De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Over uittocht en ballingschap

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Over uittocht en ballingschap

HOOFDLIJNEN IN DE SCHRIFT

7 minuten leestijd

In onze gereformeerde traditie gaat het vooral om wat de Bijbel zegt. Wat zijn de hoofdlijnen in de Schrift? Wat is of zijn de kernpunten? Ons is geleerd om Schrift met Schrift te vergelijken, maar hoe doe je dat in de praktijk? Op die vragen wil de bijbelse theologie een antwoord geven. Dat maakt ons nieuwsgierig naar de Kleine Bijbelse Theologie, waarvan vorige maand het eerste deel is verschenen. Het draagt als titel Exodus en Exil. Daarmee wil gezegd zijn dat alles in het Oude Testament draait om deze twee thema's. Want de uittocht uit Egypte en de ballingschap in Babel spellen samen de ene Godsnaam. Maar geeft dat geen eenzijdig beeld?

Dit eerste deel is geschreven door prof. K. Deurloo. Hij behoort tot de Amsterdamse school. Wat het vertalen van de Bijbel betreft streeft zij naar een letterlijke vertaling. Dat doet ook de Statenvertaling. Dat geeft over en weer een zekere affiniteit. Wat de interpretatie van de Bijbel betreft volgt men de lijnen die zijn uitgezet door F. H. Breukelman. Deze heeft op zijn beurt weer de invloed ondergaan van K. H. Miskotte.

Een impressie

We beginnen met een impressie van dit boek. Op de eerste bladzijden wordt de koers al bepaald. De uittocht uit Egypte en de 'ommekeer' of terugkeer uit de Babylonische ballingschap zijn de twee brandpunten van het oudtestamentisch getuigenis. Die twee brandpunten vormen dan samen weer het ene middelpunt. Dat is de heilige Naam. Die wordt aangeduid met de vier letters JHWH, in de Statenvertaling altijd weergegeven met hoofdletters: HEERE. De Apostolische geloofsbelijdenis begint bij God de Schepper: Ik geloof in God, de Vader, de Almachtige, de Schepper van de hemel en de aarde. Daar konden ontwikkelde mensen rondom het begin van onze jaartelling zich ook nog wel iets bij voorstellen. Volgens de schrijver zit daar op zichzelf genomen nog niets bijbels of christelijks in. Voor een christen echter is God pas de Vader in relatie tot de Zoon en voor een Israëliet is Hij dat alleen in relatie tot de heilige Naam JHWH. Die Naam wordt werkelijkheid niet in de natuur maar in de uittocht: Ik ben JHWH UW God Die u uit Egypte hebt doen uittrekken. Er is niet een God Die dan ook HEERE wordt genoemd, nee, de HEERE Die is God. En die God is barmhartig en genadig. Dat is het verhaal van 'Mozes', dat wil zeggen de Tora. De Tora is de Wet, het eerste hoofddeel van de Hebreeuwse Bijbel. In het Nieuwe Testament wordt de Hebreeuwse Bijbel genoemd de 'Wet en de Profeten'.

In dat tweede hoofddeel, de 'Profeten', wordt de Naam opnieuw werkelijkheid in de 'ommekeer' of terugkeer uit de Babylonische ballingschap. Ezechiël 37 vergelijkt die ommekeer met een opstanding uit de doden. God heeft Zich een Naam gemaakt in de exodus. Daarom doet Daniël een beroep op die Naam in het exil (61). Het dubbelthema exodus en ommekeer is het thema van de Wet en de Profeten (138). Bij deze impressie moeten we het laten. Deurloo verstaat de kunst van vertellen. Dat maakt het lezen van zijn boek aantrekkelijk. Hij zet het bijbelstheologisch 'materiaal' om in een boeiend verhaal. Maar is het méér dan een verhaal?

De orde naar de Schriften

Deurloo wil zich houden aan de orde naar de Schriften: eerst bevrijding en dan ontferming. Net zoals in de Lofzang van Maria: eerst heeft Hij machtigen zoals farao van de troon gestort, en dan heeft Hij Zich Israël, Zijn knecht, aangetrokken om te gedenken aan Zijn barmhartigheid' (27). De volgorde van de klassieke geloofsleer is niet langer te handhaven: eerst het leerstuk van de zonde en daarna het leerstuk van de verzoening (141).

Maar waarom zijn de boeken Genesis en Exodus in 'Mozes' dan niet van plaats verwisseld? Dat is geen puur theoretische mogelijkheid. Aan het slot van de Hebreeuwse Bijbel is dat wél gebeurd. Daar zijn de boeken Ezra en Nehemia geplaatst vóór de boeken Kronieken. In onze Statenvertaling, die wat de volgorde van de bijbelboeken teruggaat op de Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament, is dat niet het geval. Met als gevolg dat de Hebreeuwse Bijbel midden in een zin ophoudt: hij trekke op... Vergelijk hiervoor 2 Kronieken 36 vers 23 met Ezra 1 vers 3.

