Ir. H. van der Kooij Onder de zesde fiool. Een verhandeling van de Openbaring, door A. van der Kooij v.d.m. Kesteren, 2003; 259 blz.; € 16,50.
Ir. H. van der Kooij uit Kesteren heeft in Onder de zesde fiool. Een verhandeling van de Openbaring getracht allerlei materiaal van zijn inmiddels overleden vader, ds. A; van der Kooij, tot een goed leesbaar geheel te smeden. Hij maakte gebruik van nagelaten uitgeschreven preken, preekschetsen, meditaties, artikelen, fragmenten van artikelen, ingezonden stukjes, aantekeningen in bijbels en boeken, enz., enz. Door deze aanpak is het boek een heterogeen geheel geworden met exegetische, historische, meditatieve en pastoraal getoonzette stukken. Een dergelijke aanpak geeft de mogelijkheid om zoveel mogelijk van iemands leer en leven na te laten. Een nadeel is echter dat het snel een soort 'ode' wordt. Een lofzang. Daar is de auteur/samensteller ook niet geheel aan ontkomen. De grote waardering voor zijn vader, en dan vooral voor zijn vader 'als prediker', of moet ik zeggen 'als prediker met profetische gaven', steekt hij niet onder stoelen of banken, waarbij we wel positief moeten opmerken dat het een groot voorrecht is als ook domineeskinderen de waarde en het gewicht leren kennen van de prediking naar Schrift en belijdenis. Ds. A. van der Kooij, die hervormd predikant was te Nieuwpoort, Nieuwe Tonge, Zuilichem-Nieuwaal en Noorden en vooral bekendheid verwierf door zijn vele ingezonden brieven in het RD, heeft zich in zijn leven intensief beziggehouden met het boek Openbaring. Op zijn sterfdag trof de zoon op het bureau van zijn vader vergeelde, opgerolde kladblokvellen aan. Het geheel bleek een berijmde weergave van het boek Openbaring te zijn. Weldra ontstond het plan de berijmde weergave aan te vullen met allerlei andere pennenvruchten van vader Van der Kooij. De climax van het boek ligt bij het tijdperk
van de zesde fiool (Openbaring 16), waar we volgens ds. Van der Kooij thans onder leven. Volgens hem is deze tijd een zeer ernstige tijd, vooral voor Gods kerk: 'Donkere machten doen zich gelden. Remmingen vallen weg. Het kwaad breekt zich baan.' En dat ook in een land als Nederland, waar 'de waarheid ingang vond en de leugenleer mocht worden afgewezen.' Vanuit 'klassiek' oogpunt wordt vooral Rome aangewezen als het grote gevaar, groter dan de islam.
Hoe moeten we een boek als dit beoordelen? Het is in ieder geval niet een evenwichtig wetenschappelijk commentaar op het boek Openbaring. Het is eerder een wonderlijk samenraapsel van rijp en groen. Prachtige vergezichten, geestelijke gedachten, overbodige uitweidingen, originele uitspraken en stellingen, afgewisseld door theologische dichtregels van zeer bescheiden literair niveau. Waarbij helaas opnieuw blijkt hoe moeilijk het in onze gezindte steeds weer is een bepaald cultureel niveau te bereiken. En hoe eenzijdig bepaalde bijbelse passages geduid kunnen worden. Uit dit boek blijkt echter wel dat ds. Van der Kooij een zelfstandig denker was en er niet voor terugdeinsde buiten de betreden paden te gaan. Ik denk vooral ook aan zijn uiteenzetting over het duizendjarige rijk uit Openbaring 20, in de lijn van Bunyan en Van der Groe. Van der Kooij gaat hier, evenals Bunyan, uit van een wereldsabbat, het zevende duizendtal jaren. Een periode van duizend jaar die onmiddellijk zal volgen als de wereld 6000 jaar bestaan heeft. De joodse jaartelling telt al 5764 jaren, de wereldsabbat zou dus over een aantal jaren kunnen aanbreken. De tekst dat dan de aarde vol zal zijn van de kennis des Heeren, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken, vat hij dan ook letterlijk op.
Vanuit het leven onder de zesde fiool, en vanuit de verzen over de twee getuigen uit Openbaring n, krijgt ook het kerkelijk vraagstuk uitgebreid aandacht. Vooral de strijd rond de kerkorde van 1951 en het SoW-proces. Het boek verscheen niet voor niets vlak vóór 12 dec. jl. Verhelderend is de uiteenzetting van de strijd binnen de hervormd-gereformeerde beweging tegen artikel X van de kerkorde van 1951. Ds. Van der Kooij schreef destijds n.a.v. de aanvaarding van genoemde kerkorde: 'De hervormde kerk heeft daarmee de vaste bodem verlaten en heeft zich op een hellend vlak begeven.' Rond die strijd, maar ook rond het SoWproces, was het voor ds. Van der Kooij de vraag hoe lang hij in zo'n kerk mocht en kon blijven. Doorslaggevend waren voor hem de eerste twee verzen van Openbaring 11: 'Meet de tempel Gods en het altaar, en degenen die daarin aanbidden; en laat het voorhof uit, want het is de heidenen gegeven.'
De grote vraag is dan: wanneer moet het voorhof worden uitgelaten en overgegeven worden aan de heidenen? Voor Van der Kooij is dat moment daar waar het aan de heidenen is overgeleverd en zij er vrij spel hebben. Als men ongestraft de algemene christelijke geloofsbelijdenis openlijk kan verloochenen.
Ik denk dat hij gelijk had toen hij schreef dat we op de grenzen van Openbaring 11: 2 zijn terechtgekomen, maar dat het - ondanks alles - nu nog niet zover is: 'Mij dunkt vóórdat het voorhof is uitgeworpen, mogen wij het niet prijsgeven. Dit wordt echter plicht, zodra het blijkt dat het voorhof werkelijk de heidenen is gegéven, door de goddeloosheid der machthebbenden of leidslieden. Dan is het uitwerpen, als van iets onreins, roeping en plicht.' Al met al een boeiend, maar ook een ietwat eigenzinnig boek. Vooral ter meditatie hartelijk aanbevolen!
H. Liefting, Schoonhoven
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's