De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Blijvende zorg voor de ander

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Blijvende zorg voor de ander

...DOET DIT TOT MIJN GEDACHTENIS [2]

9 minuten leestijd

De viering van het avondmaal Onze verantwoordelijkheid krijgt in de ontmoeting met Jezus Christus, die tijdens de viering van het avondmaal niet zichtbaar aanwezig is, een extra dimensie. Het is een dimensie die doortrokken is van de genade die nagenoeg geheel samenvalt met dat wat Jezus voor ons en in onze plaats heeft gedaan. De ervaring van de genade, van het door God geschonken heil, maakt het mogelijk om onze verantwoordelijkheid dieper te peilen, omdat we tijdens de viering van het avondmaal (gaan) beseffen dat de begenadigde ' mens de mens is die tot liefde in staat is gesteld. Het is deze (geschonken) liefde die bepalend is voor onze betrokkenheid op de ander, die steeds weer opnieuw gestimuleerd en geactiveerd dient te worden. Er bestaat dan ook, aldus Calvijn, geen grotere prikkel om de wederzijdse liefde op te wekken, dan dat:

'... Christus, terwijl Hij zichzelf aan ons schenkt, ons niet alleen door zijn voorbeeld uitnodigt om ons wederkerig aan elkaar te wijden en over te geven, maar ook, voor zover Hij zich aan allen tot gemeengoed maakt, bewerkt dat ook wij allen in Hem zelf één zijn.' (159)

Met deze uitspraak maakt Calvijn duidelijk dat het 'in Christus' zijn van fundamentele betekenis is voor het verstaan van de leden van elkaar, waardoor wezenlijke aspecten van het christelijke leven ter sprake gebracht kunnen worden, zoals het 'in Christus' sterven (1 Thes. 4 : 16; 1 Kor. 15 : 18) en het 'met Christus' weer lerend gemaakt worden (1 Kor. 15 : 22). Deze teksten maken duidelijk dat geen ïnkel lid op zichzelf kan (be)staan óf zijn of haar bestemming in zichzelf can hebben of vinden. Het is een leven lat met Christus verborgen is in God Kol. 3 : 3) en eens zal deel krijgen aan le goddelijke natuur (2 Petr. 1:4). Dm meer zicht te krijgen op het funcioneren van de gemeente als gemeenchap, besteed ik eerst aandacht aan iet nemen en het eten van het brood, > m vervolgens stil te staan bij het zelfmderzoek.

Het nemen en het eten van het brood De bijbelse notie 'dit is mijn lichaam' (Matth. 26 : 6) is cruciaal voor het spreken over de morele betekenis van de viering van het avondmaal. Het nemen en het eten van het brood zijn de meest uitgesproken momenten waarop we op een concrete wijze worden bepaald bij hetgeen Jezus voor ons en in onze plaats heeft gedaan, en dat door diens dood het leven in gemeenschap met God weer mogelijk is (gemaakt). Belangrijk in dat spreken is dat niet het brood als zodanig, maar de wijze waarop dat wordt gebroken, uitgedeeld en gegeten, het teken is van het gebeuren van Jezus' zelfovergave aan ons. Deze overgave geeft ons niet alleen te denken, maar reikt ook verder dan het gedenken van hetgeen Jezus voor ons heeft gedaan. Het gaat erom dat deze zelfovergave morele navolging krijgt in het geheel van de gemeente.

Om de woorden 'dit is mijn lichaam' te kunnen betrekken op onszelf en onze verantwoordelijkheid voor de andere leden van de gemeente, kunnen we niet voorbijgaan aan het spreken over de gemeente als 'lichaam van Christus' (Ef. 4 : 16). Beide bijbelse noties vertegenwoordigen namelijk een geheel eigen werkelijkheid, die elkaar niet alleen veronderstellen maar ook versterken. Zo worden de leden van de gemeente bij de woorden 'dit is mijn lichaam' op een bijzondere wijze bepaald bij de realiteit dat ze als 'lichaam van Christus' slechts 'in Christus' kunnen bestaan. Het nemen en het eten van het brood bepaalt ons niet slechts bij het verbroken lichaam van Jezus, maar ook bij de onderlinge verbondenheid die in Christus aanwezig is en die de leden van de gemeente met elkaar (dienen te) hebben.

