De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Elkaar blijvend liefhebben

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Elkaar blijvend liefhebben

...DOET DIT TOT MIJN GEDACHTENIS [3]

12 minuten leestijd

Leven in afhankelijkheid

Het zelfonderzoek dat aan de viering van het avondmaal voorafgaat, is een middel om ons 'zelf' te onderzoeken, of we wel of niet in afhankelijkheid van God en elkaar willen leven. Het afhankelijk zijn is iets wat normaal gesproken niet wordt nagestreefd en is daarom niet onbelangrijk voor het verstaan van onszelf en de andere (gemeenteleden.

Dat werpt een geheel eigen licht op de beantwoording van de vraag of we wel of niet willen leven van de genade, die ons tijdens de viering van het avondmaal voor ogen wordt gesteld. Deze werkelijkheid staat onmiskenbaar haaks op de wil om het leven in haar volheid te (kunnen) bezitten, waarbij wordt gedacht aan een leven dat niet wordt bedreigd door afbraak en mislukking.

Het nemen en het eten van het brood zijn de meest aangelegen momenten tijdens de viering van het avondmaal. Daarin wordt namelijk op een aanschouwelijke wijze de betekenis van het lijden en de dood van Jezus, voor de waardering van de gebrokenheid van ons bestaan, voor ogen gesteld. Tegelijkertijd worden we op een indringende wijze bepaald bij de consequenties die deze handelingen hebben voor de gemeenschappelijke beleving van de gemeenschap, die wij 'in Christus' met elkaar (kunnen) hebben. Deze gemeenschap is niet (meer) zo vanzelfsprekend in een tijd van toenemende individualisering en privatisering van vragen aangaande het lijden en de zingeving van het leven. Deze ontwikkelingen hebben kennelijk een dusdanige weerslag op de zorg, op het omzien naar elkaar (gehad), dat velen niet (meer) weten om te gaan met het (verborgen) lijden van de andere leden van de gemeente.

Er is (kennelijk) geen sprake meer van een werkelijke betrokkenheid op elkaar. Het is derhalve niet verwonderlijk dat de beoefening van de gemeenschap, zoals dat van een goed functionerende gemeente mag worden verwacht, dikwijls tot een minimum beperkt blijft.

Beschikbaarheid

De vragen die zich naar aanleiding van de bovengenoemde ontwikkelingen kunnen voordoen, zijn niet alleen of de privatisering van het leed een verwerking daarvan niet moeilijker maakt, en of we het lijden ook in ons eigen leven een plaats hebben gegeven, maar ook of we ons in ons lijden 'gedragen' weten door de aandacht en de zorg van de leden van de gemeente. Deze vragen roepen ook andere vragen op, zoals: 'hoe is het gesteld met onze verantwoordelijkheid in relatie tot onze liefde en de beschikbaarheid voor (de) ander(en)', en 'welke plaats en betekenis neemt de dood van Jezus in het verstaan van onze verantwoordelijkheid? '

Bij de beantwoording van deze vragen kunnen we niet voorbijgaan aan de sterke en eenzijdige nadruk die - tijdens de voorbereiding op het avondmaal- wordt gelegd op 'onze' waardigheid, zonder dat daarin (het achterblijven van) de liefde, de zorg en het omzien naar elkaar worden betrokken. Dat heeft onder meer tot gevolg dat het accent blijft liggen op het eigen 'ik'.

In tegenstelling tot de gegroeide avondmaalspraktijk gaat het tijdens de viering van het avondmaal op de eerste plaats, aldus Calvijn, om het aanbieden van onze eigen geringheid, onwaardigheid (162). Deze 'onwaardigheid' dienen we niet psychologisch, maar theologisch te verstaan en is niet los te zien van onder andere de zelfverloochening, die als uitgangspunt dient voor de verdere doordenking van een leven waarin het eigen 'ik' niet meer centraal staat en die een geheel eigen visie op onze moraal, liefde en verantwoordelijkheid veronderstelt. Het gaat immers om een zijn en blijven in de liefde van God.

