Zoon van de Veluwe zoekt zijn wortels
ZWIJGEN BIJ VOLLE MAAN
In de Bommel se Kuil zijn het twee jongens uit Vaassen die bij volle maan aan het graven gaan. Zij weten te zwijgen, zelfs wanneer het deksel van de goudkist al is blootgelegd. Dan gooit de duivel roet in het eten. Hij gaat als 'Blauw Garrit' onzichtbaar op de kist zitten. En gaat de duivel ergens op zitten, dan wordt het voorwerp zo zwaar dat niemand het nog kan tillen, duwen of trekken. De jongens kunnen de loodzware kist niet omhoog krijgen. Daarop wordt een van de twee zo woedend dat hij met zijn spade op de kist slaat en roept: 'Daar jij, Blauw Garrit!' Het zwijgen is verbroken. De duivel heeft gewonnen. De goudkist is verdwenen. Ze moet daar ergens in de bossen nog liggen. Maar aan alle toekomstige zoekers zij nog eens herinnerd: Alleen hij, die bij volle maan het goud weet uit te spitten En daarbij zwijgen kan, zal het bezitten.
Aan dit Veluwse volksverhaal ontleent dr. H. Vreekamp de titel van zijn boek Zwijgen bij volle maan, een boek met 'Veluwse verkenningen van Edda, Evangelie en Thora'. Het boek kreeg al vele besprekingen en wel zo uitgebreid dat men de inhoud op grond daarvan dan wel in grote lijnen weet. Maar geen recensie kan eigenlijk doen proeven hoe dit boek smaakt. Men moet het tot zich nemen. Het boek, dat ik wil typeren als een literair verwoorde theologische zoektocht naar de wortels van het christendom op de Veluwe, staat model voor Noord-Europa 'met haar lange heidense, maar ook joodse en christelijke traditie'. Om het verleden op het spoor te komen maakte de oud-pastor van Oosterwolde en Epe, die jarenlang als theoloog de Hervormde Kerk diende inzake de verhouding van Kerk en Israël, lange wandelingen over de Veluwe, langs tal van oude plekken die pleisterplaatsen waren voor het oude heidendom en/of voor het joodse en christelijke geloof.
Inhoud
In het eerste hoofdstuk houdt Vreekamp de schepping, liever de werken van Gods Handen zoals die in de natuur de eeuwen door zichtbaar waren, tegen het licht van de scheppingsdagen. Het is niet zozeer een theologische verhandeling over de schepping als wel een literaire verwoording van het doorgaande gebeuren van de zeven scheppingsdagen in de geschiedenis. Op de achtergrond spelen mee de vier elementen van de Veluwe: aarde, lucht, water en vuur. Maar daarin klinkt al door het verhaal van de mens die op het toneel van de natuur geschiedenis maakt.
In het tweede deel komt eerst de Veluwse mens Evert tot leven, zoals hij 'op zijn mooist' is vastgelegd door de fotograaf Brand Overeem in diens boek Het leven van Evert, de man die woonde aan de rand van Voorthuizen en leefde 'op het ritme van de seizoenen'. Hier typeert Vreekamp de Veluwnaar als 'de zwijgende mens'. Maar Evert vertegenwoordigde ook de adel van het heidendom, waarbij te bedenken valt dat heiden betekent: hij die van de heide komt. De heiden is de oorspronkelijke mens, betoogt Vreekamp. Daarbij herinnert hij aan Psalm 9 : 21: 'Laat heidenen weten dat zij mensen zijn'. De heiden vormde godsdienst en cultuur op de Veluwe vóór de invoering van het christendom. Vandaag komt overigens, laat Vreekamp weten, de heidense onderstroom weer 'opvallend openhartig bovengronds'.
In Garderen staat Vreekamp vervolgens op de Goudsberg. De voorganger van Garderen, Joan Gerritsz.Versteghe, die in 1544 waarnemend pastoor werd in Garderen in de kerk waarin hij was gedoopt, komt hier ten tonele. Hij geldt als de reformator van de Veluwe, die zich in zijn boek Der Leken Wechwyser presenteert als Anastanius Veluanus, de opgestane Veluwnaar, die onder druk van de inquisitie overigens eerst 'een zondige herroeping' van de nieuwe leer had gedaan. Veluanus beproeft alle dingen en zoekt het goede uit de werken van Bullinger, Luther, Melanchton, Calvijn, Brentius, Johannes a Lasco en Erasmus.
