De gemeente als gemeenschap
...DOET DIT TOT MIJN GEDACHTENIS [L]
Aan de hand van een gedeelte uit de eerste versie van de Institutie (1536) van Johannes Calvijn wil ik nagaan welke betekenis de viering van het avondmaal kan hebben voor de versterking van de geloofsgemeenschap. De redenen die ik daarvoor heb, zijn tweeërlei. De eerste reden is dat de christelijke gemeente niet altijd als een gemeenschap blijkt te functioneren. Dat kan onder meer worden opgemaakt uit een artikel van de orthopedagogen M. J. A. Egberts en J. Stolk, waarin ze de uitkomsten bespreken van een onderzoek dat is gehouden onder ouders van een verstandelijk gehandicapt kind. Een van die uitkomsten is dat ouders wel hun geloof met de andere leden van de gemeente kunnen delen, maar niet hun zorgen. Het is een uitkomst die de vraag oproept of de gemeente wel als gemeenschap functioneert?
De tweede reden is dat met behulp van de opvatting dat de viering van het avondmaal kan bijdragen aan de versterking van de gemeenschap, een impuls kan worden gegeven aan een kritisch nadenken over onszelf in relatie tot de andere leden van de gemeente. Zoals bekend dienen de sacramenten, aldus de Heidelbergse Catechismus, ter versterking van het geloof.
Onderlinge liefde
Calvijn boort dieper. Hij maakt namelijk aannemelijk dat de viering van het avondmaal evenzeer dient ter versterking van de onderlinge liefde en de gemeenschap met elkaar. Het nadenken over de viering van het avondmaal en het zelfonderzoek, dat daaraan voorafgaat, kan ons dus niet alleen helpen bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre we werkelijk geïnteresseerd en betrokken zijn op (het leed van) de ander, maar ook bij de beantwoording van de vraag of we metterdaad bereid zijn om ons te (blijven) oefenen in de liefde en de gemeenschap met elkaar. Tijdens de viering van het avondmaal gaat het namelijk niet alleen om de gemeenschap met Christus, maar ook om de gemeenschap die we in Hem met elkaar hebben, of, om het met de woorden van Calvijn nog iets scherper te formuleren:
'Wij kunnen ons niet van de broeders [en zusters; AR] scheiden, zonder ons tegelijk van Christus te scheiden. Christus kan door ons niet bemind worden, zonder dat wij Hem in de broeders [en zusters] beminnen.' (159)
Met deze uitspraak maakt Calvijn duidelijk dat geloof, moraal en gemeenschap niet van elkaar te scheiden zijn. Evenmin is de verbondenheid, de solidariteit met elkaar los te zien van onze gemeenschap met Jezus Christus, want
"... zo dikwijls wij deel krijgen aan het teken van het lichaam van Christus, verbinden wij ons wederkerig jegens elkaar.' (163)
Calvijn achtte het niet voor niets wenselijk dat het avondmaal 'zeer dikwijls en minstens iedere week' zou worden gevierd!
Verantwoordelijkheid
De viering van het avondmaal kan ons niet alleen inspireren, maar ook aanzetten tot daden. Ze bepaalt ons namelijk op een bijzondere wijze bij de genade van God en de betekenis die deze heeft voor het leven van alledag. Zo wordt tijdens het nemen en het eten van het brood duidelijk dat de genade van God ons niet passief maakt. Ze bepaalt ons bij de verantwoordelijkheid die we, als leden van de gemeente, voor elkaar hebben.
Het is de bedoeling om in de derde aflevering nader in te gaan op onze verantwoordelijkheid. Dat doe ik door de verantwoordelijkheid in verband te brengen met de liefde, die ik in samenhang zie met de zelfverloochening, waarin het 'ik' niet meer centraal staat, maar volkomen is gedecentraliseerd. Door op zoek te gaan naar de morele betekenis van het zelfonderzoek en het nadenken over het nemen en eten van het brood worden mede de grondslagen van de gemeente blootgelegd. Het avondmaal is, aldus Herman •Ridderbos (in zijn bekende boek over Paulus).
'... geen persoonlijke aangelegenheid tussen de afzonderlijke gelovige en Christus. Het is een verbondsmaal, gemeente-maaltijd bij uitnemendheid. En het wijst als enige grond van deze gemeenschap tussen God en zijn volk
In deze serie van drie afleveringen maak ik gebruik van de vertaling van de Institutie 1536. Onderu/jjs in de christelijke religie, Kampen 1992, van Johannes Calvijn. Het betreft hier de vertaling van W. van 't Spijker, waarbij het vierde hoofdstuk en met name de bladzijden 158 tot en met 163 als uitgangspunt dienen. De bladzijden van deze vertaling staan tussen haakjes vermeld achter de geciteerde passages.
en van de eenheid van de gemeente het door Christus gebrachte offer, de in zijn bloed plaatsgevonden verzoening aan.'
De verzoening, de ervaring van de door God geschonken genade, het leven vanuit de herstelde gemeenschap met God werpt een geheel eigen licht op het verstaan van onze verantwoordelijkheid. Met name wanneer tijdens de viering van het avondmaal duidelijk aan het licht komt dat onze verantwoordelijkheid niet kan worden losgezien van onze betrokkenheid op de ander, omdat ze elkaar veronderstellen.
Betrokkenheid
Om onze verantwoordelijkheid voor de ander scherper voor ogen te stellen, roep ik de woorden van Jezus in herinnering, namelijk 'dat wat gij aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij aan Mij gedaan' (Matth. 25 : 40). Deze woorden staan in schril contrast met de dikwijls onverschillige houding die we als leden van de gemeente naar elkaar toe innemen, zonder ook maar één moment stil te staan bij de diepte en de reikwijdte van deze woorden. En dan is er nog niet eens gesproken over de bijbelse opdracht om op elkaar toe te zien, om zorg voor elkaar te dragen; hiermee kunnen we uitdrukking geven aan onze betrokkenheid op de ander. Een belangrijke reden om op elkaar toe te zien is dat er bij de ander 'geen wortel van bitterheid opschiet' (Hebr. 12:15).
