De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

‘Lieve Besundere’

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

‘Lieve Besundere’

Tekst en context van het Wilhelmus

10 minuten leestijd

Tijdens de opruiming vanwege de verhuizing naar Capelle aan den IJssel vond ik in mijn collegedictaat paleografie (een bijvak van Kerkgeschiedenis bij dr. Frits Broeyer, waarin Oudnederlands handschrift werd ontcijferd) een kopie van de brief waarin prins Willem van Oranje op 18 juli 1541 een bededag uitschrijft. Wat mij vooral is bijgebleven, waren de laatste twee woorden in de aanhef van de brief. Naast officiële woorden als hooggeëerde, waardige, enz. met daarbij gevoegde titels, volgden als laatste in de rij twee heel persoonlijke woorden: 'lieve Besundere'. 'Lieve' vertalen we met 'zeer gewaardeerde', zoals vrienden onder elkaar spreken. Terwijl 'besundere' een woord is dat het hoogste respect uitdrukt voor iemand die een bijzondere plaats inneemt. Die 'besundere' plaats neemt ook prins Willem van Oranje in, in het boek 'Het lied van Oranje en Nederland'.

Nieuw licht

In de loop der tijd is veel onderzoek gedaan naar de 'vader des vaderlands', Willem van Oranje. Dat geldt ook voor dat bijzondere lied, dat niet alleen aan zijn persoon, maar ook aan ons koningshuis, ons land en volk heden ten dage nauw verbonden is: het 'Wilhelmus'.

Namen als A. den Besten, M. de Bruin, A. Maljaars, W. C. Buitendijk en S. J. Lenselink ontbreken in het Wilhelmus-onderzoek niet. Aan deze lijst kan nu ook de naam van dr. E. Hofman worden toegevoegd. Vorig jaar verscheen van zijn hand in de serie Theologie en Geschiedenis een uitvoerige studie over de tekst en context van het Wilhelmus.

In een eerder artikel (opgenomen in Transparant, 1998) maakte de schrijver gewag van de vondst van een klein boekje in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. Hierin ontdekte hij een tekst die enerzijds verdacht veel leek op 'ons' bekende Wilhelmus, maar anderzijds daar opmerkelijk van afweek. Deze door Hofman genoemde A-tekst telt slechts 14 verzen, die ook nog in een andere volgorde staan. Het is bijzonder boeiend om die tekst te lezen en aan een nadere studie te onderwerpen. Daarin stelt de schrijver niet teleur.

Hofman onderzoekt de opmerkelijke zinswendingen en het sterk afwijkend metrum van deze 'oertekst'. Niet het minst valt op dat het acrostichon (naamdicht) ontbreekt. Wie namelijk de eerste letters van elke vers van het Wilhelmus bij elkaar voegt, ontdekt de naam Willem van Nassov.

Wat het onderzoek naar het door Hofman ontdekte handschrift vooral bemoeilijkt, is het ontbreken van zowel een auteursnaam als een jaartal. Dat gold al van het Wilhelmus, dat geldt niet minder van deze A-tekst. Toch probeert de auteur op inhoudelijke en tekstuele grond het nodige te zeggen, en dat doet hij bijzonder uitvoerig en gedegen.

Uitgangspunt voor zijn studie is, om op inhoudelijke en tekstuele grond aan te tonen, dat deze A-tekst (Hofman dateert hem eind 1568, begin 1569) voorafgaat aan en basis is voor de B-tekst ofwel ons Wilhelmus zoals we dat vandaag kennen. Laatstgenoemde is in zijn huidige vorm kort na de slag bij Den Briel op 1 april 1572 bekend geworden.

In de schrijver van de A-tekst meent de auteur Oranje's hofprediker en gelegenheidsdichter Adrianus Saravia te herkennen. Later zou Marnix van Sint- Aldegonde, vertrouweling van de Prins, deze 'oertekst' in handen hebben gekregen en - met toevoeging van een 15 e vers en omzetting in een acrostichon - deze hebben 'bewerkt' tot het eigenlijke Wilhelmus. Hiermee is kortweg de inhoud van dit lijvige boekwerk weergegeven.

Polemiek

Ofschoon het boek een gedegen studie aan de dag legt en ik grote waardering heb voor het elan waarmee Hofman met dit onderwerp gedreven omgaat, wil ik toch een enkele kanttekening plaatsen.