In de christelijke kerk geldt het Nieuwe Testament als de leeswijzer voor het Oude Testament. Dat is bepalend voor onze visie op de 'orde naar de Schriften'. De heilsbetekenis van de Heere Jezus, de tweede Adam, kunnen we pas goed begrijpen tegen de achtergrond van de zondeval. Paulus spreekt daarover duidelijke taal in Romeinen 5 vers 12 tot 21. De joods-synagogale traditie heeft weer een andere visie op de 'orde naar de Schriften'. Daar ligt in het verlengde van 'Mozes' de regulering van het joodse leven vandaag. Het is één doorlopende lijn. Die is bepalend voor de joodse identiteit.

Nog weer anders was de visie van de gemeenschap van de Dode Zee. Zij had, vergeleken met de latere joodssynagogale traditie een eigen 'orde naar de Schriften'. Daarmee wilde zij aantonen dat zij het ware Israël was. Zij beschouwden zichzelf als de 'zonen van het licht'. Degenen die zich niet met hen hadden afgescheiden van 'Jeruza-lem' waren de 'zonen van de duisternis'.

Wij blijven er dus bij: de orde van de klassieke geloofsleer wordt bepaald door de orde naar de Schriften volgens het Nieuwe Testament. Het gaat om zonde én genade. Dat geeft ook weer structuur aan het geloof. Het wordt beleefd in de drieslag van ellende, ver- ! lossing en dankbaarheid. Dat is de hartenslag van het geloof.

De Naam

Ook het bestaan van God is in het gelding. Voor Deurloo voltrekt de Naam • zich in het verhalen en vieren van uitr tocht en ommekeer. Het is verkondiging en liturgie. Dat is in de belevliïg van mensen een reëel gebeuren, maar het is geen historische realiteit. Die verkondiging en liturgie hebben wel historische wortels, maar daar blijft het dan ook bij.

Op dit punt verschillen wij fundamenteel van mening. Daarover een drietal opmerkingen.

In de eerste plaats wordt dan onvoldoende het kwalitatief onderscheid tussen Schepper en schepping gehonoreerd. Juist dat is zo karakteristiek voor de Wet en de Profeten. De God van Israël maakt geen deel uit van een binnenwereldlijke werkelijkheid zoals dat het geval is bij de goyim, het heidendom. Er zijn wel documenten gevonden waaruit blijkt hoe het heidendom voortdurend in de godsdienst van Israël is geïnfiltreerd. God wordt dan Baal. De mensen waren daar ook gevoelig voor. Maar de Wet en de Profeten hebben zich daar altijd tegen gekeerd.

In de tweede plaats werkt dat kwalitatief onderscheid tussen Schepper en schepping ook door in de bijbelse visie op de geschiedenis. De geschiedenis heeft een 'onderkant' waar wij mensen tegen aankijken. Die geschiedenis kan wetenschappelijk worden geverifieerd. Diezelfde geschiedenis heeft ook een 'bovenkant', die wij niet kunnen zien en daarom ook niet op

haar juistheid kunnen controleren. God heeft tijdens de regering van Hizkia Jeruzalem ontzet maar uit het beroemde prisma van Sanherib is alleen op te maken dat deze Assyrische koning de stad niet heeft ingenomen. In het Oude Testament vormt de 'onderkant' van de geschiedenis één geheel met de geschiedenis van Gods grote daden vanaf de schepping tot de voleinding. Dat is de 'bovenkant' van de geschiedenis, dat wil zeggen de ge-schiedenis gezien van God uit. Dat is de bijbelse geschiedenis. De uittocht uit Egypte en de terugkeer uit de Babylonische ballingschap zijn daarvan wel twee onderdelen. De daden van God blijven niet tot dit tweetal beperkt. Psalmen als 78, 105, 106 en 136 geven daarvan hele reeksen.

In de derde plaats valt in de wereld van het antieke Oosten de naam samen met het wezen. Een naamsverandering is een wezensverandering. Als farao Necho Eljasjib aanstelt tot koning over Juda, verandert hij zijn naam in Jojakim. Hetzelfde doet Nebukadnezar een aantal jaren later met Mattanja. Die heet voortaan Zedekia. De naamsverandering maakt zichtbaar: vazallen zijn 'creaties' van een grootvorst. Daniël wordt 'gebabyloniseerd' tot Beltsazar. Dat maakt het op zichzelf al weinig waarschijnlijk dat de heilige Naam opgaat in gebeuren. De Septuaginta vertaalt JHWH dan ook met de Zijnde. In Openbaring 1 vers 4 wordt dat uitgebreid tot Die is en Die was en Die komen zal. De Naam des HEEREN staat als een Sterke Toren (Spr. 18 : 10).

H. J. DE BIE, HUIZEN

N.a.v. K. Deurloo Exodus en Exil, Kleine Bijbelse Theologie, deel 1. Uitg. Kok, Kampen; 143 blz.; gebonden met stofomslag; € 19, 90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Over uittocht en ballingschap

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's