Met behulp van de door Emmanuel Levinas ontwikkelde idee dat er een appèl uitgaat van 'het gelaat van de ander', is het mogelijk om de betekenis van de betrokkenheid op de ander extra te benadrukken. De reden daarvoor is dat de verantwoordelijkheid, aldus Levinas, in oorsprong niets anders is dan er 'voor de ander' zijn. Het tegendeel van het 'er zijn voor anderen' is het 'niet beschikbaar zijn' voor (de) ander (en).
De filosoof Gabriel Marcel sprak reeds in 1935 over 'het in toenemende mate 'niet-beschikbaar' zijn van de gehele moderne wereld'. Het is een ontwikkeling die evenmin aan de leden van de gemeente voorbij is gegaan. De constatering van het 'niet-beschikbaar zijn' geeft een aannemelijke verklaring voor het probleem dat in het onderzoek van Egberts en Stolk aan de orde is gesteld, namelijk dat de ouders van een verstandelijk gehandicapt kind met hun vragen van levensbeschouwelijke aard niet terechtkunnen bij de andere leden van de gemeente. Ze deden daarom een beroep op een maatschappelijk werker. Het is een situatie die op z'n minst de vraag oproept, of we als leden van de gemeente, in onze houding ten opzichte van elkaar, niet meer overeenkomsten vertonen met het antwoord en de onverschillige houding van Kaïn (Gen. 4 : 9) dan met één van de daden van betrokkenheid van bijvoorbeeld Jezus (Joh. 5:5-8). In ons spreken over verantwoordelijkheid kunnen we niet voorbij gaan aan de diepere en bovenal bijbels geïnspireerde motivatie van onze betrokkenheid, namelijk de liefde. Leven uit de liefde is een uittreden uit onszelf naar anderen toe. Dat heeft als consequentie dat we niet langer door onszelf in beslag worden genomen, maar dat we er willen zijn voor (die) ander(en).
Zelfkennis en genade
Om uitdrukking te kunnen geven aan onze betrokkenheid op de ander, is het belangrijk dat we in ons spreken over menselijke relaties de wereld betreden waarin anderen leven, met een andere leef- en belevingswereld, die ons dikwijls niet eigen is. Het leven van ouders van een verstandelijk gehandicapt kind en de zorgen die ze aangaande (de toekomst van) hun kind (kunnen) hebben, dienen als voorbeeld. Hierbij kunnen we niet voorbij gaan aan het feit dat ouders, na de geboorte van hun gehandicapte kind, een strijd (kunnen) kennen in zichzelf, om enerzijds de zwakzinnigheid van hun kind zelf en hun kind zelf te aanvaarden, en anderzijds om zichzelf te aanvaarden als ouders. Het is een opgave die alles behalve eenvoudig is, omdat daaraan meestal vragen ten grondslag liggen als:
- Kan ik aanvaarden dat ik dit kind verwekt heb en ter wereld heb gebracht? - Wil ik mijn leven met een gehandicapt kind delen? - Ben ik in staat voor dit kind te zorgen en het op te voeden?
Onze betrokkenheid op de ander ordt concreet, wanneer we als leden an de gemeente bereid zijn om elkaar metterdaad te (onder)steunen. Hierbij dienen we ons wel te realiseren dat wie zorg, hulp of dienst verleent aan de ander, de wereld van die ander niet heeft als object, omdat we zelf tot de wereld van die ander zijn gaan behoren. Het leven uit de genade kan onze betrokkenheid op de ander intensiveren, omdat:
'Wie zelf aangenomen is, zoals hij [of zij; AR] is, kan ook de medemens in zijn of haar eigenheid aanvaarden. Niet omdat die goed en beminnelijk is, maar omdat hij of zij door God bemind en beminnenswaardig gemaakt werd.'
Gisbert Greshake legt met deze uitspraak een interessant verband tussen het leven uit de genade en de omgang met de ander, en in hem met God. Met dit verband maakt hij duidelijk dat de genade ons niet tot passiviteit beweegt, maar ons ten sterkste aanzet tot een vrij te geven antwoord. Hierin klinkt iets door van het nieuwe begin en de nieuwe bekwaamheid, dat met het leven uit de genade is gegeven. Een serieuze 'doorstart' is immers mogelijk (gemaakt). Het is een situatie die we als leden van de gemeente, voor wat betreft de dienst aan God en de medemensen, kan aanzetten tot het aanwenden van onze (ver)nieuw(d)e vrijheid. Het leven uit de genade leidt tot een andere wijze van verstaan van onszelf en de ander en veronderstelt een leven in verbondenheid met die ander(en).
Het deelhebben aan de liefde, de genade van God, heeft niet alleen betekenis voor onze persoonlijke relatie met God en de intermenselijke relaties in het algemeen, maar ook voor onze waardering van mensen die in de ogen van de wereld niets kunnen 'presteren' zoals de gehandicapte en de zwakke, de oude en de zwakzinnige. Zo is Gisbert Greshake bijvoorbeeld van mening dat:
'Wie zichzelf ziet als iemand die zijn lege handen als een kind naar God uitstrekt, vol vertrouwen dat God ze genadig zal vullen, die zal ook tegenover andere mensen niet de rol van een aanmatigende rechter spelen. Integendeel, hij zal bescheidenheid, solidariteit en broederlijkheid tot stand trachten te brengen.'
A. A. W. J. RIETMAN, KAMPEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's