Wat mij na de eerste hoofdstukken gelezen te hebben opvalt, is dat deze studie behoorlijk overschaduwd wordt door een zekere afwerende toonzetting in de richting van een aantal opponenten, die zich niet minder in de materie van Willem van Oranje en het Wilhelmus hebben verdiept. De allereerste voetnoot - 'Met dank aan dr. A. Maljaars, die mij op het bestaan van dit handschrift heeft gewezen, maar' zich samen met dr. A. C. den Besten zeer kritisch uitliet over de waarde van mijn onderzoek' - tekent van meet af aan de wat vijandige ruis die door heel het boek is waar te nemen. Dat is ergens te begrijpen, omdat A. C. den Besten en A. Maljaars in eerdere publicaties hebben aangegeven dat zij in de tekst die Hofman heeft gevonden niet méér zien dan een eendagsvlieg. Deze A-tekst is volgens hen van het 'echte' Wilhelmus afgeleid. Hofman betoogt 1 het omgekeerde.

Bij het onderbouwen van zijn stelling trekt Hofman alle mogelijke registers open. Van historische tot inhoudelijke, van taalkundige tot metrische bewijzen. Dat doet hij niet alleen vol overtuiging, maar ook uiterst bekwaam! Ongetwijfeld zal zijn grote voorliefde voor de zestiende-eeuwse taal en oris volkslied in het bijzonder hierbij een grote rol spelen.

Ongewisse

De ondertitel 'Nieuw licht op het Wilhelmus en zijn dichters' - de aankondiging van uitgeverij Kok in haar huisblad Inzage (najaar 2003, blz. 7) geeft een andere ondertitel: 'Hoe ons Wilhelmus uitgroeide tot nationaal symbool' - schenkt aanvankelijk veel verwachting. Hierbij doet Hofman een aantrekkelijk voorstel, op zoek naar een antwoord op de twee kernvragen die tot op vandaag nog niet met zekerheid zijn be-' antwoord, namelijk wie de schrijver is van ons volkslied, en wat het precieze jaartal van ontstaan is.

Al lezend, merk ik dat er veel wordt aangeroerd, maar het viel mij in toenemende mate op dat de schrijver zonder uitzondering al zijn conclusies, samenvattingen en voetnoten weergeeft met zinswendingen zoals: 'Het zou kunnen dat...', 'Het is zeer wel mogelijk dat', 'Het is niet aannemelijk...' enz.

Dit is in wetenschappelijke zin weliswaar correct uitgedrukt, maar roept tegelijk de vraag op of een herhaling van vermoedens nog iets toevoegt aan hetgeen anderen al eerder hebben uitgesproken. Dat het boek dan ook eindigt met de conclusie, dat 'de kans, dat in

de toekomst bij verder onderzoek nog geheel nieuwe namen voor het dichtersschap genoemd kunnen worden, klein lijkt' is na ruim 260 bladzijden dan ook geen verrassing meer.

Onwetenschappelijk

Jammer vond ik in deze onmiskenbaar doorwrocht wetenschappelijke uiteenzetting de naar mijn gevoelen bepaald onwetenschappelijke uitspraak op bladzijde 116. De auteur heeft er (terecht!) moeite mee dat vele Nederlanders en in Nederland woonachtige medelanders het Wilhelmus niet kennen. De oorzaak hiervan ziet Hofman voornamelijk in de structuurproblemen (de 'verwarde compositie') van h^t Wilhelmus. Ik citeer: 'Behalve enkele onderzoekers kan geen Nederlander alle vijftien strofen van het lied uit zijn hoofd citeren. De verwrongen compositie zou daarvan wel eens de voornaamste oorzaak kunnen zijn. Door de ondoorzichtige relaties tussen de verschillende strofen beklijft het niet gemakkelijk in ons geheugen en wordt er zelfs een zekere weerstand door opgeroepen, die zich moeilijk in onze hersens laat verhelderen... Nog steeds zou het acrostichon een welkom hulpmiddel kunnen zijn om het begin van de strofen te binnen te brengen, maar op grond van de verstoorde samenhang in de opeenvolging van de gedachten, sorteert dat niet het optimale effect'. Ik geef toe dat het Wilhelmus (en daarbij alleen nog maar de verzen 1 en 6) uitsluitend gezongen wordt rondom Koninginnedag en bevrijdingsdag. Terwijl de melodie minstens bij voetbalminnend Nederland bekend moet zijn. Hebben velen vandaag de dag niet juist veel meer hang naar andere zaken dan ons volkslied? Daaraan kan toch niet de structuur zelf debet zijn? Nu is de gedachte van een 'ander Wilhelmus' niet nieuw bij Hofman, gezien de forumdiscussie in het Reformatorisch Dagblad van 16 februari 2001. Het artikel, gericht tegen Hofman, kopte indertijd met: 'Handen af van het Wilhelmus'.

