De priesterlijke dienst van Christus
Openingswoord predikantencontio 2004
Een voortdurende doordenking van Christus' profetische bediening blijft ons nodig. De gemeente van Christus is geroepen voortdurend te onderscheiden waarop het aankomt, zodat we de geest van dwaling in oude en nieuwe verschijningsvormen leren onderkennen en afwijzen. Profetische prediking wordt gekend aan haar kracht en haar duiding.
Een voortdurende doordenking van Christus' koninklijk ambt blijft ons evenzeer nodig. De gemeente van Christus is geroepen zich voortdurend te oefenen in onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan Hem. Zij heeft in deze tijd van bijtende secularisatie evenzeer de troost nodig van de overwinning van haar Heere en Koning. Toch, vraag ik - in het besef dat we de wederkerigheid van Christus' ambten niet uit het oog mogen verliezen - uw aandacht nadrukkelijk voor de priesterlijke bediening van onze Heere.
Priesterdienst
In de huidige kerkelijke situatie vol verwarring en strijd onder ons zoeken we naar een heilige concentratie op het Priesterschap van onze eeuwige Koning en van onze enige Profeet en Leraar. Hij is Priester in eeuwigheid. Ook in deze dagen vol kerkelijke pijn is 'de hoofdsom van de dingen, waarvan wij spreken, dat wij zodanig een Hogepriester hebben, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen: Een Bedienaar van het heiligdom en van de ware tabernakel, die de Heere heeft opgericht en geen mens'. Daarmee staan wij niet buiten de kerkelijke werkelijkheid, evenmin buiten de kerkelijke spanning, evenmin buiten de spanning en zorg die vele predikanten in de gemeenten beleven, nee, wij staan er met het zicht op Hem juist middenin. Tijdens onze dienst worden wij niet ontheven van de zorg, wij worden door Hem midden in de gebroken werkelijkheid geplaatst. Tijdens onze dienst worden wij niet ontheven van-het dragen van het kruis. Wij worden er integendeel zelfs toe geroepen. Maar... in het dragen van dat kruis worden allen die Hem dienen, gedragen en getroost door Hem. Door Hem Die in priesterlijke bewogenheid midden in de diepe ellende van de kerk van Zijn dagen, van alle eeuwen stond. Door Hem Die al die ellende op Zich genomen heeft en meegedragen heeft tot op het hout van versmading en vloek. Hij trok, bewogen en barmhartig, Zijn spoor. Hij draagt als Hogepriester in de hemel ook nu Zijn Kerk in Zijn hart, houdt haar in Zijn hand, gedenkt haar in Zijn gebed.
Offer
In de priesterlijke dienst van onze Zaligmaker valt alle nadruk op Gods verzoenend en verlossend werk. Dat aspect van Zijn arbeid veronderstelt juist de mens die blind en kreupel is, de hoeren en de tollenaars, de armen en de goddelozen. De kern van de verzoening heeft te maken met de schuld van de zonde. In deze ontluisterende werkelijkheid is het Woord vlees geworden. In onze godverlatenheid is onze hemelse Priester neergedaald. De rechtvaardiging is én blijft de rechtvaardiging van de goddeloze. Hij ontfermt Zich in gadeloze liefde over wat verloren, verstrooid en verward is. Zijn liefde voor het verlorene bracht Hem aan het kruis. Hij ging niet weg, maar zocht en zoekt en rechtvaardigt de goddeloze. Zijn weg was de wet van het stervend tarwegraan. Het was voor Hem een weg van sterke roeping en tranen. Daarin is Hij ons zeer nabij. Dienstknechten zijn geroepen Zijn voetstappen te drukken, Hem na te volgen in het zoeken van wie goddeloos is. Dienaren van het Woord dragen het hart van een priester in zich om. Een hart waarin een vuur van liefde brandt voor al 'wat zwerft op aard', verlaten, verstoten, verloren'. Het is het vuur van bewogenheid. De heilige roeping en liefde van de Priester die aan het verlorene niet voorbijgaat, maar Zich diep buigt om het op te rapen en te redden. Dienaren dragen daarom het Woord van genade en verzoening mee.
Zij doen dat weliswaar in een aarden vat. Maar tóch: 'Die behoorlijk het evangelie willen bedienen, moeten niet alleen leren spreken en roepen, maar in de gewetens doordringen, opdat zij Christus in zich gekruist voelen en zijn bloed op hen drupt' (Calvijn in z'n commentaar op Galaten 3:1). Juist dit leven uit de priesterlijke bediening van Christus maakt ons intens en vurig bewogen. Hier vindt het geloof ook zijn diepste grond. Het geloof dat het welbehagen van de Heere voorspoedig doorgaat. Ook na 12 december 2003. Wij beleven aan dat besluit grote pijn. Een besluit dat onder ons meer verstoort dan sticht. Maar daarmee is Gods welbehagen met ingeperkt. Daarmee zijn niet de grenzen van de dienst der verzoening aangegeven. Daarmee is de grens van de reikwijdte van Christus' verzoeningswerk niet bereikt. Van Zijn offer aan het kruis belijden wij immers dat het is: ... van oneindige kracht en waardigheid, overvloedig genoegzaam tot verzoening van de zonden van ganse wereld' (D.L. 11, 3). De dienst van de verzoening die rust in het heilig offer dat Christus bracht, vraagt dringend om voortgang. Want: 'de rechtvaardiging van de goddeloze is het artikel waarmee de kerk staat of valt'.