Verantwoordelijkheid en liefde

De opvatting dat verantwoordelijkheid in oorsprong 'voor de ander' is, krijgt door het plaatsvervangend handelen van Jezus een geheel eigen dimensie. Zo is de eigen verantwoordelijkheid bijvoorbeeld niet los te zien van hetgeen Jezus voor ons heeft gedaan. Het gedenken van de dood van Jezus is dan ook van cruciale betekenis. Zijn dood bindt namelijk niet alleen broeders en zusters samen (vgl. 1 Joh. 3 : 16), maar motiveert ook om elkaar met de daad lief te hebben (1 Joh. 3 : 18) en voor elkaar -in ethisch opzicht- plaatsvervangend te (willen) leven. Deze liefde is niet alleen belangrijk voor het verstaan van onze verantwoordelijkheid, maar ook voor ons denken en spreken over 'de waardigheid' waarmee we dienen aan te gaan.

Belangwekkend in dit verband is de door Calvijn gelegde relatie tussen het beproeven van onze zwakke liefde en onze (niet)waardigheid. Het is een boeiende opvatting, omdat het hier gaat om de beoordeling van onze eigen (on)waardigheid, waarin we nauwelijks of geen rekening houden met de oorspronkelijke opvattingen van Calvijn, namelijk dat tijdens de voorbereidingen) op de viering van het avondmaal het geloof en de liefde worden beproefd. Het is derhalve niet verwonderlijk dat hij van mening is dat onze waardigheid bestaat '...in het geloof, dat alles plaatst in God en niets in onszelf, en vervolgens in de liefde. En wel in een zodanige liefde die wij God mogen aanbieden, ook al is zij onvolmaakt, opdat Hij haar ten goede zou vermeerderen, méér dan wij vermogen.' (162)

Waardigheid

Het is een opvatting die op de eerste plaats fundamenteel verschilt met de gegroeide praktijk inzake het zelfonderzoek. Grote nadruk is steeds meer komen te liggen op 'onze' waardigheid. Een van de gevolgen daarvan is dat onze verhouding, onze (onderlinge) liefde in dat onderzoek nauwelijks of geen wezenlijk deel (meer) uitmaakt. De vraag dringt zich dan ook op of deze verandering vanuit een bijbels-theologisch gezichtspunt terecht is. Met name als we deze vraag bezien tegen de achtergrond van de opvattingen van Calvijn, die van mening is dat onze waardigheid is gelegen 'in het geloof, dat alles plaatst in God en niets in onszelf, en vervolgens in de liefde'.

Het is op de tweede plaats een opvatting waarmee duidelijk kan worden onderstreept dat wanneer we elkaar liefhebben, God in ons blijft, en zijn liefde volkomen in ons (aanwezig) is (1 Joh. 4:12). Het is daarom niet aanbevelenswaardig om onze waardigheid in onszelf te zoeken, want als we dat wel doen, is het - aldus Calvijn - met ons gedaan. (161) Hij motiveert dat treffend met de woorden, dat: '... hoeveel krachten wij ook maar inspannen, wij nooit verder zullen komen dan dat wij juist dan, wanneer wij ons het meest inspannen om de waardigheid te zoeken, de alleronwaardigsten zijn.' (161) Calvijn maakt verder duidelijk dat de enige en beste waardigheid die wij God kunnen toebrengen, erin bestaat dat wij '... onze geringheid en onze onwaardigheid Hem aanbieden, opdat Hij ons door zijn barmhartigheid zichzelf waardig zou maken.' (162) Als we daarmee ernst maken, komt niet alleen het centrum van ons leven buiten onszelf te liggen, maar ontstaat er ook ruimte voor het bijbelse inlicht dat wanneer we onze broeders en zusters beminnen, wij verzekerd mogen zijn dat wij zijn overgegaan uit de dood naar het leven (1 Joh. 3 : 14) en dat wij leven door het geloof in de zoon van God (Gal. 2 : 2od).

Niet meer 'ik'

Het zijn in de liefde van Christus betekent onder meer dat het eigen 'ik' niet meer centraal staat in ons leven, omdat Christus in ons leeft (Gal. 2 : 20b). Hij is het die de liefde tot God (heeft) mogelijk (ge)maakt, door ons voortdurend met hem te laten sterven, want 'wie met Christus leeft, sterft af aan eigen wil, iedere dag. Christus in ons geeft ons over aan de dood opdat Hij in ons kan leven.'

