Om zijns levenswil
[Lezen: 1 Koningen 19 : 1-7]
[Lezen: 1 Koningen 19 : 1-7]
Elia is voor het gevoel aan z'n eind. Hij heeft zogezegd de grens bereikt. Het is schokkend hem te zien liggen. Uitgeblust onder een jeneverstruik ergens in de'woestijn van Juda. Elia gelooft er niet meer in. In die Israëlische gemeenschap ziet hij het niet meer zitten. Moe en moedeloos zegt hij het ook biddend tegen God dat hij niet meer kan en niet meer wil. Wat moet ik daar in Israël nog doen? Het heeft totaal geen zin meer om je voor dat volk nog in te zetten. Het is genoeg, echt genoeg!
Is dat de profeet Elia? Je herkent hem nauwelijks.
Is dat nu de man die nog kort daarvoor zo'n vlammend getuigenis gaf van de HEERE? Nog geen 24 uur geleden heeft hij op de Karmel het geding tegen de Baal gevoerd. De strijd aangebonden met 450 heidense priesters. Hij stond daar in Gods kracht. Hij was zeker van Gods zaak.
Hoewel hij getalsmatig op de Karmel een minderheid was, sprak hij vrijmoedig van zijn God. Beleed hij, tegen alle andere belijdenissen in, de Naam van de HEERE. Een Naam, die zo heerlijk doorklinkt in zijn eigen naam Elia, dat is 'mijn God is de HEERE'. Twee namen, innig verbonden.
Elia was er zeker van dat de HEERE God is. Israëls God is. Daarom heeft hij gebeden en de verhoring bleef niet uit. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel.
En het vuur uit de hemel verteerde het offer.
De Karmel-gebeurtenis zou hem toch juist enorm moeten hebben bemoedigd en gesterkt?
Maar Elia is gevloerd. Hoe komt dat toch?
We lezen dat een ander mens daarmee te maken heeft. Izebel zit ertussen. Koningin Izebel is razend. Wat komt haar man Achab haar nu vertellen? Zijn haar priesters omgebracht? Izebel is gekrenkt in haar overtuiging. Woedend beraadslaagt ze als vorstin, in de lijn van vele koningen van de aarde, tegen de Heere en Zijn Gezalfde.
Elia krijgt per omgaande post. Een dreigbrief. Met echt levensbedreigende inhoud. Ze zweert hem te zullen doden. Het zal jou vergaan, zoals het mijn Baaipriesters vergaan is. Jouw leven heeft geen toekomst. Jij kunt het vergeten.
Dat zweert ze bij haar goden. U weet wel, die goden bij wie je het zogenaamde leven kunt ervaren. Bij wie je jezelf overgeeft aan het genieten van vitaliteit, kracht en schoonheid. Genieten zonder grenzen. Tegelijk goden die alles van je vragen. Tot verminking van jezelf toe. Goden die je laten zitten. Goden die je als het erop aankomt, laten roepen. Ontmaskerde goden.
Toch blijft Izebel, terwijl ze beter kan weten, de oude. Ze zweert bij de afgoden. Volhardend en verhardend.
De opmerkingen van Izebel komen hard aan. Het zijn deze mensenwoorden die Elia in beweging brengen. Hij brengt er niets meer tegenin. De roep: mijn God is de HEERE, die nog zo helder klonk op de Karmel, lijkt weggeëbd uit zijn hart.
Elia zet het op een lopen. Om zijn levenswil staat er. Ik ben in levensgevaar. Wegwezen, denkt hij. Hier houd ik het niet uit. Binnen die grenzen valt niet te leven. Elia voelt zich niet meer geroepen te getuigen te midden van dat volk dat Gods verbond heeft verlaten.
En zo komt hij in de meest zuidelijk gelegen plaats van die tijd, Ber-Séba. Aan de rand van de bewoonde wereld. Een plaats met een rijke geschiedenis. Want de aartsvaders hebben ook daar, waar je met de grenzen van het leven te maken hebt, de bemoedigende aanwezigheid van God ervaren. God daar gezocht, Hem aangebeden. En het is God geweest Die daar Zijn verbond vernieuwde.
Maar staande aan die grens vindt hij geen nieuwe kracht. En daarom passeert hij Ber-Séba en trekt de woestijn in. En komt na een dag moedeloos onder die jeneverstruik terecht.
Hoe komt dit? Is hij teleurgesteld dat zijn hooggespannen verwachtingen niet zijn uitgekomen?
Heeft hij, na dat verbroken Baaisaltaar en dat vuur van God uit de hemel, een grote reformatie verwacht, een verandering ten goede; een die er niet kwam? Hij dacht misschien dat het met dat groeiende aantal medestanders uit zou zijn met de heerschappij van Baal? Dat alle knie zich nu alleen zou buigen voor Israëls God. Ook Izebel zou buigen.
Maar dan te merken dat Izebel nog doorgaat. Dat ze de strijd voortzet... en dat God haar laat op haar troon.
Moe en moedeloos valt hij nog wat biddend in slaap.
Maar na verloop van tijd wekt de HEE- RE hem door middel van een engel, die hem voorzichtig aanraakt. Nee, geen harde klap om hem het leven te benemen.
De HEERE heeft zijn gebed gehoord, maar verhoorde het niet. 'Het is genoeg', bad hij. Maar de HEE- RE heeft nog meer werk, nog een verdere taak voor hem in gedachten. Binnen de grenzen van Israël nota bene. De HEERE zegt ook niet tegen Elia: 'En nu is het genoeg, nu wil Ik niet meer verder met je'.
Geen hardhandige verwijten. Barmhartig en vriendelijk is de HEERE.
Omdat er Eén zou komen en is gekomen, Die naar waarheid kon zeggen 'het is genoeg'... 'het is volbracht'.
Eén Die op grond van Zijn levenswerk het recht had om te zeggen: 'in Uw handen beveel Ik Mijn geest'. En de Vader, ziende de taak die Hij volbracht had, zei eveneens: Het is genoeg.
Omwille van het leven van Christus, dat Hij door duisternis en dood heen heeft verkregen, wil God een mens niet laten in zijn moedeloosheid en donkerheid. Ook Zijn volk niet.
Jezus Christus. Om Zijn levenswil, is er leven voor mensen. Leven..., dat is uitzicht, nieuwe kracht, een nieuwe taak.
De HEERE weet wat maaksel wij zijn. Daarom wil Hij voor ons zorgen. Zo komt Hij ook naar u toe. Naar allen die vermoeid, belast zijn. Moedeloos. En dat wil ik verstaan in de brede zin die de Schrift mij voorhoudt.
Moedeloos..., omdat je de lichaamskrachten mist om verder te gaan, om je werk te doen, om die omstandighe-den van vroeger en nu een plaats te geven.
Vermoeid, omdat woorden van mensen om u heen, als een loden last op u drukken, u alle levensruimte en levensadem benemen.
Moedeloos, misschien teleurgesteld, omdat die hooggespannen verwachtingen niet uitkwamen: samen als man en vrouw beleden 'de Heere is God, de Heere is God'.
Eerder bemoedigd en gesterkt bij de doop van je kind. Maar nu...?
Het zelf uitgeroepen voor in Gods huis dat er maar één God is voor wie je wilt buigen.
Maar wat woeden de machten om je heen en in je. Wat hebben ze een grip op je.
De HEERE onze God wil wakker maken. Er is nog werk te doen in Israël. Maar om dat te kunnen, hebben wfe Zijn aansterkende genademiddeleü nodig. Want anders zou die weg te veel zijn.
Daarover de volgende keer meer.
W. VAN VREESWIJK, BERGAMBACHT
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's