Boekbespreking
Wim Reedijk Zuiver lezen. De Lectio Divina van Johan- ! U nes Cassianus en de bijbelse hermeneutiek. . Uitg. Eburon, Delft; 296 p., € 24, 50.
Deze dijyjsds^jebeweejrtgich op het terrein van ^MÖiW^& rtMfWg'; Kerk te® de tyijbelse hermenehtièk, de vra^ n rond* onif gezag en vertolking van de bijbei. *> 9t geeft aan deze studie iets dubbels, waarbij de lezer zich afvraagt: Is dit nu een wetenschappelijke reflectie op een fase uit de kerkgeschiedenis of een systematisch, ja zelfs praktisch-theologische studie? In elk geval legt de auteur, predikant van de SoWgemeente in Boxtel, aan het begin van deze dissertatie zijn kaarten op tafel. Onvrede met het door de historisch-kritische methode gedomineerde onderzoek van de bijbel leidde hem ertoe om de manier waarop in de eerste de woestijnvaders de bijbel lazen te onderzoeken. Hun leesvorm staat bekend als de lectio divina, een manier van bijbellezen die tot op vandaag toe in de spiritualiteit van de Rooms-Katholieke Kerk
een grote plaats inneemt. Het gaat hier om een gelovige, mediterende, ja biddende manier van bijbellezen.
De stelling die de schrijver poneert, is dat deze wijze van lezen in het wetenschappelijk onderzoek aandacht verdient en met name voor de vragen rond de vertolking van de bijbel van betekenis is. De auteur onderzoekt om zijn betoog te staven een tekst van Cassianus (365? - 430? , tijdgenoot van Augustinus), namelijk Collatio XIV, een weergave van een les van abt Nesteros, een woestijnvader die Cassianus ontmoet had in Egypte. Na een weergave van de tekst en haar inhoud geeft Reedijk in hoofdstuk 3 een thematische verheldering van de tekst. Uit de tekst van Cassianus blijkt dat lezen en leven voor de woestijnvaders een eenheid vormden. Naast de geestelijke kennis of de theoria, het schouwen van de onzienlijke en hemelse mysteriën is er de praktische kennis die je naar dat hogere doel voert. Levensheiliging speelt hier een voorname rol. Bijbellezen is de weg tot geestelijke kennis, ook een zinvolle tijdsbesteding en een middel om de geest te schonen. Reedijk vergelijkt vérvolgens deze vroegchristelijke tekst met teksten van Origenes en Augustinus, waarbij als voornaamste verschilpunt naar voren komt dat er bij Cassianus een versmelting plaatsvindt tussen tekst en lezer. De Schrift lezen is de Schrift leven. In hoofdstuk vier gaat Reedijk in op moderne vormen van de Lectio Divina, onder meer de visie van Kees Waaijman. Zijn conclusie is dat de wijze waarop Cassianus de bijbel leest vooral gericht is op het leven, terwijl bij de moderne auteurs het uiteindelijk gaat om de contemplatie, waarbij de lezer tot Christus wordt. Reedijk ziet een parallel tussen Cassianus en de nadruk op de bevindelijkheid in de gereformeerde traditie. Helaas werkt hij dat niet uit. Nu zien we in de moderne hermeneutische bezinning een sterke nadruk op de lezer van de bijbeltekst. Elke bijbellezer benadert de bijbel vanuit zijn of haar voorverstaan. Objectiviteit zoals de wetenschappelijke lezing van de bijbel na de Verlichting poneert, bestaat niet. Op dat punt raken volgens de schrijver moderne stromingen met hun nadruk op de lezer het betoog van Cassianus, zij het ook met dat verschil dat voor Cassianus de tekst in zijn volle betekenis aan het licht moet komen en dat kan alleen als de lezer zich zuivert en verduisterende elementen in zijn leven wegdoet.
De conclusie van de auteur is dat lezersgericht onderzoek in het betoog van Cassianus een sterke steun ontvangt en dat de lectio divina van de woestijnvaders evenzeer wetenschappelijk recht van bestaan heeft als het gangbare kritische bijbelonderzoek. Het ideaal van de zgn. wetenschappelijke objectiviteit is niet houdbaar. Het gaat erom dat de betekenis van de Schrift waar moet worden in onszelf. Leren, lezen en leven vormen een onlosmakelijke eenheid.
Het zal uit deze (te) korte weergave duidelijk zijn dat Reedijk een belangrijk thema aan de orde stelt. De kritische vragen die hij stelt aan het adres van de moderne bijbelwetenschap en de wetenschapstheoretische inzichten van de Verlichting, zijn terecht. Evenzo is zijn pleidooi voor een bevindelijke omgang met de Schrift me uit het hart gegrepen. De meditatio van het gelezene is voor bijbelstudie en prediking onmisbaar. Stellig valt er van de vroegchristelijke manier van bijbellezen te leren.