Dan volgt een stuk over de Joden in Nijkerk, met Roza Hamburger, die negen kampen van de nazi's overleefde. Het dan volgende hoofdstuk gaat over de Edda, de verzameling van oude goden- en heldenliederen van Noord-Europa. Vreekamp wandelt hier onder leiding van Adelheid, de 'oergrootmoeder' van Evert, 'vrouwe van edele gestalte'. Hier gaat de geschiedenis van het oude heidendom met de oude godenverhalen open. Bij het Uddelermeer bijvoorbeeld waar de god Thor zijn hamer in wierp (wat een verhaal!). En dan volgt het Evangelie. Onder leiding van Maria, dochter van de pastoor van Garderen, neemt Vreekamp de lezer mee langs de plaatsen waar het Evangelie wortel schoot, te beginnen in Wilp, waar blijkens een tekst voor het eerst (765) sprake was van het Evangelie op de Veluwe, en waar de priester Lebuïnus een bedehuis heeft gesticht. Vreekamp neemt op zijn tocht de Heliand mee, een uit het jaar 830 daterend oud-Saksisch epos, dat pas duizend jaar later (in 1830) van onder het stof van kloosterbibliotheken vandaan werd gehaald, en waarin Christus wordt getekend als 'de machtige Held, sterker dan Wodan of Thor'. Hiermee komt het Evangelie de wereld van de Edda binnen. K. H. Miskotte stond overigens - meldt Vreekamp - heel kritisch tegenover dit 'Evangelie in Eddavorm'. Hij zag er de oorsprong in van het herlevend Germanendom in Nazi-Duitsland. (In 1939 verscheen zijn boek Edda en Thora.) Uit dit bijna zesduizend regels tellende 'stafrijm' leest Maria fragmenten wanneer Vreekamp Putten bezoekt en Ermelo, Harderwijk en Oosterwolde, waar Vreekamp ooit zijn dienst begon, en vervolgens (o.a.) nog in Hattem, Staverden, Barneveld, Elspeet, Uddel, Apeldoorn, Hoevelaken.
En dan komt de Thora, de Hebreeuwse Bijbel, waaruit Israël het 'heilig onderricht' ontving. Onder leiding van Samuël, de grootvader van de voormelde Roza Hamburger, bezoekt hij de synagogen in o.a. Wageningen, Veenendaal, Barneveld, Elburg en Hattem. Van de ooit dertien synagogen zijn er nog acht over, waarvan er nog twee in (orthodoxe) functie zijn. Daar worden fragmenten gelezen uit Zacharia 14, het hoofdstuk dat in Israël wordt gelezen op 'de drempeldag' van het Loofhuttenfeest. Door dit alles heen legt Vreekamp dit hoofdstuk uit, zoals hij dat ook in eerdere publicaties deed. Hij sluit zijn boek ook af met een fragment van de uitleg van Zacharia 14 door zijn Utrechtse leermeester prof. dr. A. A. van Rjuler.
Kootwijkerzand
In een Intermezzo brengt Vreekamp dan uiteindelijk Adelheid, Maria en Samuël met elkaar in contact, bij een ven in het Kootwijkerzand, waar in de jaren zeventig van de twintigste eeuw een archeologisch project werd uitgevoerd van de Universiteit van Amsterdam, waarbij verdwenen nederzettingen werden opgegraven, zonder dat overigens een 'kerk' of een 'kerhof' werd ontdekt. Ook Paulus voegt zich bij hen, nu eens in gesprek met de een dan met de ander, terwijl de drie ook onderling in gesprek zijn vanuit hun traditie. Paulus, 'de apostel der heidenen', moet tegenover Adelheid toegeven dat waar hij komt het met de heidense rust is gedaan.
