De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Liefde en lof ten offer

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Liefde en lof ten offer

Zegen rondom het heilig avondmaal [3]

9 minuten leestijd

In een derde en laatste artikel wil ik het een en ander schrijven over de dankzegging en nabetrachting op het gevierde heilig avondmaal. Het zal ieder duidelijk zijn dat ik mij daarin moet beperken. Vanwege de omvang van dit artikel kan alleen het meest wezenlijke aangestipt worden. Voor een gedetailleerder uitwerking verwijs ik naar de werken van Petrus Immens (De godvruchtige Avondmaalganger) en ds. C. van der Wal (Amen en beamen).

Aan tafel d

De dankzegging begint reeds, wanneer alle avondmaalsgangers het gebroken brood tot zich genomen hebben en uit de beker met vergoten wijn hebben gedronken. Met de lichamelijke mond hebben de gelovigen brood en wijn gegeten en gedronken, maar met de geestelijke mond, d.i. in het geloof, het lichaam en bloed des Heeren. De Heilige Geest geeft geestelijke gemeenschap aan de Zaligmaker. Zodra nu de maaltijd des Heeren beëindigd is, wordt er een passend Schriftgedeelte gelezen. Onder een passende Schriftlezing versta ik een gedeelte dat niet alleen betrekking heeft op het heilig avondmaal, maar waarin ook al iets van dankzegging naar voren komt. Naar aanleiding van het gedeelte dat gelezen is, kan er nog een enkel woord door de predikant gesproken worden. Dit wordt in zijn vrijheid gelaten. Ik krijg de indruk dat er niet vaak een toespraak gehouden wordt, maar dat er direct na de Schriftlezing een loflied wordt aangeheven. Dit laatste kan opgegeven worden door een predikant, maar het behoeft niet verkeerd te zijn als het gedaan wordt door een disgenoot, 't Zal juist zijn als iemand mij voorhoudt dat alles met orde moet gebeuren, maar daarmee is niet gezegd dat het orde-verstorend is als een ander dat de predikant een loflied opgeeft. Een spontaan opgegeven lied - opkomend uit het hart - kan het heilig avondmaal dat bediend en gevierd is, rijker maken. Wat dat betreft moeten wij de Heilige Geest ruimte laten én geven. n n w l r z z d d W b n s d d A t d g l m d m H m v d l I a g h d d s W n n d g

Van tafel a l

Van tafel gaan wij weer naar onze zitplaats. Daar doen wij eerst een dankgebed. Dat kan niet achterwege blijven. In het heilig avondmaal heeft de Heere ons veel gegeven. Wij willen de m l v r t dank daarvoor persoonlijk voor Hem neerleggen. In het dankgebed zal iets naar voren komen van wat er weliswaar in een andere situatie bij Maria leefde: 'Mijn ziel maakt groot de Heere'. Kortom: de Heere wordt dankgezegd voor al Zijn weldaden. In 't bijzonder voor de gave waarvan wij met de apostel Paulus zeggen: 'Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave'. Wanneer ik dit zo schrijf, zal eenieder begrijpen dat de dankzegging en de nabetrachting niet alleen maar geschiedt in de middag- of de avonddienst, maar zij vindt direct plaats na de viering van het heilig avondmaal.

