De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Burgerlijk en kerkelijk huwelijk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Burgerlijk en kerkelijk huwelijk

KERK EN WERELD RECHTENS [2A]

9 minuten leestijd

Een van de vele terreinen waar kerk en staat, kerkelijk en wereldlijk recht, met elkaar in aanraking komen, is dat van het huwelijk. Men zou misschien denken dat kerk en overheid hierbij ieder hun eigen weg (kunnen) volgen, als het gaat om het stellen van regels. Gegeven de in ons land bestaande scheiding van kerk en staat zou men dat mogen veronderstellen. Maar zo liggen de zaken niet en ook dat is zeer begrijpelijk, alleen al vanwege het feit dat niet alleen mensen die tot de kerk behoren kunnen trouwen, maar dat iedereen dat in beginsel kan.
Kerkmensen die er prijs op stellen dat hun huwelijk in de kerk 'gesloten' wordt, zullen zich vanzelfsprekend onderwerpen aan de regels die de kerk daarvoor hanteert. Daarmee is evenwel de kous niet af, want ze weten ook wel dat ze om een (wettig) huwelijk tot stand te brengen, eerst naar het gemeentehuis moeten. Sommigen (velen?) beschouwen dat laatste als een formaliteit, iets waar je niet omheen kunt, een lastige voorwaarde. Het echte' trouwen gebeurt voor hun gevoel evenwel pas in de kerk.

Ambtenaar als dienaar van God

Het zou mij niet verbazen wanneer tegenwoordig veel, zo niet de meeste protestanten zó aankijken tegen de dubbele bemoeienis van staat en kerk met een trouwerij, Voor de meeste roms-katholieken geldt dat in elk geval zeker. Volgens de rooms-katholieke geloofsleer - concilie van Trente, 1563, dat zich sterk afzette tegen Luther en Calvijn - is het huwelijk tussen gedoopten één van de zeven sacramenten. Wat is een sacrament? Een uitwendig teken, door Christus ingesteld, waardoor de genade wordt aangeduid en gegeven. Zó wordt, aldus deze leer, door het ontvangen van het sacrament het geloof opgewekt. Door het 'sluiten' van het huwelijk in de kerk wordt de natuur in de sfeer van de bovennatuur (de genade) verheven. Het ligt voor de hand dat in deze visie de 'sluiting' van het kerkelijk huwelijk de eigenlijke huwelijkssluiting is en dat de gang naar het gemeentehuis niet veel meer is dan een als hinderlijk ervaren bijkomstig ritueel, dat nu eenmaal door de overheid is voorgeschreven, maar alleen uitwendige betekenis heeft. Aldus de klassieke, heersende rooms-katholieke visie.

Ik zou evenwel niet graag die rechtgeaarde (? ) protestanten de kost geven die in hun hart dezelfde kijk hebben op wat wij de sluiting van het burgerlijk huwelijk noemen. Wie ziet in de ambtenaar van de burgerlijke stand als vertegenwoordiger, nog de dienaar van God? Natuurlijk zullen zij het huwelijk niet als een sacrament betitelen, maar ook onder hen zullen er velen zijn die het gevoel hebben dat ze pas 'echt' getrouwd zijn, als ze naar de kerk geweest zijn voor de bevestiging en inzegening van het op het gemeentehuis gesloten huwelijk.

Uit het vorenstaande is in elk geval duidelijk geworden dat hoe kerkelijke huwelijkspartners ook persoonlijk mogen denken over het burgerlijk en kerkelijk huwelijk en hoe zij beide ook mogen waarderen, zij geen huwelijk kunnen sluiten met voorbijgaan van de burgerlijke overheid. Men kan een volwaardig wettelijk huwelijk sluiten zonder in de kerk te komen, maar, omgekeerd, kan men geen kerkelijk huwelijk 'sluiten' met voorbijgaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Allemaal waar, maar niets nieuws, zal menige lezer denken. Waarom dit onderwerp dan nog weer eens aan de orde gesteld?

