Burgerlijk en kerkelijk huwelijk
KERK EN WERELD RECHTENS [2B]
De kritiek van het eerder genoemde Tweede-Kamerlid mevrouw Halsema hield, voorzover bekend, géén verband met een persoonlijk gehuldigd kerkelijk standpunt of zorgen, maar was louter op juridische bezwaren op grond van de vrijheid van godsdienst en het beginsel van de scheiding van kerk en staat gebaseerd. Een argumentatie waarvan men zou hebben mogen verwachten dat het 'paarse' kabinet daar gevoelig voor zou zijn. Maar de al genoemde notitie wees anders uit. Het kabinet kwam tot de conclusie dat er voldoende rechtvaardiging voor de instandhouding van de artikelen 1:68 BW en 449 WvSr. bestaat. We zijn benieuwd naar de argumentatie onder dit standpunt.
Regeringsstandpunt
In haar notitie betoogt de staatssecretaris dat artikel 1:68 BW noch het belijden van godsdienst beperkt, noch een inbreuk is op het beginsel van de scheiding van kerk en staat. Het achterliggende doel van de bepalingen is het behartigen van de belangen als rechtszekerheid, zorgvuldigheid en openbaarheid. De bepaling van 1:68 is weliswaar in sterke mate historisch en cultureel bepaald - de bepaling stamt uit de Napoleontische tijd toen verreweg de meeste huwelijken kerkelijk werden bevestigd - en er is, aldus de regering, sprake van een verschuiving in de rechtvaardiging van de bepaling. Dat neemt volgens de staatssecretaris niet weg dat ook in de huidige samenleving met een grotere verscheidenheid van godsdienstige en culturele richtingen een voorschrift over de volgorde van burgerlijke en kerkelijke huwelijken zinvol is.
Het beginsel van de scheiding van kerk en staat neemt niet weg dat de civielrechtelijke of strafrechtelijke wetgever rekening houdt met het kerkelijk huwelijk. Uit artikel 2:2 BW, dat inhoudt dat een kerkgenootschap wordt geregeerd door het eigen statuut, voorzover niet in strijd met de wet, blijkt al, aldus de staatssecretaris, dat het beginsel van scheiding van kerk en staat niet absoluut is. Artikel 1:68 BW past volgens haar juist in dit principe, omdat het nauw samenhangt met het uitgangspunt dat slechts het burgerlijk huwelijk civielrechtelijke consequenties heeft. De waarde van artikel 1:68 is in haar zienswijze vooral gelegen in het feit dat het een regeling van de sociale orde is. Het bevordert een zorgvuldige controle op eventuele huwelijksbeletselen met de middelen die alleen de overheid ten dienste staan. Het voorkomt onregelmatigheden in de registratie, die bij een meerkeuzesysteem (met verschillende huwelijksvoltrekkers) onvermijdelijk lijken te zijn. De wettelijk voorgeschreven volgorde voorkomt ook misverstanden omtrent de civielrechtelijke betekenis van een kerkelijk huwelijk en mogelijk zelfs de waarde van fundamentele rechtsbeginselen. Het argument van de strijdigheid met artikel 9 EVRM - de vrijheid van godsdienst - weerlegt zij door te verwijzen naar het tweede lid van dit artikel, dat een beperking van die vrijheid toelaat, als die beperking kan worden aangemerkt als in een democratische samenleving nodig voor de openbare orde en bij wet is voorzien. Ook met soortgelijke bepalingen in andere internationale verdragen zag de staatssecretaris geen strijd. Al met al vindt zij het nog steeds passend om aan de niet-naleving van het voorschrift van artikel 1:68 BW een, in dit geval strafrechtelijke, sanctie te verbinden.
Kanttekeningen
Bij dit verkort weergegeven standpunt van de regering zijn duidelijkheidshalve enige kanttekeningen op zijn plaats. Het artikel dat straf stelt op overtreding van het verbod van artikel 1:68 BW is vanaf het ontstaan in 1886 omstreden geweest en meer dan eens heeft het BW-artikel ter discussie gestaan, ook binnen de wetgever. Dat heeft te maken met het ontstaan van die artikelen. Vóór de Napoleontische tijd (tot 1795) was zowel de kerk als de staat bevoegd een rechtsgeldig huwelijk te sluiten. Rechtsgeldig wil zeggen: met alle afdwingbare rechtsgevolgen die aan een huwelijkssluiting verbonden kunnen zijn. Die situatie was (mede) te danken aan de Reformatie, die de overheid als Gods dienaresse beschouwde en mitsdien de overheid bevoegd achtte een volledig wettig huwelijk te sluiten. Men wilde af van het canonieke recht van de r.-k kerk dat de huwelijkssluiting tot een kerkelijke zaak had gemaakt.
