet steeds op een goudschaaltje werden gewogen, die in de concrete spanning tussen waarheid en eenheid van tijd tot tijd een zekere 'inconsequentie' meebrachten. Uitspraken die in het zoeken naar een begaanbare weg en in het verwoorden van onze ernstige bezwaren bij de synode tot misverstanden zouden kunnen leiden, als ze niet in hun verband worden gelezen. Maar, de grondlijn bleef! En die lag en ligt in het geloof in de God van het verbond. De trouw van de Heere houdt toch niet op bij de eenwording van kerken? Het Evangelie houdt daar toch niet op?
In de kerk staan
De jaren daarna werd de spanning groter en groter. We werden in onze kerkelijke betrokkenheid en liefde verscheurd. 'Zullen we een plaats blijven houden in de nieuwe kerk van de toekomst - als die er komt - omdat die in continuïteit is met de kerk der vaderen? Of komen we terecht in een kerk die de hervormd-gereformeerden - altijd gericht geweest op het recht van de confessie - niet meer dulden zal? '(de Waarheidsvriend 1984 nr. 4) In deze woorden is de spanning volop tastbaar. De Gereformeerde Bond staat voor een kerk die in continuïteit is met de kerk van de vaderen. Dat is een kerk die belijdt en haar belijdenis beleeft. Daar ligt juist ook de reden van het (voortbestaan van de Bond. En kritiek op de belijdenis, op het belijden wordt met argusogen bekeken en wordt getoetst aan de Schrift. De vraag is: 'Hoelang kunnen we - gericht op het recht van de confessie- blijven? ' Zolang we geduld worden, zegt het bovenstaande citaat. Anders gezegd: 'Zolang we er niet worden uitgeworpen'.
Daar komt ineens iets boven van het verlangen van Luther en de andere reformatoren. Ze wilden geen breuk met de kerk. Zij wilden in de kerk staan met de prediking van genade, van het kruis alleen, van Christus alleen, zolang ze werden geduld. Maar zij werden niet meer geduld. Hier klopt het hart van de roeping waarmee hervormd-gereformeerden zich altijd geroepen wisten in de kerk. Met het Woord van het kruis midden in dë crisis van de kerk, midden in haar verval en gebrokenheid. Die roeping kdh toch niet ineens ophouden? En we gelbveft toch nog in de kracht van het Woord? En in de kracht van de Heilige Geest?
Open brief
Gaat het dan niet om meer? Gaat het dan niet om heel de kerk? Ja om heel de kerk gaat het. Een kerk in 'continuïteit met de kerk van de vaderen'. Het verlangen bleef en blijft om de kerk op te richten uit haar verval.
Daarom bleef het geding met de kerk bestaan en werd het hartstochtelijk gevoerd. Voorbeelden daarvan zijn te vinden in de Waarheidsvriend van 1986 (nr. 45). 'Gaan deze gemeenten (die niet onder de Tussenorde vallen, GDK) op den duur de Hervormde Kerk dan voortzetten? ' Of: '... waardoor in feite de nieuw te vormen kerk zich afscheidt van de Hervormde Kerk in dit land'. Met het oog op de synodevergadering waar over 'de Intentieverklaring' en 'de Verklaring van overeenstemming' zou worden gesproken, zijn deze dingen geschreven in een Open brief.
Scherp en duidelijk zijn de bezwaren verwoord, is het recht van de gemeente verdedigd. Dat blijkt in de keuze van het woord 'afscheiden' wel het allermeest. Geeft de kerk haar belijdenis op, geeft ze die prijs dan is dat niet minder dan een afscheiding, een breuk met het verleden. Dat moet de
kerk weten! Zij maakt zich dan los van het spoor van de kerk van de laatste eeuwen, waarin zich heel de weg van de kerk der eeuwen weerspiegelt. Binnen de uitgezette kaders is dit met het woord afscheiden bedoeld. De woorden werden niet op een goudschaaltje gewogen. Misvattingen daarover leven tot op deze dag voort.