Eikaars lasten dragen

De betrokkenheid op en de verbondenheid met elkaar kan dan ook geen ander gevolg hebben dan het dragen van de lasten van elkaar (Gal. 2:6). De betrokkenheid, de zorg voor elkaar is een sleutel tot het verstaan van onszelf, de ander en elkaar. Spreken over zorg is niet goed mogelijk als deze niet haar oorsprong heeft in de liefde, want de liefde betrekt ons 'zelf' op de ander, zoals die werkelijk is. Het is het aanvaarden van die ander, zonder voorwaarden vooraf (aan zijn of haar 'kwaliteiten' van bestaan) te stellen. Het is tegelijk een zich onvoorwaardelijk beschikbaar stellen voor die ander. Op deze wijze kan er een invulling worden gegeven aan het eerste en het grote gebod, namelijk dat je de ander zult liefhebben als jezelf, of, om het met een passage uit de eerste versie van de Institutie van Calvijn te formuleren: 'De zorg die wij aan ons eigen lichaam besteden, dienen wij ook te betonen aan de broeders, die leden zijn van ons lichaam. En evenals geen enkel deel van ons lichaam door enig gevoel van pijn kan worden aangedaan, zonder dat dit zich over de andere delen verbreidt, zo is het net zo ondragelijk dat aan een broeder enig kwaad wordt aangedaan, zonder dat wij zelf ook door medelijden met hem worden geraakt.' (159) Met deze uitspraak wordt de oproep om de lasten van elkaar te dragen een stuk indringender, omdat we tijdens het nemen en het eten van het brood niet voorbij kunnen gaan aan de tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal. Belangrijk in dezen is niet alleen dat Christus ons met elkaar verbindt, maar ook in het gelaat van de ander aanwezig is. (vgl. Matth. 25 : 34-40).

Zelfonderzoek

Er bestaat een zeker verband tussen het nemen en het eten van het brood en het zwaartepunt dat in ons leven is verlegd. Dat zwaartepunt ligt niet meer in onszelf, maar in Christus (Gal. 2 : 20), die ons telkens weer voedt met het gebroken brood en het vergoten bloed. Hij is immers ons leven (geworden), zonder wie we niet (meer) kunnen leven. Dat wordt ons tijdens de viering van het avondmaal voor ogen gesteld. Christus is dan een levend heden in de bijzondere tekenen van brood en wijn, die ons zijn gegeven en die ons niet alleen telkens weer opnieuw 'uitnodigen' om zijn liefde te ontvangen, maar ook om die te beantwoorden.

Het zelfonderzoek is daarom onontbeerlijk. Het gedenken van de dood van Jezus kan ons niet alleen bewust maken, maar ons ook aanzetten tot een (ver)ander(d)e houding. Calvijn acht het niet voor niets wenselijk dat tijdens het zelfonderzoek:

'... een ieder in zichzelf zou afdalen, bij zichzelf zou overwegen of hij met een hartelijk vertrouwen Christus als zijn Zaligmaker erkent, en of hij met de belijdenis van de mond Hem aanvaardt; en ook of hij bereid is om naar het voorbeeld van Christus zich aan zijn broeders te geven, en gemeenschap te oefenen m hen van wie hij weet dat zij met Christus ge meenschap hebben. Hij moet zich ajvra^en of hij, evenals hij door Christus is aanvaard, zo ook op zijn beurt alle broeders [en zuster AR] als leden uan zijn lichaam tuil aanvaarden, en of hij hen begeert te koesteren, be schermen en helpen.' (160)