Gedurende de Reformatietijd is de situatie wazig geweest. De kerk achtte de huwelijkssluiting weliswaar een staatszaak, maar wilde wel betrokken blijven. Daardoor zitten we vandaag nog met de onduidelijkheid van de kerkelijke bevestiging (voegt de kerk iets toe aan de burgerlijke huwelijkssluiting? ) en inzegening (zegent de kerk een volwaardig huwelijk alleen maar in? ). De rol van de kerk bij de huwelijkssluiting is gedurende de Reformatietijd enigszins tweeslachtig gebleven. Dat de kerk de huwelijkssluiting als een staatszaak beschouwde, heeft haar niet kunnen beletten om bij de overheid voortdurend aan te dringen op het uitvaardigen en handhaven van plakkaten en ordinanties op het huwelijk, zowel provinciaal als generaal. Ook heeft zij in een enkel gewest zélf wel ordinanties opgesteld en de bekrachtiging daarvan door de overheid gezocht. Door haar verwijzing van de huwelijkszaken naar de burgerlijke overheid heeft de kerk allerminst zichzelf eraan onttrokken. Zij was en bleef ervan overtuigd dat het Woord Gods duidelijke uitspraken geeft over het huwelijk, dat de overheid daaraan gebonden is en dat de kerk erover heeft te waken dat deze grondlijnen van de Heilige Schrift door de overheid erkend en gehandhaafd worden. Dit gold van de wetgeving zowel als van de rechtspraak.
Na 1795 is de staat gescheiden van de kerk en wordt de staat exclusief bevoegd om volgens eigen regels volwaardige en rechtsgeldige huwelijken te sluiten. Deze tamelijk plotselinge verandering zou, zo meende de overheid, misschien niet onmiddellijk tot iedereen kunnen zijn doorgedrongen. Dan zou het misverstand kunnen ontstaan dat een kerkelijk gesloten huwelijk nog steeds civiel effect zou hebben, hetgeen niet langer het geval was. Daarom zijn de artikelen 1:68 BW en 449 WvSr, in het leven geroepen. Was dit misverstand eind achttiende/ begin negentiende eeuw misschien nog voorstelbaar, midden twintigste eeuw toch in redelijkheid niet meer, laat staan begin éénentwintigste eeuw, zou men zeggen. Als de regering thans als argument voor het laten voortbestaan van de genoemde wetsartikelen toch weer de dreiging van misverstanden (bij de kerk en bij de burgers) hanteert, blijkt dat men niet zozeer de autochtone bevolking maar de immigranten van de laatste decennia op het oog heeft. Gedoeld wordt dan op immigranten afkomstig uit landen waar, anders dan bij ons, geen onderscheid bestaat tussen een religieus en een burgerlijk huwelijk, waar een volgens godsdienstige, bijvoorbeeld islamitische regels gesloten huwelijk dus wél burgerrechtelijke gevolgen heeft.
Kwaliteitseisen
Een tweede kanttekening heeft betrekking op nog een ander element in de argumentatie van de staatssecretaris. In de notitie staat natuurlijk de vraag centraal of het sluiten van huwelijken niet anders geregeld zou kunnen worden dan thans het geval is. Niet alleen is bezien of schrapping van de bestaande artikelen verantwoord zou zijn, zodat een kerkelijk huwelijk vooraf zou kunnen gaan aan de sluiting van een burgerlijk huwelijk, maar ook wat er zou moeten gebeuren als daadwerkelijk tot schrapping zou worden overgegaan. In die situatie dient zich immers de vraag aan of kerken de gelegenheid geboden zou moeten worden om huwelijken te sluiten met civiel effect. Dat wijst de praktijk in een aantal andere landen uit.
Om dat civiele effect te bereiken, zouden dan - van overheidswege! - wel een aantal voorwaarden moeten worden gesteld, gegeven het primaat van het burgerlijk recht ter zake van het huwelijk. Men moet dan o.a. denken aan de geldende huwelijksbeletselen, maar óók aan eventuele kerkelijke huwelijksbeletselen én aan de noodzaak om de sluiting van het huwelijk (door de kerk) in de openbare, door de overheid bijgehouden registers te doen registreren. Anders gezegd, de overheid zou op deze punten een aantal eisen aan de kerk moeten gaan stellen. En een wellicht nog klemmender aangelegenheid zou zijn of alles wat zich 'kerk' zou noemen ook over de bedoelde bevoegdheid zou moeten kunnen beschikken.
Daarbij rijst de vraag of de overheid, die zichzelf godsdienstig en levensbeschouwelijk neutraal noemt, zou moeten en zou kunnen uitmaken wat wél en wat niet onder een kerk(genootschap) verstaan moet worden. Leeft nog het besef dat het begrip 'kerk' met Christus te maken heeft? En hoe moet het dan met de niet-christelijke godsdiensten? Het woord 'discriminatie' zal onmiddellijk vallen als de overheid zich zou zetten aan het maken van onderscheid in dezen. Alleen al om het misbruik van de bevoegdheid te voorkomen zal een selectie, eventueel na ervaring, onvermijdelijk zijn. Kortom, hier doemen allerhande uitermate lastige en gevoelige kwesties op. In elk geval zullen 'kwaliteitseisen' aan kerken en godsdienstige corporaties gesteld moeten worden, hetgeen in elk geval niet bijdraagt aan de scheiding van kerk en staat. Dit argument is, als ik goed lees, het voornaamste gezichtspunt op grond waarvan de regering het kerkelijkgesloten huwelijk met civiel effect van de hand wijst. Daar is in de huidige omstandigheden het nodige voor te zeggen. (Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's