Maar we stellen ook de vraag: zat en zit er iets van een program in deze uitspraak? Nee! Hoe scherp en radicaal deze uitspraak ook is, hoe gemakkelijk deze woorden ook misverstanden oproepen. Dat willen we eerlijk onder ogen zien. Toch begint de brief met: 'Wij bidden dat, hoe de kerk zich ook ontwikkelen zal, de prediking naar de Schrift en naar de spreekregel van de belijdenis... voortgang zal mogen vinden. Onze hoop mag in deze onze zorg te boven gaan'. Heel de Open brief van dat jaar, 1986, is één oproep aan heel de kerk om in ootmoed en schuldbelijdenis terug te keren naar de Schrift, naar de belijdenis van de kerk. De briefis een uiting van vurige liefde voor de kerk, een uiting van een geding om de kerk te bewaren bij het gereformeerd belijden.
Ondertussen heeft die oproep ook vandaag niets aan kracht ingeboet. Door onderlinge spanningen mogen we het zicht op heel de kerk niet kwijtraken. Dat zicht is nodig voor kerkenraden, voor aanstaande dienaren van het Woord. Het herstel van heel de kerk bestaat niet in nieuwe structuren, maar in nieuwe kracht van Gods Geest en in een nieuwe gehoorzaamheid aan het Woord der waarheid. In een werkelijke terugkeer tot de bron haar gegeven: de Schrift.
Daaruit kwam én komt nog steeds ons protest tegen de voorliggende eenwording voort. Daaruit kwam én komt ons protest tegen het breken met de kerk evenzeer voort. Dan geven we haar prijs. Bent u er zeker van dat de Heere haar prijs zal geven? Kan Hij de ernstig gewonde en gebroken kerk niet meer genezen, denkt u? Juist van de prediking van de Schrift 'naar de spreekregel van de belijdenis' mogen we zegen verwachten voor heel de kerk. Omdat de Heere het verlorene zoekt. Omdat Hij bewogen en genadig is. Omdat Hij in de kerk samenwoont met zondaren.
Putten-1992
Na het aannemen van 'de Intentieverklaring' begon het traject voor de nieuwe kerkorde. Voor het hervormde model werd gekozen: een belijdende kerkorde, waarin het zicht op en het belijden aangaande de kerk en haar roeping worden verwoord. De verschijning van deze kerkorde was echter een bittere teleurstelling. Het grondslagartikel bevatte naast de gereformeerde belijdenisgeschriften ook de lutherse. Zelfs de Leuenberger Konkordie en de Barmer Thesen stonden erin.
Wij begrepen dat niet. Dit kan toch niet. Hoe spreken de Dordtse Leerregels en de Leuenberger Konkordie elkaar tegen! Dat is - op wezenlijke punten* onverenigbaar, en dat in het grondslagartikel. Zo kan de kerk geen belijdende kerk zijn. Daarom heeft het hoofdbestuur in september 1992 de ambtsdragersvergadering in Putten belegd. Het adagium vond in hervormd-gereformeerde beweging breed weerklank. 'We kunnen niet weg en we kunnen niet mee'. We kunnen ons niet losmaken van het geheel van de kerk, maar achten deze kerkorde een ondeugdelijke basis. Zo is het voort blijven leven in de gedachten en harten van velen. Daar is getuigd dat de weg van de kerk niet de weg van hervormd-gereformeerden is. Want, de ontwerpkerkorde 'kan de toets van de Schrift en de gereformeerde belijdenis niet doorstaan'.
Het uitgangspunt van Putten lag echter in Psalm 74. 'Heere, aanschouw het verbond'. Dat ootmoedig en vurig beroep op de trouw van God heeft altijd een centrale plaats in ons gebed voor de kerk én in ons spreken over de kerk. Ook in die jaren.