Roeping
Als herder weet u zich geroepen zorg te dragen voor de hele kudde, aan uw zorgen toevertrouwd. Er zijn meerdere broeders onder ons die in deze situatie lijden aan de spanningen binnen de gemeente. Meer dan ooit lijdt u aan het ambt, lijdt u aan uw roeping. We - weten dat onze roeping ons niet de" , gunst van mensen zou opleveren. In ' de praktijk viel dat meestentijds nog wel mee. In deze fase komt het feit dat u op uw post blijft in het geheel van de kerk, u echter te staan op soms felle" . afkeuring. Op vraagtekens achtei; uw ' roeping. Op vragen naar uw betrouwbaarheid. "
Wie met zijn strijd en vragen echter bij de Heere schuilt, gaat in deze weg van navolging en gehoorzaamheid aan Hem in onze gebroken situatie niet alleen. Waar Hij is, kunt u Zijn. Waar Zijn kruis wordt verkondigd, kunt u zijn. Waar Zijn Evangelie klinkt, het bloed van de verzoening drupt, daar kunt u ook zijn. Zo hebt u een woord voor de schapen van uw kudde. Voor hen die zich om de kerkelijke situatie niet bekommeren en voor hen die ernstig bezwaard zijn.
Bediening der verzoening
Meerderen onder ons ervaren grote spanningen in de kerkenraden en gemeenten na de twaalfde december. Wij worden in onze kerkelijke liefde verscheurd. Die pijn ervaren we diep in onze harten. Velen van ons wisten en weten zich verslagen. Daarbij komt dat broeders in het ambt, kerkenraadsleden, gemeenteleden zich dreigen los te maken uit de kerkelijke verbanden die na 1 mei zullen ontstaan. Hoe staan we daarin? Hoe gaan we daarmee om?
De eenheid vindt haar concentratiepunt onder de bediening van de verzoening, rond de hemelse Priester, Die Zijn leven gaf. Daar zijn we immers samen goddeloos. Daar zijn we samen aangewezen op Zijn offer dat bevrijdt
en redt. In alle donkerheid is er rond de Gekruisigde, Die we kennen als de Opgestane, de Levende, licht, leven. Wij bidden dat de hemelse Priester Zelf Zijn kruis hoog voor ons houdt. Opdat wij als dienaren van het kruis voortgaan zonder te versagen. Zijn kracht wordt in onze zwakheid volbracht. Dat is de vreemde, maar heilige manier van werken van Christus. Het is Zijn genade! Wij verkondigen het Woord van de Priester van de hemel, Die door de meest aangrijpende diepten van duisternis en verlatenheid is gegaan. Wij verkondigen het Evangelie van hoop in een reddeloze situatie. Van Hem staat geschreven: 'Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze krankheden heeft Hij gedragen'.
U veroorlooft mij een persoonlijke noot? Broeders, waar is ons geloof? Bij tijden ben ik verontrust over de hervormdgereformeerde beweging en haar geloofsleven. Bezorgd over ons zicht op de diepste kern van de verzoening. Waarin niets van mij is, maar waarin alles van Christus komt. Dan alleen is er hoop voor onszelf. Maar dan kunnen wij in priesterlijke bewogenheid ook de kerk in haar verval niet loslaten. Teken van de diepste ellende is het kruis, met daaraan mijn Heere en mijn Zaligmaker. Niet een nieuwe organisatie helpt ons verder, niet de gang naar de rechter helpt ons verder, maar de bediening van de verzoening in de volmacht van de Geest.
Preken
De hervormd-gereformeerde beweging staat of valt niet met de kerkorde waaronder zij leeft, zij staat of valt met haar geloofsleven en met haar prediking. Is de bediening van het Woord werkelijk bediening van de verzoening? Zij staat of valt met de ondoorgrondelijke genade van onze Heere en Koning.
Broeders, daarom getroost op uw post gebleven! Wees streng voor uzelf. Wees heilig in uw dienst. Leef dicht bij uw God. Wees jegens anderen zachtmoedig en lankmoedig. En als we geen gehoor vinden? Zullen we dan bidden dat vuur van de hemel neerdaalt? Nee, want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden' (Lukas 9:56). Wat doen we nu, na 12 december? Preken, broeders! Preken alsof het leven ervan afhangt. Dat doet het trouwens ook. Het leven van hen die u en mij horen, hangt ervan af. Het geloof is immers uit het gehoor. Getuigen van het bloed van de verzoening dat is gevloeid 'voor hoeren, honden altemaal en voor mijzelf in het bijzonder' (Achterberg). Laten wij de plaats der gehoorzaamheid innemen. Van u en mij worden wellicht zwaardere offers gevraagd. Meer loutering, meer oefening in de godzaligheid. Meer vurig gebed. We staan bloot aan barre winden maar een dienstknecht is niet meer dan zijn Meester. In de dienst van de verzoening ging Hij tot in de dood. Voor u en voor mij. Ach, dan kan ik wel tegen een stootje.