Met deze woorden maakt Dietrich Bonhoeffer duidelijk dat het in de omgang met elkaar gaat om een decentralisering van onszelf, omdat Christus de spil is (geworden) in ons (vernieuwde) leven. Het is immers Christus die centraal is komen te staan in ons bestaan. Dat heeft niet alleen gevolgen voor het verstaan van onze (herstelde) relatie met God, maar ook voor onze omgang met de andere leden van de gemeente. Het breken van het brood bepaalt ons daarbij en is mede daardoor van doorslaggevende betekenis voor het (morele) verstaan van onszelf, in relatie tot de andere leden van de gemeente. Bij het zien van

het breken en het eten van het brood worden we dus niet alleen bepaald bij de verticale, maar ook bij de horizontale aspecten van de gemeenschap, die we met en in Jezus Christus met elkaar hebben.

Evenzeer is het belangrijk dat we ons telkens weer bewust zijn van het appèl dat uitgaat van het gelaat van de ander. De ander en met name de hulpbehoevende mens 'doet' een onvoorwaardelijk beroep op onze bereidheid tot het geven van zorg. Hij of zij doet een beroep op onze verantwoordelijkheid, welke we niet los kunnen zien van onze betrokkenheid op de ander. Het is deze betrokkenheid die tijdens de viering van het avondmaal kan worden versterkt, waardoor het mogelijk is om de viering(en) van het avondmaal te verstaan als een (voortdurend) appèl elkaar te (blijven) beminnen.

Allen aanvaarden

Het zich onttrekken aan de viering van het avondmaal kan ingevolge daarvan' worden geïnterpreteerd als 'het zich onttrekken aan de oefeningen in de liefde en in het hebben van gemeenschap met elkaar'. In het alledaagse leven gaat het er immers om dat we in de liefde blijven (leven) en dat we niet (verder) achterop raken in de genade (Hebr. 12 : 15). Deze opdrachten strekken zich verder uit dan het vervullen van een of andere morele of religieuze plicht; het gaat immers om de vermeerdering van onze liefde en ons geloof, die ons is geschonken door God, in Jezus Christus.

Het stemt ons dan ook tot nadenken wanneer Calvijn stelt dat we ons dienen af te vragen of wij, als leden van de gemeente, door Christus zijn aanvaard, ook op onze beurt alle broeders en zusters - als delen van dat ene lichaam van Christus- willen aanvaarden, en of we hen als onze leden begeren '...te koesteren, beschermen en helpen. Niet alsof deze plichten zowel van het geloof als van de liefde nu op een volmaakte manier in ons aanwezig zouden zijn, maar omdat wij daarnaar moeten streven en met geheel ons verlangen ernaar moeten uitzien dat wij het begonnen geloof van dag tot dag meer en meer zouden doen toenemen, en opdat wij de zwakke liefde zouden versterken.' (160-161)

Deze passage maakt duidelijk dat we eigenlijk alleen op een geloofwaardige wijze over geloof en liefde kunnen spreken, wanneer we ons ervan bewust zijn dat in het avondmaal, Christus ons tot onze spijs wordt gegeven, waardoor we des te beter gaan '...begrijpen wij dat we zonder Hem verkwijnen, wegsmelten en vergaan.' (162)

A. A. W. J RIETMAN, KAMPEN

Meer informatie ouer de in deze serie beha delde thematiek is te vinden op www.delofderonvolmaaktheid.tk een bezi ningssite over het leven van verstandelijk handicapten.

