Globaal bekeken
Het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) gaf in de Datumreeks onder de titel Een pientere knaap een geschrift uit over de jeugd van wijlen prof. dr. W. F. de Gaay Fortman (1911-1997), geschreven door Peter Bak, die werkt aan een complete biografie. Uit dit geschrift het begin:
'"De tweede dag van mijn leven ontmoette ik al een dominee."
Eigenlijk zouden we de woorden moeten kunnen hóren: de stem knerpend en krakend, de ironie mild en weldadig. "Die dominee", ging het don droogjes verder, "kwam echter in een andere hoedanigheid bij mij, namelijk als mijn grootvader, ds. N. A. de Gaay Fortman". Een maand later, op 5 juni 1911, tweede pinksterdag, doopte de dominee zijn kleinzoon in de Boomslootkerk in Amsterdam. Het was voor Wilhelm Friedrich de Gaay Fortman het begin van een bijzondere relatie, zowel met zijn grootvader als met het gereformeerde geloof. Later in zijn leven, véél later, zei hij het eens op de volgende - cryptische wijze: "Ik ben ervan overtuigd dat ik sterven zal in hetzelfde geloof als mijn grootvader, maar het is wel een ander geloof". Een geloof gestempeld door de kerkscheuring van 1926, de crisis van de jaren dertig, de oorlog, de verstarring en krampachtigheid van de jaren veertig en vijftig. Een bescheidener geloof, minder aanmatigend en ook niet meer zo zelfverzekerd, ruimte biedend voor het door De Gaay Fortman geheiligde "goed recht van de twijfel". Maar ondanks alles was het voor hem toch een geloof met een zekerheid; verdrukking en vervolging, honger en armoede - "wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? "
Deze woorden, uit Romeinen 8, werden op 3 april 1997 gelezen in de dienst ter nagedachtenis aan Wilhelm Friedrich de Gaay Fortman. Ze waren de rotsvaste grond van zijn sociale en politieke opvattingen waarin solidariteit en verantwoordelijkheid, harmonie en gemeenschap in kapitalen stonden geschreven. Het waren christelijke levenswaarden die hij in zijn laatste levensjaren maar al te zeer had gemist, in eerdere jaren trouwens ook. Reeds in 1927, als zestienjarige gymnasiast, hekelde De Gaay Fortmann in een opstel de onbetamelijke schraapzucht, het niet aflatende streven naar materieel gewin. Handelslui rennen van het kantoor naar de beursvloer en vice uersa; ze kennen de aandelenkoersen uit hun hoofd, maar "gunnen zich nauwelijks tijd om te eten", laat staan dat ze oog hebben voor de minder bedeelden op aarde.
Tijdens zijn levensavond oordeelde De Gaay Fortman niet anders. De AEX-index was op menig verjaardag onderwerp van druk gesprek. Twintigers, amper uit de school- of collegebanken, verdienden gelijk tonnen, woonden in kasten van huizen, reden in grote lease-auto's. De Gaay Fortman gruwde ervan. "De Geest uan het Kapitalisme leeft weer krachtig op", signaleerde hij in 1989, nog vóór de hausse die economie en beurs in de jaren negentig zouden beleven. De Gaay Fortman predikte soberheid, een christelijke levenswaarde die zijn vader en grootvader ook hadden uitgedragen - "een soort traditie bij ons". Dat die traditie verschrompelde, weet hij aan de voortschrijdende ontkerkelijking. Immers, waar de boodschap van het evangelie niet meer werd gehoord, won het materialisme terrein. In die overtuiging, in dat geloof, waren zijn vader en grootvader gestorven, en daar in stierf ook Wilhelm Friedrich de Gaay Fortman.'
Op 13 januari hoopt aan de Universiteit Wageningen de heer Marthijn Sonneveld te promoveren op een proefschrift met de titel Impressions of Interactions; Land as dynamic result of coproduction between men and nature. Een gelukwens aan de promovendus (ook ouderling van de hervormde gemeente Putten). Hier volgen enkele stellingen bij het proefschrift:
• Het feit dat Adam, de naam uan de eerste mens, in het Hebreeuws van de aarde betekent, duidt op een diepere relatie tussen mensen en het land dan impliciet verondersteld wordt in de huidige landbouwwetenschappen.
• De veelbesproken crisis in de agrosector duidt niet op een wetenschappelijk-technische onvolkomenheid maar op een culturele crisis.
• Wetenschap kan beschouwd worden als een doorzichtig raam dat dient om datgene wat ondoorzichtig is, zichtbaar te maken. Wie ermee echter alles denkt te kunnen doorzien, ziet niets.
Op 10 december hield prof. dr. ir. C. Roos (ook ouderling van de hervormde gemeente Waddinxveen) aan de TU Delft zijn intreerede onder de titel 'De tijd zal het leren'. (Procifiat!. v.d.G.). Daarin gaf hij ook aandacht aan de bekende wiskundige Ludwig Wittgenstein (t 1951). Na benoeming tot 'fellow' aan het Trinity College in Cambridge hield hij zich vooral bezig met de filosofie van de wiskunde. Roos zegt: 'Over de grondslagen daarvan woedde in het begin uan de 20ste eeuw een heilige strijd tussen verschillende kampen van logici (aangevoerd door Frege en Russell), formalisten (aangevoerd door Hilbert) en intuïtïonisten (aangevoerd door Brouwer en Weyl). Wittgensteins bijdrage aan deze strijd is een poging tot ondermijning van de hele basis van deze strijd. Volgens Wittgenstein is het hele idee dat de wiskunde zich bezig zou houden met het ontdekken van waarheden een misverstand, dat zijn oorsprong heeft in de opkomst van de zuivere wiskunde en de scheiding van de wiskunde van de natuurwetenschap ("de onbenutte stoffer die abusievelijk tot het meubilair wordt gerekend"). Wanneer we de wiskunde, zegt hij dan, zouden beschouwen als een reeks technieken (om berekeningen te maken, te meten, enz.), dan zou de uraag waar zij om draaide eenuoudig niet opkomen. Hij keert zich hiermee tegen Hardy en anderen, die uitgingen uan de onveranderlijke en onvoorwaardelijke geldigheid van de mathematische waarheid. Voor Wittgenstein is filosofie, net als wiskunde, een reeks technieken.
Ondertussen wordt zijn leven bemoeilijkt door perioden van grote neerslachtigheid. Hij is dan bang niet te kunnen werken en dat de eenzaamheid hem te veel zal worden. Dan noemt hij "besef van zonde" iets werkelijks, evenals wanhoop en verlossing door geloof. "Degenen die daarover spreken (Bunyan bijvoorbeeld) beschrijven eenvoudig wat er met hen is gebeurd, ongeacht de glans die iemand daaraan wil verlenen." Hij dankt God als hij weer goed kan werken, als voor een geschenk dat hij niet verdient. En telkens weer, schrijft hij, wil ik zeggen:
"God, wat moet ik doen wanneer Gij me niet helpt? " Anderzijds schrijft hij ook over de opstanding van Christus, en wat hem ertoe overhaalde daarin te geloven. Want als Hij niet was opgestaan, dan was Christus een leraar zoals anderen, "en kan hij niet meer helpen; en dan zijn we weer alleen en in de steek gelaten als weeskinderen. Dan moeten we ons tevreden stellen met kennis en speculatie.'"
V.D.G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's