Aan tafel in gemeenschap met Christus en de leden van Zijn lichaam, maar dan ook heel persoonlijk in het dankgebed. Maar let wel: van het persoonlijke keren wij weer terug naar het gemeenschappelijke. Zoals ik reeds eerder schreef, geloven wij niet alleen, maar wij doen dit in gemeenschap. De Heere laat ons niet aan onszelf over, maar Hij geeft ons aan elkaar. Wij zijn van één en hetzelfde lichaam. In het dankgebed van het avondmaalsformulier wordt dit nog eens geaccentueerd. In dit onvolprezen dankgebed wordt aan de gemeente van Christus leidinggegeven om direct na de viering van het heilig avondmaal de weldaden van de Heere te overdenken. Hoe bijzonder worden de kinderen Gods aangesproken, wanneer de dienaar van het Woord weer aan het woord komt. Hij noemt ze geliefden in de Heere. Waarom noemt hij allen die in waarheid aan de dis van het nieuwe verbond hebben gezeten op die wijze? Om geen enkele andere reden dan dat zij werkelijk geliefden in de Heere zijn. Daarom hoort men mij niet zeggen dat zij altijd zo lief zijn voor de Heere, voor elkaar en voor anderen. Er zijn onder de kinderen Gods mensen die soms knap lastig zijn. Niet alleen voor zichzelf en voor anderen, maar vooral voor de Heere. Zij zijn werkelijk niet altijd zo lief. Zij wassen soms liever de oren dan de voeten van elkaar. En toch, hoe paradoxaal het mag klinken: geliefden in de Heere. Maar waarom dan toch? Omdat de liefde Gods in hun hart is uitgestort. Deze liefde kan tanen. Het liefdevuur kan ten gevolge van allerlei oorzaken afnemen, maar toch... deze liefde Gods, d.i. de liefde van God tot de Zijnen, verdwijnt nooit. Zij is van eeuwigheid en zal tot in eeuwigheid zijn.

Psalm 103

Ook al is het via de mond van de dienaar, doch wij zeggen de Heere dank voor al Zijn weldaden aan ons geschonken. Zoals wij de Heere danken voor het dagelijks voedsel, zo gaan wij niet eerder Zijn huis uit alvorens wij Hem hebben gedankt voor de maaltijd die hemelhoog boven de dagelijkse maaltijd uitsteekt.

Terecht wordt de dankzegging gedaan met de woorden uit Psalm 103. Een van de eerste weldaden die in deze psalm wordt genoemd en waarvoor de Heere gedankt wordt, is de vergeving van de zonden. Al wat binnen ons is, zingt en spreekt mee. Dat kan ook niet anders, want dankzij het volbrachte werk van Christus op het kruis van Golgotha delen wij in de vergeving der zonden. Op grond van Zijn offer zijn wij rechtvaardig voor God als hadden wij nooit één zonde gedaan of gehad. Hoe groot is het in het geloof te weten dat de Heere Jezus onze schuld en vervloeking op Zich heeft geladen dat Zijn onschuld ons wordt toegerekend.

Het is wellicht overbodig te schrijven dat de lofprijzing zich richt op de drieenige God: Vader, Zoon en Heilige Geest. Het is 'soli deo gloria' (God alleen de eer). Hij is niet alleen groot in Zichzelf, maar niet minder in Zijn daden. Bij Zijn daden denk ik in 't bijzonder aan de schepping en herschepping. Beide zijn uit niets (ex nihilo).

In de dankzegging wordt de Heere ook geloofd en geprezen om Zijn goedertierenheid. Deze is er hemelhoog en wereldwijd. Daaraan behoeft niet getwijfeld noch gewanhoopt te worden. Gods goedertierenheid is er de oorzaak van dat Hij ons vrijspreekt, zodat wij in Zijn gericht niet gedaagd worden. Zijn goedertierenheid in Christus heeft ervoor gezorgd dat de kwitantie is betaald. Betaald met Jezus' bloed (Luther). Om die reden is er de vreze Gods in ons leven. Dat wil niet zeggen dat wij bang zijn voor de Heere. Het houdt veeleer in dat er bij ons een grote liefde en een diep ontzag voor de Heere is.

Kortom: wij danken met ons hele hart voor de gave van Gods eniggeboren Zoon. Hij is ons geschonken tot een Middelaar en offer voor al onze zonden en tot een spijs en drank van het eeuwige leven.

Bidden

Waarschijnlijk zal het ons wel eens opgevallen zijn dat de dankzegging in het avondmaalsformulier overgaat in bidden. In dit gebed wordt gevraagd naar de wasdom (de groei van het geloof) en de versterking van de gemeenschap met de Heere Jezus Christus.

Nu moet men niet denken dat dit gebed losstaat van het heilig avondmaal dat zojuist gevierd is. Neen, dit gebed is er onafscheidelijk mee verbonden. Zij is er een blijvende vrucht van. Zij wordt na de viering van het avondmaal gedaan, maar niet minder in de dagen en maanden die volgen.

