Overblijfselen van Godsbesef
GEDACHTEN ROND HET AANKNOPINGSPUNT [5]
Algemene openbaring
We willen nog wat verder ingaan op de vraag van scheppingsgegevenheden die min of meer ongeschonden door de zondeval zijn heengegaan. Voordat we dat doen, willen we eerst echter nog meer zeggen over het grote belang van vasthouden aan de leer van de algemene openbaring.
Immers, wie die leer loslaat, loopt het levensgrote gevaar de wereld waarin we leven, te gaan zien als ons totaal vreemd. Men verliest het helder zicht op het feit dat deze wereld door niemand minder dan door God, dat is de Vader van onze Heere Jezus Christus, is geschapen. En men loopt het risico kwijt te raken dat deze wereld goed is geschapen en dat de zonde erbij is gekomen, los van het handelen van God. Zonde is dus niet in enige vorm vanuit God te verklaren, zoals Barth en helaas ook A. van de Beek gevaar lopen te leren. Immers, God is heilig en kan geen kwaad gedogen. En wij dienen met heilige passie de heiligheid van onze God hoog te houden. Temeer daar met name aan het kruis van Golgotha glashelder blijkt dat God geen enkele knieval voor enige zonde ooit zal doen. Want Christus stierf met volledige handhaving van Gods heilig recht. Dat is het heilig recht dat de volle vloek eist over de zondaar. Tegelijk is dat het heilig recht dat God in Zijn eindeloze genade heeft laten voltrekken aan Zijn geliefde Zoon.
Allemaal redenen om de leer van de algemene openbaring hoog op onze theologische agenda genoteerd te houden. Temeer daar het ook samenhangt met de vraagstelling of er conti-nuïteit is tussen schepping en herschepping en van welke aard die continuïteit is. Die continuïteit is er in elk geval vanuit God gezien. De God die alles geschapen heeft is Dezelfde als die herschept. Al is er wel enig onderscheid.
Bij de schepping gaat het immers om God de Vader, God de Zoon als het eeuwige Woord en God de Heilige Geest. Bij de herschepping gaat het om God de Vader, Christus Jezus als de vleesgeworden Zoon van God en de Heilige Geest als de Geest van Christus. Wij wijzen hierbij dus af de gedachte dat de Heere Jezus reeds bij de schepping betrokken zou zijn geweest. Daar was enkel de nog niet vleesgeworden Zoon van God bij betrokken. Tegelijk houden we vast aan onderscheid inzake de Heilige Geest. Die is namelijk niet enkel bij de schepping (en onderhouding) van de wereld betrokken.
Die is als de Geest die Christus verwierf door zijn volbrachte werk en die Hij met Pinksteren uitstortte, ook bij de herschepping aan het werk. Ondertussen is duidelijk dat er vanuit God gezien volledige continuïteit is tussen schepping en herschepping.
Gods schepping
Hoe is het echter met die continuïteit gesteld wanneer we het vanuit de mens, of breder gezegd vanuit de schepping, gaan bezien? We zouden immers nog verder ingaan op het belang van scheppingsgegevenheden, al of niet aangetast door de zonde. Is er vanuit de schepping bezien ook (nog) continuïteit? Of heeft de zonde als erbij gekomen werkelijkheid, elk spoor van continuïteit uitgewist? Nog afgezien van de vraag in hoeverre de zonde Gods goede schepping heeft aangetast, blijft in elk geval rechtovereind staan dat God alles goed geschapen heeft.
Ook blijft vaststaan dat de zonde Gods schepping niet ongedaan heeft gemaakt. En in het bloeien van de bloemen, in het vliegen van de vogels, in het zeilen van de wolken langs de
blauwe luchten, zien we heel veel van die goede schepping terug. Om maar te zwijgen van het prachtige kleurenpalet dat God door zon en maan weet te geven aan wolkenformaties. En niet te vergeten de miljarden sterren en alles wat er verder als scheppingswerk van God in het heelal te vinden is. Terwijl de ontwikkeling van de wetenschap ons ook steeds meer verwonderd doet staan over de schone harmonische samenhang van cellen en atomen. In dat alles zien we nog steeds veel van Gods goede schepping terug.
Paradijssporen
Doch hoe ligt dat bij het kroonjuweel van Gods scheppingswerk, de mens? We zagen er reeds iets van bij het behandelen van de mens als geschapen naar Gods beeld. Het beeld van God in engere zin is geheel verdwenen door de zonde, en het beeld Gods in ruimere zin is zeer ernstig verdorven door de zonde.