Armen, zwakken, lijdenden

Omdat tijdens het zelfonderzoek ons geloof en liefde (voor elkaar) worden beproefd, wordt ons enerzijds de spiegel van de genade voorgehouden, terwijl we anderzijds worden bepaald bij de mogelijkheid dat we Christus in het gelaat van de ander kunnen ontmoeten. Het geloof in Jezus Christus staat dan ook niet op zichzelf. Ze heeft evenzeer haar weerslag op onze moraal met betrekking tot de omgang en de liefde voor elkaar. De liefde is onontbeerlijk om beschikbaar te kunnen zijn en blijven voor (de) ander(en) en een positieve waardering van elkaar. Zo kan met Hènk ten Have niet alleen worden betoogd dat in ethisch opzicht de liefde vooral wordt gezien als beschikbaarheid voor de ander, maar ook worden benadrukt dat we '... in de ander het beeld van God moeten ontdekken. Dat geldt niet zozeer op gemakkelijke wijze voor de ander waarmee we gewoonlijk verkeren, voor anderen die we mogen, of met et wie we uit allerlei hoofde relaties heb- - ben. Het is eerder een ongemakkelijke opdracht, omdat ze zich in het bijzonder uitstrekt tot anderen over wie we ; het liefst in abstracto praten; armen, zwakken, lijdenen, vernederden, ster- - venden: in hen zouden we bij uitstek het gelaat van Christus moeten zien.' De aanwezigheid van mensen met het Syndroom van Down aan de tafel (tegenover of naast ons zittend), al dan niet begeleid door hun ouders, kan ons op een indringende wijze erbij bepalen dat het avondmaal, zoals Calvijn dat heeft verwoord,

'... geen instelling [is] voor volmaakten, maar voor zwakken en gebrekkigen, om hetgeen nog aan het geloof en de liefde ontbreekt, op te wekken, aan te sporen, te prikkelen en te oefenen.' (163)

Waardering van de ander

Het is daarom niet alleen belangrijk dat we op een eerlijke wijze omgaan met onze eigen zwakheden, maar ook dat we ons proberen in te leven in bijvoorbeeld de zorg die ouders van een (verstandelijk) gehandicapt kind (hebben te) geven. Zonder liefde, zonder de zelfovergave van die ouders, is die zorg niet goed mogelijk. Hun liefde kan mede daarom worden gekarakteriseerd als een 'aangevochten liefde', die om standvastigheid vraagt. Het gaat daarin niet alleen om een blijven volharden in het voortdurend beschikbaar zijn voor die (zorg aan die) ander, maar ook om het telkens weer opzij zetten van de eigen belangen. Op momenten van aanvechtingen is het daarom belangrijk dat die ouders worden ondersteund.

De viering van het avondmaal is, gezien de opvattingen van Calvijn, een middel om te blijven volharden in de zorg voor de ander en in het (blijven) omzien naar elkaar. Op deze wijze kan er gehoor worden gegeven aan het appèl dat niet alleen uitgaat van het avondmaal, maar ook van het gelaat van de ander, die ons op een directe wijze bepaalt bij de gebrokenheid van het bestaan. Daarnaast kan worden gesteld dat tijdens de viering van het avondmaal niet alleen zichtbaar wordt gemaakt wat het betekent om van genade alleen te leven, maar ook wat voor een uitwerking dat heeft op de omgang met elkaar en onze waardering van de ander(en), want:

'Wie ermee rekent dat zijn eigen leven niet wezenlijk door prestatie en succes wordt bepaald, ook zijn medemensen niet [zal] beoordelen en behandelen naar prestatie en succes, naar functie en producties. Hij zal ook juist die mens als ontvanger van de goddelijke liefde beschouwen en eren, die in de ogen van de wereld niets kan 'presteren', de gehandicapte en de zwakke, de oude en de zwakzinnige.'

A. A. W. J. RIETMAN, KAMPEN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Blijvende zorg voor de ander

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's