Wie met zegen aan de dis van het nieuwe verbond gezeten heeft, zal diep doordrongen zijn van de woorden van de Zaligmaker: 'Zonder Mij kunt gij niets doen'. Zonder Hem kunnen wij niet bidden. Zonder Hem kunnen wij de Schrift niet onderzoeken. Zonder Hem zal er geen enkele vrucht zijn. Wij horen de Zaligmaker zeggen: 'Uit u geen vrucht meer tot in der eeuwigheid. Uw vrucht wordt uit Mij gevonden'.

In alle afhankelijkheid zal er een wassen zijn in de kennis en genade van onze Heere Jezus Christus. Met het groeien zal ook de zekerheid van het geloof toenemen. Let wel: de zekerheid behoort niet tot het welwezen van het geloof. Zij behoort voor de volle honderd procent tot het wezen van het geloof. De zekerheid is met het geloof gegeven. Zij is - om zo te zeggen - geen extraatje. De Schrift zelf, maar ook de Heidelberger Catechismus laat ons niet in het onzekere als er over het geloof gesproken wordt. Groei in de kennis en de genade van de Heere Jezus Christus, gepaard gaande met de zekerheid van het geloof is er alleen door de werking van de Heilige Geest.

Nabetrachting

Wat houdt de nabetrachting in? Ik begin maar met het meest eenvoudige antwoord. Wat dat is? Niets anders dan dat men de nabecrachtingsdienst 's middags of's avonds zal meemaken. Het schijnt wel voor te komen dat men de avondmaalsdienst meemaakt, aan het heilig avondmaal deelneemt, maar dat men in de dienst van nabetrachting schittert door afwezigheid. Wanneer men ziek is geworden of als er plotselinge zorgen in gezin of familie zich voordoen, kan ik hiervoor alle begrip opbrengen. De voorzienigheid Gods kan het ons verhinderen om naar de kerk te gaan. Echter... als er niets aan de hand is, dan maar komen tot het huis des Heeren. De Heere is het zo waard dat Hij openlijk gedankt wordt voor al de weldaden aan ons bewezen. Hoe zegt de psalmdichter dat ook al weer? Ik hoor hem zeggen: 'Ik zal liefde en lof voor U ten offer mengen. In het heiligdom waar het volk vergaderd is'.

Tot de nabetrachting behoort, behalve de kerkgang, de overdenking van het verbond, waarvan de tekenen gebruikt zijn. Bij het verbond behoren de beloften die in Christus Jezus ja en amen zijn, Gode tot heerlijkheid door ons. Niet minder hebben wij te denken aan een heilige wandel. Wij hebben ons te oefenen in het volgen van het Lam waar Het ook heengaat.

En wat te denken van de woorden van de Heiland: 'Gij zult mijn getuigen zijn'? Of die andere woorden van Hem om een lichtend licht en een zoutend zout te zijn? Met deze woorden van de Zaligmaker zijn wij niet snel klaar. Het gaat er immers maar niet om dat wij over deze woorden filosoferen of een dogmatisch verhaal houden. Neen, het is de bedoeling dat wij ze in de praktijk brengen, zoals het versje uit onze kinderjaren ons voorhoudt: 'U in uw klein hoekje en ik in dat van mij'.

Het bovenstaande houdt in dat wij na iedere avondmaalsgang iets meer sterven aan onszelf, om steeds meer Jezus alleen over te houden. Of zoals er in Johannes 3 : 30 staat geschreven: 'Hij moet wassen en ik minder worden'. Er zou nog veel meer te schrijven zijn.

Ik wil afronden met een couplet uit een gedicht van de hand van Petrus Immens. Ik heb het ontleend aan 'De dankende disgenoot'. Het is het zevende couplet:

'Mijn Goël, ach, waarmee zal ik u prijzen? Wat ojfergeur zal U mijn dank bewijzen? Dan, neen - Gij uraacjt een hart, dat ledigis Dat zich ontsluit voor Uw liefdewetten Dat vurig blijft op Uwe wenken letten, En zoetheên smaakt in uw getuigenis'.

G. S. A. de Knegt, Barneveld

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Liefde en lof ten offer

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's