De kwestie is echter ook nog vanuit andere gezichtshoeken te bezien. In de theologie is er altijd een lijn geweest die heeft vastgehouden aan paradijssporen die overgebleven zijn. Men sprak dan van vonkjes licht, van kleine overblijfselen, van godsbesef (semen religionis). Iets waar Barth niets van heeft willen weten, doch wat reeds bij Augustinus te vinden is. De mens heeft iets van verlangen naar geluk, rust en bemind worden overgehouden. Dit verlangen is door de zonde echter zozeer verdorven en verwoest dat het totaal fout gebruikt wordt. Het wordt helaas gebruikt in een richting tegendraads aan wat God wil. Het is daarentegen enkel door Gods genade dat de richting weer pro God wordt. Enkel op. deze wijze komt het verlangen echt tot vervulling.
Ook Calvijn stelt dat de vonkjes van het natuurlijk licht niet door ons kunnen worden aangeblazen tot vol licht (ze geven enkel aan waar het vuur was). Verder stelt hij dat de natuurlijke kennis van God als godsbesef, enkel dient om ons alle onschuld te ontnemen, want het stelt ons verantwoordelijk. Het godsbesef als zaad van godsdienst in ons aanwezig, wordt door onze boosheid verstikt en brengt dus geen vrucht voort. De zaligmakende kennis van God komt daarom niet uit onszelf op, maar komt vanbuiten naar ons toe.
Vandaar ook dat de Dordtse Leerregels tegenover de remonstranten afwijzen dat de mens het natuurlijk licht goed zou kunnen gebruiken. Integendeel, de mens misbruikt het.
Helaas moeten we zeggen dat in de natijd van de Nadere Reformatie de natuurlijke godskennis hier en daar iets te positiefis getoonzet. Gelukkig was dat nog zo miniem dat het genadekarakter van de genade er geen gevaar door opliep. Kuyper heeft dit echter aangegrepen om het op onverantwoorde wijze uit te bouwen. Weliswaar leerde ook Kuyper aan de ene kant de verdorvenheid van de mens door de zonde. Aan de andere kant heeft hij de algemene genade van God echter zo onbijbels opgewaardeerd dat de 'kleine vonkjes' tot aanknopingspunt werden verheven.
Naadloze aansluiting
Als we het geheel nu enigszins willen overzien, dan moeten we concluderen dat er in de mens inderdaad geen aanknopingspunt is voor de genade van God. Barth heeft terecht 'Nein' geroepen.
Wat er nog aan scheppingsgegevenheden in de mens is overgebleven - en daar houden we tegenover Barth aan vast - , is zozeer verdorven door de zonde dat het in geen enkel opzicht in het verlengde ligt van de genade van God. Genade komt voor honderd procent van boven, van God. Het is ook voor geen millimeter vanuit de mens te verklaren. Iets wat weer samenhangt met de leer van de drie-eenheid van God. Die leer vertelt ons immers dat God het is aan Wie we alles te danken hebben betreffende onze zaligheid. Immers, als God de Vader heeft Hij in verkiezende liefde, om redenen uit Zichzelf genomen, onze redding op het oog. Als God de Zoon is Hij in ons zondig menselijk bestaan afgedaald om alles te volbrengen tot ons behoud. Als God de Heilige Geest doet Hij ons door het Woord opstaan uit de doodslaap der zonde en geeft ons lege geloofshanden om het heil in Christus aan te nemen. Onze verlorenheid door de zonde is zo radicaal dat niemand minder dan God Zelf er voor honderd procent aan te pas moet komen. De leer van de totale verdorvenheid van de mens door de zonde, sluit dus naadloos aan bij de leer van de drie-eenheid van God.
Radicale genade
Daarom heeft de kerk der eeuwen niet alleen het pelagianisme, maar ook het semi-pelagianisme afgewezen en veroordeeld. Immers, het pelagianisme wil als in wezen pure vrijzinnigheid, de mens alle mogelijkheid verlenen om vanuit zichzelf zalig te worden. Het semi-pelagianisme zoekt het in samenwerking tussen God en mens. Het is dus pro een menselijke inbreng inzake het zaligworden. En al zou die menselijke inbreng geminimaliseerd worden tot slechts één procent of minder, het doet in alle gevallen tekort aap het genadekarakter der genade. De kerk der eeuwen wijst dit dus radicaal af, zoals met name op de synode van Dordrecht (1618-1619) naar voren is gekomen. Immers, daar stond het bijbelwoord uit Romeinen 9 : 16 centraal namelijk: 'Zo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods'.
Het gaat om radicale en resdoze genade waarin er geen enkele reden is om de mens enige pluim op de hoed te zetten voor welk aanknopingspunt ook. Er is uitsluitend alle reden om te zeggen: 'Die roemt, roeme in de Heere'. Of met woorden uit het bijbelboek Openbaring (5 : 12): 'Het Lam dat geslacht, is, is waardig te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging'.
R. H. Kieskamp, Lienden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's