Regeringsnotitie

De aanleiding voor deze beschouwing is gelegen in een notitie van het tweede kabinet-Kok over dit onderwerp. Staatssecretaris Cohen van Justitie had bij de behandeling van de begroting in de Tweede Kamer in november 2000 desgevraagd (vraag van mevrouw Halsema van GroenLinks) een notitie toegezegd. Die verscheen pas, nadat hij was afgetreden (en benoemd tot burgemeester van Amsterdam). Zijn opvolgster, mevrouw Kalsbeek, loste eerst een jaar later, november 2002, de gedane toezegging in. Op het standpunt daarin verwoord, kom ik hierna terug.

Eerst maak ik melding van een tweede aanleiding. Die ligt indirect ook bij de overheid, maar in directe zin bij de kerken, met name een aantal protestantse kerkgenootschappen van gereformeerde signatuur. Zoals bekend mag worden verondersteld, is sinds 1 april 2001 een wet van kracht die het mogelijk maakt dat niet alleen, zoals eeuwenlang gebruikelijk was, partners van verschillend geslacht een huwelijk kunnen aangaan, maar ook partners van hetzelfde geslacht. Bedoelde kerken hebben zich beraden op de vraag of zij, bij deze stand van de wetgeving, ieder huwelijk dat voor de burgerlijke overheid tot stand is gekomen, nog wel zonder meer als een geldig huwelijk in kerkelijke zin konden accepteren. Met name hield hen de vraag bezig of zij, door zich aan te sluiten bij het burgerlijk huwelijksbegrip, niet voor de verplichting zouden kunnen komen te staan om een verbintenis te erkennen (en te bevestigen) die in hun ogen geen huwelijk genoemd kan worden. Ook op het standpunt van deze kerken kom ik terug.

Ik zou nog een derde aanleiding voor de behandeling van ons onderwerp hebben kunnen vinden in een andere ontwikkeling in het wereldlijke (burgerlijke) recht. Het burgerlijk huwelijksrecht is sinds het ontstaan van het Burgerlijk Wetboek (verder afgekort als BW) voortdurend aan veranderingen onderhevig geweest. Talrijke voorbeelden zouden daarvan te noemen zijn, maar sinds de komst van het Nieuw Burgerlijk Wetboek in 1971 voltrekken de ontwikkelingen zich razendsnel. Niet alleen wat het huwelijks* en echtscheidingsrecht als zodanig betreft, maar ook met betrekking tot het naamrecht, het afstammingsrecht en het erfrecht. De veranderingen zijn te veel om hier te noemen. Waar het echter om gaat, is de gemeenschappelijke tendens in (de meeste van) die veranderingen. Het huwelijk wordt door de wetgever nauwelijks nog als een instituut, maar meer en meer gezien als een gewoon contract van twee - dat nog wel - autonome persoonlijkheden die de rechten en plichten vanuit hun relatie zelf regelen. Om het ietwat ongenuanceerd met één typering te zeggen: het huwelijk wordt steeds meer als een privéaangelegenheid gezien, waarbij het de taak van de wetgever is om ruimte te creëren voor uiteenlopende wensen. In één woord uitgedrukt; het huwelijk als instituut wordt stap voor stap uitgekleed.

Ook het gegeven van deze ontwikkeling zou een reden kunnen zijn om de verhouding van burgerlijk en kerkelijk huwelijk aan een mogelijke herijking, vooral vanwege de kerken, te onderwerpen. Omdat we ons willen beperken tot de bestaande verhouding en de verschillende ideeën die daarover recent te berde zijn gebracht, laten wij de ontwikkelingen binnen het huwelijk c.a. thans rusten.

Wetgeving

Wat is er thans over die verhouding van burgerlijk en kerkelijk huwelijk in onze wet te vinden? Niet veel. Slechts twee artikelen.

