Geen vereniging van leden
DE PLAATSELIJKE GEMKENTE EN/IN HET GROTERE VERBAND
Kort geleden troffen mij twee mediaberichten, twee uitersten. Het eerste is een artikel in het oktobernummer van CV.Koers over de Rooms-Katholieke Kerk. Daarin komt naar voren dat de visie op de kerk en alles wat daaruit voortvloeit, het kardinale verschil uitmaakt tussen Rome en de Reformatie, ook vandaag nog. Voor rooms-katholieken is, aldus wordt kardinaal Simonis aangehaald, de kerk - en hij doelt op de Rooms-Katholieke Kerk- het sacrament van Christus, de voortgezette Christus op aarde. 'Daarom leggen wij de nadruk op de wereldkerk, de protestanten op de plaatselijke kerk'. De (wereld)kerk is één, de gemeenten (parochies) zijn ondergeschikte delen. Het tweede bericht stond in het Reformatorisch Dagblad van 8 oktober jl. Het kerkverband van de Southern Baptist Church in de Amerikaanse staat North Carolina heeft een hele plaatselijke gemeente buiten het verband gezet. Dit als sanctie op de beslissing van die gemeente om twee homoseksuele mannen te dopen en als belijdende leden te aanvaarden. Het is, aldus het krantenartikel, sedert 1992 al drie keer eerder gebeurd dat dit kerkverband een gemeente uit de kerk zet.
Uitgebreid bronnenonderzoek
Over deze problematiek, de verhouding tussen de plaatselijke christelijke gemeente en het grotere verband, is onlangs een studie verschenen van de hand van dr. mr. J. J. H. Post, met welke studie hij is gepromoveerd aan de Vrije Universiteit te Amsterdam (onder de titel Een sikkel in een vreemde oogst? , in boekvorm uitgebracht bij uitgeverij Groen). Post beperkt zich in hoofdzaak tot de Nederlandse Hervormde Kerk en heeft als ondertitel van zijn boek gekozen: 'De juridische verhouding tussen hervormde gemeenten en de Nederlandse Hervormde Kerk in het bijzonder bij kerkfiisie'. Een mijns inziens wat merkwaardige aanduiding, aangezien die verhouding bij kerkfiisie niet anders is dan zonder kerkfusie (in het proefschrift wordt ook niet anders beweerd). Door die toevoeging in de ondertitel lijkt de studie speciaal gericht te zijn op het Samen op Weg-proces. De indruk wordt gewekt dat de dissertatie op een doelredenering berust - en ik moet zeggen dat lezing van het boek die indruk niet zonder meer wegneemt. Dat doel is dan om, enkele maanden vóór de definitieve besluitvorming in het kader van Samen op Weg, aan te reiken dat gemeenten de kerkrechtelijke en civielrechtelijke vrijheid hebben om zich als zodanig - dus met medeneming van de goederen en de leden- te onttrekken aan de komende kerkvereniging. Maar, vraag ik mij af, zou het gevolg van deze publicatie dan niet kunnen zijn dat deze scheuringen bevordert? Post heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar de verhouding van kerk en gemeente in de loop van de eeuwen, in het bijzonder ook gericht op het beheer van de kerkelijke goederen, en het is erg interessant en leerzaam daarvan kennis te nemen. Hoewel het meeste wat Post naar voren brengt, niet nieuw is, is het goed dat dit weer eens 'op een rijtje' is gezet, met een juridisch insteek. Temeer daar een uitgebreid bronnenonderzoek ten grondslag lig aan zijn studie. Ik beperk mij tot een kort overzicht van de inhoud en tot een (al te) summier commentaar op de conclusies ten aanzien van Samen op Weg, die volgens de auteur gebaseerd zijn op hetgeen onze kerk van 1951 tot nu toe voorstaat, maar daardoor mijns inziens niet gedragen worden.