Hier worden ook Hermann Friedrich Kohlbrugge, de heiden-christen, en Isaac da Costa, de christen-jood, met hun onderlinge briefwisseling geïntro- ' duceerd, alsook de joodse denker Martin Buber en Joseph Campbell, 'de grote kenner van de mythen der mensheid'. Hier maakt Vreekamp ook gewag van de intense ontmoeting die hij in zijn studententijd had met de joodse denkers Rosenzweig en Rosenstock.
Hier, in het Kootwijkerzand, is het dat Vreekamps theologische roman - als ik deze zo even typeren mag - tot het begin van een ontknoping komt. Het gesprek gaat nog even door. Over Kerst, want dat is toch heidens? En Pasen dan? In dit gedeelte staat een cruciale zin over Maria: 'Met Kerst wilde ze terugvallen op de Edda, maar de Heliand was haar voor. Met Pasen wilde ze terugvallen op de Heliand maar het Nieuwe Testament is haar voor'. En dan volgt een gloedvol hoofdstuk over Pinksteren.
Gaandeweg hoort Maria steeds meer over de Geest in relatie tot God en tot Jezus. Dan gaat het over de doop maar ook over de doop met de Geest. Het is de Geest die 'Joodse volgelingen van Jezus' en 'heidense christenen' tot leven, tot bekering brengt. Zo is en wordt de ban van het heidendom gebroken.
Kwintessens
Maria - en zo ook Vreekamp - neemt dan afscheid van de Veluwe en komt tot de 'quintessens'. Hij begeeft zich naar het Domplein in Urecht, waar ' Willibrord ooit het eerste houten kerkje stichtte. En waar staat Vreekamp dan geestelijk? Ik vat het samen zoals hij het in een interview in Centraal Weekblad zei: Het graven naar mijn wortels is me niet in de koude kleren gaan zitten. Wat heeft het christendom en jodendom met mij, heiden gedaan? Het wonderlijke is dat ik uiteindelijk de antwoorden gevonden heb buiten de Veluwe, zoals ook het evangelie van buitenaf tot ons is gekozen. Het was nota bene in Utrecht, de plek van waaruit dankzij Willlibrord het christendom zich over Nederland heeft verspreid. Op het Domplein staat een steen. Op de steen, een kopie uit 1936 van een runensteen uit Denemarken, staat in het heidense runenschrift dat koning Harald Noorwegen en Denemarken tot het christendom bekeerde. Christus staat er ook op afgebeeld, als de Heliand. In die gedaante word ik als heiden aangesproken. In de heidense runentaai zegt Jezus dat het leven met Dor en Odin Voorbij is. Ik ben heiden maar door de doop word ik christen genoemd. Dat is mijn plek: tussen Tora en Edda in.
Existentieel
Met deze houtskoollijnen heb ik slechts de rode draad door dit existentiële werk van Vreekamp willen aangeven. Een hoogwaardig boek. Als het zich al 'als een trein' laat lezen, is het vanwege de telkens weer verrassende overdenkingen en de ontmoetingen van heiden, jood en christen. Als zo- , danig is het een uniek boek. Maar niet omdat het gemakkelijk leest. Het heeft een heel speciaal taaleigen en achter elke vertolkte waarheid blijkt weer een waarheid te liggen.
Dat het Evangelie ons als heiden heeft bereikt via de Heliand, het evangelie aangepast aan de Germaanse volksaard, naverteld in Eddavorm, brengt Vreekamp tot de overtuiging dat de Edda wel aan de apocriefe boeken van de bijbel kan worden toegevoegd en dë Heliand in een kerkdienst kan worden gelezen, om zo in gesprek te zijn met onze heidense wortels. Want het Evangelie komt tot elke cultuur ook in het • gewaad van de boeken van die cultuur. Die conclusie gaat wel heel erg ver. Hoe zou daarin dan eeuwen na datum de Geest geplaatst moeten worden, wanneer deze reeds al zo lang bekerend heeft gewerkt? Intussen: dank aan Vreekamp voor de aangename leesuren (dagen), die hij mij bezorgde. Geen boek alleen voor Veluwnaars.
V.D.G.
N. a. v. Hendrik Vreekamp, Zwijgen bij volle maan, Uitg. Boekencentrum, Zoeter-, meer; 344 blz.; € 25, -.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's