Koning van de kerk
INGEZONDEN
Vaak wordt gezegd en geschreven dat Jezus Christus Koning van de kerk is, maar is dat ook zo? Is Hij wel de Koning van de Kerk of hebben wij Hem Koning van de kerk gemaakt? De kerkvergadering te Nicea en de verklaring van Athanasius vonden plaats in de tijd waarin keizer Constantijn de Grote het christendom tot staatsgodsdienst verhief en zijn groot Romeins rijk tot een christelijk rijk omdoopte. Voor hen begon toen reeds Gods Koninkrijk op aarde en het daarmee verbonden duizendjarig Vrederijk. Het Messiaanse rijk behoefde dus niet meer verwacht te worden... het was reeds aangebroken. De kerk had Israël van haar unieke plaats verstoten en vertegenwoordigde Gods heerschappij op aarde. Zolang dat voortduurt, zal er voor de kerk geen zegen zijn!
Toen werd de basis gelegd voor de grote verwarring die momenteel bestaat over Gods handelen met Israël. Zou de verwarring in de Nederlandse kerken daarmee te maken hebben? Helaas wordt de gedachte dat we nü reeds in het Vrederijk leven, sinds Augustinus, breed in de kerk aangehangen.
Als we bidden: 'Uw Koninkrijk kome', welk koninkrijk bedoelen we dan? Uw Koninkrijk kome, toekomende tijd. Wat zegt Jezus zeifin Joh. 18 : 36: 'Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaren gestreden hebben, opdat Ik de Joden niet ware overgeleverd; maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier'.
De joodse leiders hebben hem beschuldigd Koning te willen zijn, want daarom zou hij immers een opstandeling tegen de Romeinse keizer zijn en dus ter dood veroordeeld moeten worden. In dit verband zegt Jezus 'Mijn koninkrijk is niet van deze wereld'. Dat komt straks. Als Hij komt als de Vredevorst, zal alles anders worden. Dat komende Koninkrijk komt niet uit deze wereld voort, maar zal wel over deze wereld heersen, met Israël als 'hoofd der natiën'. De vraag van de discipelen luidde: 'Heere, zult Gij in deze tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten? ' En Hij zeide tot hen: 'Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft' (Hand. 1: 6-7).
Voor ieder was duidelijk wat die vraag inhield, namelijk een herstel van het aardse koninkrijk van Israël met Jeruzalem als hoofdstad, zoals in de dagen van David en Salomo. Jezus ontkent dat komende koningschap niet, maar op Zijn tijd zal het geschieden. Daarover heeft Hij 40 dagen lang met ze gesproken (Hand. 1:3).
Jezus Christus is niet de Koning van de Kerk, maar de Koning der Joden (Mark. 15 : 2, 9, 12, 18, 26 en vele andere teksten). Zo kwam Hij (Matth. 2 : 2), zo stierf Hij (Matth. 27 : 37) en zo zal Hij wederkomen. '...Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn' (Luk. 1: 33) en via Israël over alle natiën van de wereld, die nu nog onder de heerschappij van satan, de vorst der duisternis zijn, regeren (Luk. 4 : 5, 6). Het koninkrijk komt met de koning.
Christus is het Hoofd van de gemeente (Kol. 1:18, 24). Nergens in de Schrift wordt Jezus de Koning van de Kerk genoemd!
Pas toen de kerk zich in de plaats van Israël stelde en alle beloften, aan Israël gedaan, in bezit nam en daarmee Israël als Gods eeuwige verbondsvolk onterfde, sprak men over Christus de Koning van de kerk. Deze koningsgedachte heeft alles te maken met de vervangingsleer, de leer, waarin men de kerk stelt in de plaats van Israël. Toen werd de Joden hun koning afgenomen en Jezus Christus werd de Koning van de kerk. Daarbij heeft men ook gedacht aan een sterke christianisering van de wereld.
Er is hier sprake van een 'opgaande lijn' die leidt tot de volmaking van het koninkrijk door een groeiende kerk. De wereld moest steeds christelijker worden, maar de wereld wordt steeds antichristelijker. In deze vervangingsleer, van de heersende kerk nü, in de plaats van Israël, zijn de profetieën over de toekomstige dingen allemaal reeds vervuld. Er is daarom geen plaats voor een duidelijke toekomstverwachting voor Israël als verbondsvolk aan wie tal van profetieën nog vervuld moeten/zullen worden. Als we nu zeggen: 'we hebben de vervangingsleer achter ons gelaten' en we gebruiken toch steeds termen waarvan de oorsprong ligt in de vervangingsleer, dan zijn we toch ongeloofwaardig bezig en vooral: draagt dat niet bij aan een toenemende verwarring?
J. J. HOLLEBRANDSE, APELDOORN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's