De kerk van de Reformatie
Post schetst allereerst hoe de situatie in de Nederlanden ertoe leidde dat plaatselijke gemeenten werden gesticht naar calvinistisch model, dat wil zeggen met de nadruk op het ambtelijke bestuur van de gemeente, de kerkenraad. De kerkenraden sloten zich aaneen en vormden (provinciale en algemene) synoden, die (dus) slechts gedelegeerde bevoegdheden hadden. Een presbyteriale kerkstructuur was, aldus Post, het gevolg: de gemeente is zelfstandig en autonoom, de synode heeft wel bevoegdheden die de kerk binden, maar er zijn begrenzingen en zodra de synode daarbuiten treedt, is de gemeente niet gebonden. Dit is vastgelegd in de door de synode van Dordrecht vastgestelde kerkorde. Vervolgens wordt beschreven hoe deze lijn ook na 'Dordt', tot in de Franse tijd, wordt voortgezet. Daarbij worden onder meer Voetius en Hoornbeek aangehaald (aan de laatste ontleent Post de titel van zijn proefschrift; Post citeert van Hoornbeek juist de passage waarin deze de onafhankelijkheid van de plaatselijke gemeente aangeeft, maar niet waar hij een congregationalistische kerkopvatting bestrijdt, de opvatting dat meerdere vergaderingen geen enkele macht over de gemeenten hebben). Een blijk hiervan was de Zwolse kwestie rond ds. F. van Leenhof, die naar het oordeel van provinciale synoden ketterse denkbeelden verkondigde. Toen de kerkenraad, gesteund door de Staten van Overijssel (de overheid had nog een grote zeggenschap in kerkelijke zaken), hem de hand boven het hoofd hield, werd die in de ban gedaan en de gemeente van Zwolle in 1709 in praktische zin buiten het verband gezet.
Eigendom en beheer
Post ruimt een belangrijke plaats in voor een bespreking van de vraag hoe in de financiële behoeften van de kerk was voorzien. Net als vóór de Reformatie ontfermde de - gereformeerd geworden- overheid zich over de kerkelijke goederen en zorgde deze voor het beheer ervan. Dat dit tot spanningen met de 'geestelijke overheid' (de predikanten en de kerkenraden als geheel) kon leiden en leidde, laat zich denken. De Franse overheersing bracht (formeel) de scheiding van kerk en staat. De hervormde gemeenten moesten voortaan zelf hun financiële zaken behartigen en op verschillende plaatsen met andere plaatselijke gemeenten van andere kerken in het krijt treden over het gebruik van onder meer het kerkgebouw.
In de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw leefde de kerk onder het Algemeen Reglement van 1816 (herzien in 1852), waarbij de kerkelijke structuur volstrekt anders was dan daarvoor. Plaatselijke gemeenten waren nu afdelingen van de landelijke kerk en niet meer zelf'de kerk ter plaatse'. De gemeenten stonden volledig onder het synodaal gezag (hier en daar ook wel 'juk' genaamd). In een gedeelte over de Afscheiding van 1834 lijkt Post iets anders te zeggen met de opmerking dat 'enkele van de NHK onafhankelijke kerkelijke gemeenten' hun bestaan buiten de NHK voortzetten. Daarmee suggereert hij dat gemeenten in 1834 onafhankelijk waren en als zodanig afscheidden en hun bestaan voortzetten. Net zo min als in 1886 (Doleantie) was dat echter het geval. Predikanten en gemeenteleden (met inbegrip van ambtsdragers) verklaarden dat zij geen gemeenschap meer wilden hebben met de Ned. Herv. Kerk. Zij verloren dan ook, zoals Post overigens terecht opmerkt, alle aanspraken op kerkelijk bezit. Om historisch begrijpelijke redenen viel het beheer van de gemeentelijke goederen buiten de nieuwe kerkordening. De gemeenten hadden ondertussen -na de nodige processen- de eigendom van de kerkelijke goederen gekregen. Het beheer daarover werd plaatselijk verricht, door kerkvoogden, zij het onder overheidstoezicht. Rond 1870 meende de rijksoverheid dat dit maar eens afgelopen moest zijn. De kerk moest verder zelf voor het beheer verantwoordelijk zijn. Het wekt geen verbazing dat de synode vervolgens meende dat dit haar aanging. Zij stelde een beheersreglement op, op grond waarvan de plaatselijke gemeenten het beheer uitoefenden onder toezicht van provinciale organen. Aan de gemeenten werd de keus gelaten het beheer wel of niet op deze wijze te gaan uitoefenen. Van de ongeveer twaalfhonderd gemeenten kozen vierhonderd ervoor het beheer geheel zelfstandig, dus buiten het toezicht van de kerk uit te oefenen (na 1951 aangeduid als 'oud toezicht'). Binnen de gemeenten viel het beheer het college van kerkvoogden toe. Vele rechtsgedingen werden gevoerd over de vraag of de omslag naar eigen beheer in de gemeente wel op de juiste wijze had plaatsgevonden. Ik miste in het boek een beschouwing over de plaats van de kerkvoogden. Waarom was het vanzelfsprekend dat rond 1870, toen de overheidsbemoeienis verdween en het kerkelijk beheer aan de gemeente 'verviel', dit aan het college van kerkvoogden toekwam? Waarom niet aan de kerkenraad?