Artikel 68 van Boek 1 BW bepaalt dat geen godsdienstige plechtigheden zullen mogen plaatshebben, voordat de „ partijen (huwelijkspartners) aan de bedienaar van de eredienst zullen hebben doen blijken dat het huwelijk ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand is voltrokken. Artikel 449 van het Wetboek van Strafrecht (verder afgekort als WvSr) maakt strafbaar de bedienaar van de godsdienst die, voordat een burgerlijk huwelijk is voltrokken, een godsdienstige huwelijksplechtigheid verricht. Welke bevestiger van een (kerkelijk) huwelijk is niet van deze voorschriften op de hoogte? Maar hoevelen onder hen weten óók dat deze overtreding van artikel 449 tot veroordeling tot een geldboete van 5000 gulden en - bij recidive - tot twee maanden hechtenis kan leiden? Veel veroordelingen komen inderdaad niet voor. In 1955 heeft zich evenwel de zogenaamde Haarlemse huwelijksaffaire voorgedaan, toen een geestelijke van het bisdom Haarlem een kerkelijk huwelijk voltrok, hoewel de man reeds met een andere vrouw was gehuwd, welk huwelijk echter volgens de voorschriften van de RK-Kerk ongeldig was wegens het beletsel van 'ongelijkheid van eredienst'. De laatste zaken die een overtreding van artikel 449 betroffen, dateren van oktober (één zaak) en november (één zaak) 1993. In beide zaken is de verdachte gedagvaard en veroordeeld tot een geldboete. Voor zover thans is na te gaan, zijn sinds 1994 geen processen-verbaal ter zake van artikel 449 meer ingezonden door de politie bij het openbaar ministerie.

Kritiek

Ook al wordt overtreding van artikel 449 dus blijkbaar zelden geconstateerd, dit feit heeft niet kunnen verhinderen dat er regelmatig de nodige oppositie tegen zowel artikel 1:68 als 449 valt waar te nemen, vooral van roomskatholieke zijde, zowel van geestelijken als van leken. De beschuldigingen van 'discriminatie op grond van godsdienst' is van die zijde vernomen. Waar bemoeit de overheid zich mee, vraagt men. Vrijheid van godsdienst is immers een grondrecht van iedere burger en wordt beschermd, onder andere door artikel 9 van het Europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Artikel 1: 68 is met die vrijheid van godsdienst in strijd, zo stelt men, en daarom zouden pastoors (en dominees) zich niets van het verbod in dat artikel moeten aantrekken. Dit betoog heeft voor sommige critici recent een extra gewicht gekregen sinds Nederland het burgerlijk huwelijk, zijnde een verbintenis van één man en één vrouw, heeft afgeschaft.
Immers, zo wordt gesteld, het openstellen van het huwelijk voor twee personen van hetzelfde geslacht tast het wezen van het instituut huwelijk aan. En wie een instituut in zijn wezen aantast, schaft het feitelijk af. De conclusie die uit een en ander wordt getrokken, is dat de echtgenoten vrij zijn in het bepalen van de volgorde van burgerlijk en kerkelijk huwelijk én dat ook kan worden volstaan met een kerkelijk huwelijk. In de rooms-katholieke beschouwing is, als hiervoor uiteengezet, het kerkelijk huwelijk het eigenlijke huwelijk. Zoals eerder vermeld, is het niet zo dat alleen vanuit rooms-katholieke kring kritiek op de geldende wettelijke bepalingen uitgeoefend wordt. Ook een aantal protestantse kerkgenootschappen heeft zich afgevraagd of zij de overheid nog wel zo kunnen volgen als voorheen, niet zozeer en niet in de eerste plaats vanwege de artikelen 1: 68 BW en 449 WvSr., als wel vanwege de veranderingen in het huwelijksrecht betreffende de mogelijkheid voor personen van gelijk geslacht om een huwelijk aan te gaan. De kernvraag daarbij is of zij niet genoodzaakt zijn extra eigen regels te formuleren voor het kerkelijk huwelijk. (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Burgerlijk en kerkelijk huwelijk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's