Toch heb ik de indruk dat de auteur te makkelijk switcht van de woestijnvaders naar de 21e eeuw en de huidige hermeneutische inzichten. In hoeverre zit er in de huidige aanpak, waarbij de rol van de lezer haast bepalend wordt, ook niet een heel stuk Verlichtingsdenken? Is er toch niet een heel andere visie op de Schrift aanwezig bij de woestijnvaders en de moderne hermeneuten? Kun je zo makkelijk de vragen van de Verlichting pareren door de methoden van de vaders uit de woestijn en die van de bijbelwetenschappers naast elkaar te zetten? Ik ben het met Reedijk eens dat het van belang is dat we ook in ons wetenschappelijk bezig zijn een andere omgang met de Schrift nastreven dan in het methodische atheïsme dat nog altijd opgeld doet. Maar dat vraagt wel een heel ander denken, veel meer kerkelijk en geloofsmatig, dan het gangbare. Een manco vind ik dat Reedijk in het evaluerende hoofdstuk zijn historische bevindingen niet in gesprek brengt met de Reformatie, met name Calvijn en zijn nadruk op de tekst en letterlijke Schriftzin. Ik zou willen weten of dat spoort met de visie van Cassianus dat een van buiten geleerde, herhalende en reciterende toe-eigening van de Schrift andere betekenissen voortbrengt dan het lezen van een bijbeltekst op Schrift? Ligt juist in de Calvijnse eerbied voor het geschrevene, voor de Schrift als getuigenis van de sprekende God niet een handvat om wetenschap en spiritualiteit met elkaar te verbinden? Nu wekt de auteur toch de indruk dat een kritische wetenschappelijke benadering de lectio divina als alternatief naast zich heeft met als risico datje toch op den duur een kloof krijgt tussen wetenschap en vroomheid. Reedijks boeiende en interessante studie laat opnieuw zien hoe dringend er behoefte is aan een eigentijdse gereformeerde hermeneutiek.
A. Noordegraaf, Ede
Joep Offermans De abdij Kloosterrade Rolduc. Uitgave Millpress, Rotterdam, 534 pag., € 34, 90.
De bekende abdij Rolduc, in 1104 gesticht door Aibertus van Amtoing, bestaat volgende jaar 900 jaar. Ter gelegenheid daarvan is dit boek uitgegeven, dat na eerdere uitgaven een (nieuwe) doorkijk geeft door de geschiedenis van deze abdij, die aanvankelijk de naam Kloosterrade droeg, maar in de
i4e-eeuw een Franse vertaling kreeg van 's- Hertogenrade: Rode-le-duc. In 1796 kwam er op bevel van de Fransen een einde aan de abdij, waarna er in de loop der jaren nog vijf keer een nieuw Rolduc werd gevestigd, laatstelijk in 1977 onder bisschop J. Gijssen. In dit lijvige, gedocumenteerde boek komen alle ontwikkelingen (soms ook woelingen) onder de verschillende abten aan de orde. Voor ons interessant is echter de beschrijving van de Reformatie en de tachtigjarige oorlog. Letterlijk wordt eerlijk gezegd: 'Men kan bewondering hebben voor de geloofszin, de godsvrucht, het verlangen te leven volgens de schriften en de standvastigheid van deze "Stillen in den lande", die in rust en eenvoud zochten en beleefden wat Gode welgevallig was. Velen van hen waren daar toe tot de marteldood bereid, niet weinigen hebben deze letterlijk ondergaan'. Door Vroom bedrog' bleef (kwam) de abdij in handen van de Jezuïten. Toen namelijk de abdij, na verwoesting in 1580, door controleurs werd bezocht om te zien of de abdij leeg was, waren alle priesters uit de omgeving opgetrommeld (zegt de overlevering), die hun 'sonore psalmodie langs de geblakerde gewelven' lieten horen.
De abdij kreeg geen affiniteit tot de nieuwe leer. Wel kwam de abdij later onder de invloed van de Jansenisten, de beweging die verbonden was met de uit Leerdam afkomstige Leuvense hoogleraar Cornelius Jansenius, die door de Jezuïten vanwege de nadruk, die hij in navolging van Augustinus legde op 'de rol van de goddelijke voorbestemming en genade' werd beschuldigd van crypto-calvinisme. De vraag of het klooster in die dagen jansenistisch werd kan de auteur niet eenduidig beantwoorden. Hij geeft echter wel op boeiende en heldere wijze inzage in het geding. In 1730 veroordeelde de abt 'in zuivere oprechtheid des harten' de vijf stellingen van Jansenius.
Al met al hebben we hier met een belangrijk stuk geschiedschrijving te doen. Nu biedt Rolduc onderdak aan een scholengemeenschap, een conferentiecentrum en het Groot Seminarie van het bisdom Roermond.
V.D.G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's