De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De mens als beeld van God

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De mens als beeld van God

Gedachten rond het aanknopingspunt [2]

7 minuten leestijd

Geen menselijke inbreng

Het is dan ook volkomen te rechtvaardigen dat Barth de visie van Brunner afwees. Ook het formele aanknopingspunt is immers verworden door de zonde. En de verwevenheid met het materieel aanknopingspunt heeft als gevolg dat met aanvaarding van het formeel aanknopingspunt tevens, hoewel onbedoeld, ook aanvaarding van het materieel aanknopingspunt als een paard van Troje wordt binnengehaald. En hiermee is het hek van de dam.

Want het genadekarakter van het evangelie is dan de nek omgedraaid. Genade is geen honderd procent genade meer. Want er is een menselijke inbreng die gehonoreerd wordt ten koste van de honderd procent verdienste van Christus aan het kruis.

Deze menselijke inbreng blijft Barth als natuurlijke theologie verwerpen. Er wordt op deze manier immers groen licht gegeven voor een stuk menselijkheid dat niet is gereinigd in het bloed van Christus en de Geest van God. Barth vindt dat Brunner het algemeen menselijk godsbesef te veel optuigt tot een loopplank voor het evangelie. Op zich genomen zou Barth nog wel bereid geweest zijn positief te spreken over het formele aanknopingspunt. Echter, dan wel enkel onder de strikte voorwaarde dat elke natuurlijke potentie tot aanvaarding van het evangelie met wortel en tak zou zijn afgesneden. Potentie tot aanvaarding van het evangelie ligt er volgens Barth uitsluitend in het werk van Christus. Buiten Christus is er immers geen enkele kennis van God en Zijn evangelie mogelijk. De mens heeft geen innerlijke bron waaruit die kennis opborrelt. Hij bezit vanuit zichzelf evenmin enige antenne om die ware kennis die van buiten hem door het evangelie naar hem toekomt, tot zich te nemen. Bovendien is er, aldus Barth, buiten het evangelie van Christus geen enkele vorm van ware religie. Natuurlijke religie is afgodendienst, want de inhoud van het natuurlijk godsbesef wordt enkel bepaald door boze machten en demonen.

Voorwaar een radicaal standpunt. Helaas komt dat echter in de huidige interreligieuze discussies niet of nauwelijks meer aan de orde. Ook niet via allen die zich zo graag op Barth beroepen. Ondertussen zou het zeer zegenrijk kunnen werken wanneer met de wijsheid en voorzichtigheid van de vreze des Heeren deze radicale visie ingebracht zou gaan worden in de huidige interreligieuze gesprekken.

Grondstructuur

De aandachtige lezer zal intussen opgemerkt hebben dat de kwestie van het aanknopingspunt alles te maken heeft met de grondstructuur van het theologisch denken. Wanneer ergens blijkt dat alles met alles samenhangt, dan wel hier. Dat komt onder andere omdat theologie ten diepste is terug te voeren tot twee componenten, te weten God en mens. Of breder gezegd, God en Zijn (herscheppend werk. Wie daarom een goede leer over God aanhangt, legt daarmee tegelijk de juiste basis voor een goede leer over de mens. Het omgekeerde geldt uiteraard ook, namelijk dat een goede leer over de mens ruimte geeft voor een goede leer over God. Theologie en antropologie hebben alles met elkaar te maken. Wie daarom dwaalt in de mensleer, zal ook dwalen in de Godsleer. Waarbij we tegelijk dienen te bedenken dat wij mensen, ook als gelovigen, hier op aarde maar ten dele kennen. Dat betekent dat onze menskennis en onze Godskennis nooit geheel all round zal zijn. Wel zal die kennis als het goed is de onopgeefbare grondstructuren zuiver weergeven en daarin de grenslijnen aangeven.

Het is in dit verband veelzeggend dat iemand als Augustinus het waarheidsbegrip, dus onze kennis van God en onszelf, niet gezien schijnt te hebben als een dunne, rechte lijn die we krampachtig en nauwkeurig moeten nalopen. Hij ziet het veeleer als twee grenslijnen die parallel lopen, waarbinnen een zekere ruimte is. En wie de Institutie van Calvijn leest, komt tot eenzelfde ontdekking. In veel opzichten heeft Calvijn ruimte om dingen te wegen op hun voor en tegen. Doch als het om de grenslijnen gaat, is hij onverzettelijk.