Gebed
Onze Heere was niet alleen Priester in Zijn vernedering, Hij is het ook in Zijn verhoging. En als de verhoogde Priester, Die door de hemelen is doorgegaan, bidt Hij voor de Zijnen, voor Zijn kerk, voor Zijn volk. Hij is onze Voorspraak bij de Vader. Hij is Degene Die het pleit bezorgt bij de Vader voor Zijn gemeente op aarde. Juist, wanneer Zijn gemeente hier door diepe crises gaat, wanneer zij vervolgd wordt omwille van haar geloof, wanneer ze bedreigd wordt door de dodelijke en verwoestende sleur, wanneer ze uit elkaar gereten wordt door een geest van tweedracht, wanneer ketterij en dwaling zich aandient, dan is Hij Degene Die bij uitstek waakt. Eén aspect van Zijn waakzaamheid is Zijn gebed, aangezien Hij altijd leeft om voor Zijn kerk te bidden. Wij zeggen elkaar dit niet als een automatisme. Nee, hier is sprake van levende werkelijkheid, die we in grote en heilige verwondering horen en geloven mogen. Want Hij heeft 't ons gezegd.
In uw zorg voor de gemeente mag u Hem te hulp roepen. Hij voert voor schuldigen en zwakken het pleit bij de Vader. De Hogepriester van de hemel draagt Zijn kerk in Zijn doorboorde handen tot de Vader, tot de troon van Zijn Vader, tot het hart van de Vader. Dat biedt ons onverwacht een rijke en grote troost. Hij draagt heel Zijn Kerk, de gemeenschap der heiligen, mee in Zijn gebeden. Hij wandelt immers in het midden van de zeven gouden kandelaren. Daarin ligt een grote troost voor de gemeente van nu. Hij draagt de sterren in Zijn rechterhand. De sterren als een teken van de voorgangers van de gemeente. Daarin ligt een intense bemoediging voor u als voorgangers van de gemeente, ook in deze tijd van crisis en zorg. Hoe vaak hebben u en ik de gedachte dat wij het niet meer overzien. Als u Hém maar ziet. Als u maar ziet op de wonden in Zijn handen: tekenen van Zijn verzoenend werk. Als u maar ziet op Zijn gevouwen handen: tekenen van Zijn voorbede. En in Zijn wonden én in Zijn gebed is er voor u allerlei vertroosting, en veel moed. U draagt de zorg voor de gemeente dagelijks mee. Draag ze niet zonder Hem, draag ze niet buiten Hem om. Hij draagt ook Zijn dienaren in tere zorg en in heilige liefde. En waar Hij bidt, daar gebeurt ook iets. Daar komt de Geest van de genade en van de gebeden in de gemeente. Christus draagt deze Geest immers niet voor zichzelf, maar voor de leden van Zijn lichaam. Waar deze Geest komt, moet de geest van verscheuring en verbittering en van sleur wijken. Broeders, de hoofdsom van de dingen waarvan wij spreken, is dat wij zo'n Hogepriester in de hemel hebben. Dat gelooft u toch? Ja, anders was u geen dienaar van Hem. U leeft toch ook uit dat geloof? Dat geeft u moed, hoop, uitzicht en perspectief. Want wij weten dat de Vader Hem altijd hoort. In Zijn voorbede ligt het heden én ligt de toekomst van de kerk vast. Door de crises heen bidt Hij Zijn gemeente naar huis. In Zijn priesterdienst is onze kracht, ons behoud. Wij brengen onze gebeden in Zijn Naam voor de Vader. Door Zijn Geest leren ook wij in priesterlijke bewogenheid voortdurend voorbede te doen. Voor de gemeente, voor de kerk van Christus, voor allen die van Hem zijn. Het geloofszicht op Hem maakt ook ons priesterlijk bewogen. Een dienaar is een afspiegeling van zijn Meester: hij bidt, hij doet voorbede. Maar we doen het in Zijn Naam. In de Naam van Hem 'voor wie niemand, maar Die zelf voor allen intreedt' (Augustinus).
Moed
De hoofdsom is dat we deze Hogepriester hebben. Dat wil zeggen dat we Hem ontvangen hebben. Daarom is het met de kerk van Christus geen verloren zaak. Ook niet in ons land. Ook niet met de kerk der vaderen. Ook niet met de erfenis die ons is overgeleverd en geschonken. Want, onze hemelse Priester leeft en Hij bidt. In Hem dragen wij hoop mee voor de kerk. 'Laat ons met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd' (Hebr. 4 : 16).
G. D. Kamphuis, Amstelveen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's