Melodie

Wanneer de melodie van het Wilhelmus aan de orde komt, merk ik een dissonant in het betoog. Hofman schrijft (blz. 145): 'De eerste wijsopgave boven het Wilhelmus die we kennen is die boven de oudste vertaling van 1573 in het Duits. De druk vermeldt: 'lm Thon. Wie man das Lied vom Grafen von Rom singet'. Vanaf de editie van 1576-77 verschijnt omtrent de melodie de mededeling: 'Na de wijse van Chartres'.

Hij wil ervan afzien dat de melodie, die 'bij Chartres' gezongen werd niet bij de A-tekst hoorde. Gezien het beleg van Chartres in 1567 door de Prins van Condé, en het daarop gemaakte spotlied, is het voor Hofman onacceptabel deze melodie 'waarin smalend gezongen wordt' aan 'zijn' A-tekst, laat staan aan het Wilhelmus toe te vertrouwen. 'Een melodie die deze woorden oproept kan niet gebruikt worden voor een lied dat het voor de Prins opneemt'.

Dit lijkt mij vanuit historisch oogpunt niet juist opgemerkt. Waarom zou een spotlied niet 'omgebogen' kunnen worden tot een loflied op de Prins? Zoals ook het kerstfeest ooit als antidotum (tegengif) juist op de datum van het heidense zonnewendefeest werd 'geplaatst'? De gedachte kan stuitend zijn, maar droeg een aantal door ons geëerbiedigde melodieën (hetzij vaderlandse, hetzij bijbelse) aanvankelijk niet de tekst van wereldse liederen?

Niveau

Wanneer het over het metrum (de maat) van versregels gaat, passeert een aantal woorden die de auteur helaas niet verklaart. Woorden als jambe, anapest, trochee, distichon, dactyle en spondee (met uitzondering van amfibrachus) komen met regelmaat ter sprake. De lezer mag raden wat hier bedoeld wordt. Ook woorden als prolepsis, asyndeton en tautologie, of anders idiomatisch, discrepantie en archaïsch doen naar een woordenboek grijpen.

Het meest sprekende voorbeeld trof ik aan op blz. 243: 'Volgens hem is Marnix tot de ontdekking gekomen, dat binnen een driejambische context afgebakende anapesten op markante wijze een secundaire alternatie vormen met het effect van verlevendiging, beweging, bewogenheid'. Het boek had aan inzichtelijkheid gewonnen, als de schrijver op dit punt meer helderheid bood.

Layout

Het boek zelf oogt bijzonder mooi, waarbij het kaft de inhoud poogt weer te geven. Achter het portret van Willem van Oranje ligt de muzikale tekst van

het eerste couplet van ons volkslied als watermerk. De uitgave is bijzonder verzorgd, al is de paragraafindeling door een wat inconsequent gebruik van Romeinse en Arabische cijfers in het eerste hoofdstuk wat verwarrend.

Verder viel mij door het gehele boek een vijftiental identieke typografische fouten op.in de rechter tekstmarge. Gezien de overeenkomst zal dit ongetwijfeld aan een computerstoring te wijten zijn. Opmerkelijk genoeg telt de tekst van hoofdstuk III slechts 22 voetnoten, terwijl de verwijzingen achterin tot 24 gaan.

Over voetnoten gesproken. Veel waardevolle informatie die achter in het boek als voetnoot werd opgenomen, zou onverkort in de tekst een plaats mogen krijgen. Hierdoor wint het betoog aan helderheid en wordt onnodig heen en weer bladeren voorkomen. Anderzijds zouden juist de vele tekstvoorbeelden weer naar de voetnoten, beter nog: naar een aparte katern overgebracht kunnen worden. Wellicht is de overvloed aan bewijsvoering er de oorzaak van, dat de schrijver pas in de laatste twee hoofdstukken inhoudelijk toekomt aan de eigenlijke thematiek van zijn studie: Het lied uan Nederland en Oranje.

Afrondend

De studie van dr. E. Hofman is gedegen, uitvoerig en bijzonder gedetailleerd. Daarbij ligt de taal van de 16e en 17e eeuw de schrijver zeer na aan het hart, gezien ook zijn dissertatie in 1993 aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, gepromoveerd op 'Liedekens vol gheestich confoort'.

Hoe gedegen deze studie ook is, vanwege zijn specialistische opzet is hij hoog ingezet en daardoor moeilijk toegankelijk voor een breder publiek. In ied geval heeft de schrijver zelf hoog publiek voor ogen, wanneer hij dit boek opdraagt aan 'Z.K.H. De Prins van Oranje en H.K.H. Prinses Maxima der Nederlanden'. Bij een eventuele herdruk zou daar nog de 'lieve besundere' Catharina-Amalia (mét streepje) aan kunnen worden toegevoegd.

M. F. van Binnendijk, Capelle aan den IJssel

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

‘Lieve Besundere’

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's