Tot die grenslijnen of wel grondstructuren rekenen we in elk geval dat God God is en dat wij mensen zijn. Dat wil zeggen dat wij op grond van de bijbelgegevens God niet moeten gaan vermenselijken en de mens niet moeten gaan vergoddelijken. We moeten beide helder uit elkaar houden, zonder daarmee overigens elke onderlinge relatie te ontkennen.

Pottenbakker

Want die onderlinge relatie is er. De mens is door God geschapen en staat tot Hem in de afhankelijke en verantwoordelijke relatie van schepsel tot Schepper. Hij is afhankelijk als leem in de hand van de Pottenbakker. En wat zal dat leem hebben in te brengen tegen zijn Maker? Bovendien is de mens naast afhankelijk te zijn van God, ook verantwoordelijk tegenover Hem en dus schuldig. •

Er zijn barsten en scheuren in zijn bestaan gekomen. Zo zelfs dat het in scherven ligt. En de vraag is of God als Herschepper er nog weer iets moois van zou kunnen maken? En als dat zou kunnen, ligt dat dan aan de mens? Is het leven van de mens slechts in enkele grote scherven uiteengevallen die door de mens gemakkelijk aan elkaar te voegen zijn? Of zou God alleen er weer iets moois van kunnen maken? Zou God in staat zijn om van de hopeloze puinhoop van alle scherven en scherfjes nog weer iets goeds te maken?

Met deze vraagstelling zitten we weer midden in de kwestie van het aanknopingspunt. Alleen, we willen het beeld van leem en Pottenbakker, van gebroken vaas en Herschepper, loslaten. En we willen de kwestie van het aanknopingspunt nog wat verder bezien vanuit het oerbijbelse gegeven van de mens als beeld van God. Door God geschapen als Zijn (even)beeld.

Punt of relatie

Een eerste vraag die hier direct opduikt, is of de benaming aanknopingspunt dan wel geschikt is. Dat wil zeggen, is de mens als beeld van God te typeren als een punt? Of is een deel van de mens als zodanig aan te duiden? En de arbeid van Gods genade, is die te typeren als aanknopen? Doet het woord aanknopen recht aan de eigen waard van de genade van God?

Met andere woorden, is het woord aanknopingspunt opgekomen uit het bijbelse spreken of is het van elders gedropt en doet het daarom schade •aan het bijbelse denken?

Nu is het op zich geen probleem dat woorden van buiten het bijbelse spraakgebruik worden gekozen om bijbelse zaken te verwoorden. Doch zodra daarmee onbijbelse zaken worden binnengesmokkeld, is het zaak om het signaal op onveilig te zetten.

Het zou daarom een studie waard zijn om na te gaan op welk moment het woord aanknopingspunt in de theologie opduikt en welke denksetting het als achtergrond heeft.

In elk geval lijkt ons het woord aanknopen als duiding voor Gods genadewerk in de mens, geen juiste keus. Immers, Gods genadewerk is een kwestie van herschepping en daarin van levendmaking en vernieuwing.

Ook is het een kwestie van toerekenen, van toepassen en aannemen in het geloof. Allemaal aanduidingen die vreemd zijn aan het woord aanknopen.

Zondeloze punt

Wat het woord punt betreft, dat lijkt ons totaal vreemd aan het bijbelse spreken over de mens. Zeker over de mens als geschapen naar het beeld van God. Het verzakelijkt de mens tot een punt, tot een ding. Het legt alle accent op het zijn van de mens, op zijn bestaan als zodanig. Ondertussen sneeuwt het relatiekarakter van het mens-zijn onder. Dat de mens allereerst in relatie staat tot zijn Schepper, gaat verdwijnen. Daarin doet het tekort aan het persoon zijn van de mens en aan het aanspreekbaar zijn. Bovendien veronderstelt het woord punt dat er in de mens iets zou kunnen zijn wat al of niet geheel in het verlengde ligt van de genade van God. En daarmee raakt het de vraag in hoeverre de mens door de zonde verdorven is geworden. Het neigt er althans toe te veronderstellen dat er in de mens nog ergens zoiets als een zondeloze punt is overgebleven, waar God in genade bij kan aanknopen.

R. H. Kieskamp, Lienden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De mens als beeld van God

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's