Isolement van beginsel
Wat dan? Hoe moeten we verder. Van de kerk kunnen we niet loskomen. In haar midden hebben we onze plaats ontvangen van de Heere. Met deze kerkorde kunnen we niet mee. Wat dan? Buiten de kerk komen? Nee, 'de weg van gereformeerde gezindheid buiten de vaderlandse kerk is geen begaanbare gebleken'. We ontwikkelen 'geen strategie'. 'Daaraan ligt ten grondslag onze afkerigheid van elk program...'. Zonneklaar klonk het 'nee' tegen de kerkorde. Er werd gesproken over 'de oud-hervormde weg'. Het gaat om gemeenten die hervormd blijven. En de vraag is opgeroepen: 'Maar wat zijn hervormde gemeenten zonder een hervormd kerkelijk verband? ' En over 'een kerkelijk kader om in het uitgezette spoor van de vaderen te blijven'. Wat wordt hier bedoeld? Het gaan van een eigen kerkelijke weg los van de kerk als SoW doorgaat? Daar heeft het op het eerste oog wel veel van weg. Maar even later lezen we dat het gaat om 'de plaats midden in het volk'. En nog nadrukkelijker: 'De plaats, waar onze roeping ligt, kan... niet die van het isolement zijn... dat leidt onherroepelijk tot gemeentelijke verknussing'.
'Maar wel ligt... in het isolement van ons gereformeerd beginsel... onze kracht'. 'Ook in de diepste momenten van onze Nederlandse Hervormde Kerk hebben onze vaderen geen program ontworpen. Ze hebben op God vertrouwd en zijn uitgeholpen.'
Over een breuk met de kerk wordt niet gesproken. Er wordt hier gezocht naar de manier waarop gemeenten werkelijk hervormd kunnen blijven, dat wil zeggen: verbonden aan het gereformeerd belijden. Dat is immers de kern van gereformeerd zijn binnen de Hervormde Kerk. Hier klinkt de strijd om het belijden in woorden die doen denken aan de religie van de belijdenis. Hier wordt onder woorden gebracht dat deze gemeenten elkaar nadrukkelijk nodig zullen hebben.
Kwetsbare opstelling
Deze bijeenkomst in Putten heeft een diepe indruk nagelaten. En op 22 januari van het jaar daarop was het hoofdbestuur te gast op de synode van de Hervormde Kerk om uit te leggen wat met 'Putten' is bedoeld. Ds. C. van den Bergh (voorzitter) zei daar: 'Zonder dat een program is gemaakt, is dan toch in Putten gezegd: synode, u krijgt ons niet weg van de plek die we de jaren door hebben ingenomen... strijdend om kerk-zijn naar Schrift en belijdenis... de plek die ons in deze kerk is gegeven'.
Ir. J. van der Graaf begon z'n toespraak met: Elke gedachte aan een program, hetzij voor afscheiding, hetzij voor een nieuwe doleantie, is daar verre gehouden... Het was in feite een kwetsbare opstelling, waarvoor in Putten gekozen werd'. En de weg die wordt gewezen, is de weg van 'diepe verootmoediging, met de bede om een waarachtig reveil' (de Waarheidsuriend 1993, nr. 4).
Wie na vele jaren deze dingen naleest, stuit opnieuw op de geestelijke pijn die het SoW-proces heeft opgeroepen bij hervormd-gereformeerden. Dit niet begeerde proces zet de kerkelijke liefde onder grote druk. Terugkijkend erkennen we dat bij geïsoleerde lezing van sommige passages het misverstand zou kunnen ontstaan, als zou de Gereformeerde Bond uiteindelijk wel uit de kerk weg willen. Waar wij dat gevoelen door onjuiste formuleringen hebben opgeroepen, betuigen we daarover oprecht spijt.
Anderzijds, wanneer de betreffende zinsneden in hun totale context worden gelezen (en dat is wat men natuurlijk altijd moet doen, en wat men van theologen zeker verwachten mag), is er voor dit misverstand, blijkens het bovenstaande, toch geen werkelijke aanleiding geweest.
Geen beter bodem
Gemeenten voelen zich 'meegenomen'. (de Waarheidsvriend 1993, nr. 4 p. 58) 'Intussen zijn we wel Evangeliebelijders. Daarom gaat het ten diepste'. Wij belijden het heilig Evangelie midden in kerkelijke gebrokenheid. Allerlei kerkelijke zekerheden moeten we loslaten. Maar we hebben van God het profetische Woord ontvangen. En dat is zeer vast! Ik weet geen beter bodem. Geen hechter grondslag.
G. D. KAMPHUIS, AMSTELVEEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's