vormgeving van de Europese Unie. Want welke ordening van de Europese samenleving stond Rathenau concreet voor ogen waarmee dan de gesignaleerde hedendaagse problemen zouden kunnen worden opgelost? Van Rathenaus gedachte aan een samenleving waarin 'iedere burger in vrijheid en verantwoordelijkheid deel heeft aan de politieke opbouw' kunnen we ons sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in het begin van de vorige eeuw nog wel een voorstelling maken. Maar wat moeten we aan met het ideaal van een Europa 'waarin de nationale staten achterhaald zijn' en met de visie volgens welke 'de toekomst van Europa een afspiegeling zou moeten zijn van het rijk van God waarin heersen en beheerst worden achterhaalde verschijnselen zijn'? Van Beek zegt hiervan: 'Met zijn mozaïsch geloof en het adagium van liefhebben wist hij zeker dat dit rijk tot stand zou komen door samenwerking tussen God en die mens die moed heeft en van goede wil is'. Maar hoe deze zienswijze betekenis kan hebben voor de bestuurlijke structuur van Europa, wordt in de studie niet nader uit de doeken gedaan. Men moet toch wel van een utopisch mensbeeld uitgaan om zich bij deze gedachten een realistische voorstelling te kunnen maken. Van Beek lijkt het obstakel hiervoor uitsluitend te zien in de organisatorische vormgeving van Europa. Hij volstaat namelijk met te ' zeggen dat deze toekomstvisie moeilijk te realiseren is in het huidige model, omdat men in Europa uitgaat van een Unie en niet van een Federatie. Maar een verdere onderbouwing van deze verstrekkende en intrigerende uitspraak wordt niet gegeven. De betekenis van Rathenaus visie voor de toekomstige structuur van de Europese Unie blijft mijns inziens zo steken in een bespiegeling van een soort heilstaat.

Geestelijke grondslag voor Europa

Uiteraard komt dit niet in mindering op de waarde van Rathenaus strijd tegen het nationalisme en op de blijvende betekenis van zijn ijveren voor vreedzame samenwerking tussen de volkeren. Evenmin op zijn pleidooien om aan de westerse samenleving een geestelijke grondslag te geven. Maar dan moet wel gezegd worden dat het ook hier, met name ten aanzien van het begrip 'Seele', (ook volgens Van Beek) ontbreekt aan helderheid. Moet er eigenlijk nog wel naar een geestelijke basis van Europa gezocht worden? Heeft Europa niet een beschavingsgeschiedenis die gestempeld is door het christendom? Eenzijdige nadruk op techniek, materialisme en mechanisering van het leven leiden tot verwording van de cultuur. Dat is de blijvende betekenis van de boodschap van Rathenau.

Maar Europa hééft een geestelijke basis. Een cultuur die eeuwenlang bevrucht is door het Evangelie. Alle landen van de Europese Unie hebben daarin hun wortels en delen in die nalatenschap. Het zou van belang zijn als dat zou worden erkend en als dat in het basisverdrag van de Europese Unie (dat ten onrechte de naam van grondwet heeft gekregen, de Europese Unie is immers geen staat), expliciet zou worden uitgesproken. Niet als een loze formule, maar als uitgangspunt en als richtingbepalend voor de Europese politiek. Wie politiek koers zet naar de toekomst, moet weten waar hij vandaan komt.

Meer dan politieke studie

Zoals in het voorgaande is gezegd, beperkt de studie van dr. Van Beek (die doorspekt is met Duitse citaten) zich niet tot Rathenaus betekenis voor de politiek. Zo komen ook Rathenaus filosofische opvattingen naar voren en zijn positie in de verhouding van kerk en jodendom, zaken die hier onbesproken blijven. Terzake geïnteresseerden zullen hierin ongetwijfeld belangwekkende gedachten vinden. Ten besluite volgt hier een tweetal stellingen uit de reeks die aan het proefschrift is toegevoegd:

- 'De haat tegen de joden in de christelijke traditie is ontstaan doordat men de invloed van de Romeinse overheid bij het doodvonnis van Jezus heeft geminimaliseerd en de betrokkenheid van het joodse volk gemaximaliseerd'; - 'Theologisch gezien is anti-judaïsme erger dan antisemitisme'.

L. VAN DER WAAL, RIDDERKERK

N.a.v. dr. J. van Beek Walther Rathenau. De missie van een onbegrepen Duits-Joodse Europeaan. Uitg. Kok, Kampen; 234 blz.; € 29, 90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Elkaar blijvend liefhebben

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's