Samen op Weg
In 1951 werd de structuur van de Ned. Herv. kerk wederom ingrijpend gewijzigd. Post meent zelfs dat dit net zo
fundamenteel was als in 1816 en dat min of meer de situatie van vóór die tijd werd hersteld: de presbyteriale kerkvorm. Ik citeer: 'Het staat (...) vast dat de NHK met ingang van 1951 weer een presbyteriale kerkorde heeft en dat men uitdrukkelijk afstand wenste te nemen van het collegialistische AR 1852 met zijn hiërarchische besturenkerk'. Hij ontleent dit in het bijzonder aan artikel I van de Kerkorde. De Ned. Herv. Kerk zou zo uit de gemeenten zijn opgebouwd dat deze laatste zelfstandig en autonoom zijn. Zelfs zo zelfstandig dat ze met medeneming van bezit en leden kunnen uittreden. Daarbij worden dan passages van uitspraken van het gerechtshof te Den Haag in de vrij-beheerskwestie aangehaald.
Dit laatste vind ik niet terecht, daar deze uitspraken niet bedoeld zijn en ook niet gelezen kunnen worden als ondersteuning van de gedachte dat een gemeente als zodanig, bij meerderheidsbesluit van de kerkenraad, zou kunnen uittreden. Integendeel, ik concludeer uit de uitspraken eerder het omgekeerde: de gemeenten zijn gebonden aan de kerkorde en aan synodale besluiten die kerkrechtelijk op de juiste wijze tot stand zijn gekomen. Ikheb geen reden om aan te nemen dat dit ten aanzien van de besluitvorming rond Samen op Weg anders zal zijn. Post vergelijkt de kerk en de gemeenten met een vereniging (association) en leden. Maar, zoals in het - door Post bestreden- synodale rapport Om de eenhad en heelheid van de kerk (maart 2001) met kracht van argumenten wordt verdedigd, onze kerk is niet een vereniging van leden (gemeenten), maar een organisch geheel waarbinnen de gemeenten zelfstandig leven en werken. Ze zijn niet autonoom; ze zijn ge- en verbonden aan en met elkaar en vormen zo de bouwstenen van (een deel van) de kerk in Nederland. Dat is de presbyteriaal-synodale kerkvorm, die in artikel I is neergelegd.
Het boek van Post heeft mij in het geheel niet ervan kunnen overtuigen dat de opstellers van de kerkorde van 1951 en de synode die deze aanvaardde, voor ogen heeft gestaan dat zij nu een kerkelijke structuur in het leven riepen die het mogelijk maakte dat gemeenten de vrijheid zouden hebben om als zodanig uit het verband te treden. Daarvoor ging hun die kerk te zeer aan het hart. Zij hebben oprecht een weg gezocht tussen een volstrekt hiërarchisch synodaal stelsel (het al genoemde synodale 'juk') en een minder of meer independistische opvatting, waarbij kerken onafhankelijke leden zijn van een vereniging van kerken (gemeenten) en de band naar believen kunnen doorsnijden.
Kortom, het boek geeft enerzijds een heel interessant overzicht van de verhouding tussen de plaatselijke hervormde gemeente en de landelijke Ned. Herv. Kerk, gebaseerd op een gedegen bronnenonderzoek, maar is anderzijds mijns inziens allesbehalve overtuigend in zijn conclusie dat in 1951 een kerkorde van kracht is geworden die het mogelijk maakt dat gemeenten als zodanig zonder juridisch bezwaar kunnen afscheiden. Integendeel, het is de bedoeling geweest een zorgvuldig evenwicht te scheppen door de kerkordelijke structuur zo te maken dat enerzijds de zelfstandigheid van de kerkelijke gemeente gewaarborgd zou zijn en dat deze ten volle kerk van Christus zou zijn, en anderzijds dat de band met de andere gemeenten en de kerk als geheel zo zou zijn dat geen sprake was van autonomie en daarmee ook niet van het recht de eigen weg te gaan, los van de kerkorde.
D. G. VAN VLIET, WILNIS
N.a.v. mr. J. J. H. Post Een sikkel in een vreemde oogst? De juridische verhouding tussen hervormde gemeenten en de Nederlandse Hervormde Kerk in het bijzonder bij kerkfiisie. Uitg. Groen, Heerenveen; 278 blz.; € 24, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's