Waarom God mens werd [2]
Vorige week schreven we dat het antwoord op de vraag wat God bewoog om mens te worden niet enkelvoudig te beantwoorden is, hoe duidelijk het ook voor ons, gelovigen, zijn moge dat ons heil, onze zaligheid, daarvan de vrucht was. Echter, de vraag Iaat zich stellen: had God de Vader niet van oorsprong af een bredere bedoeling met de zending van zijn Zoon? Spreekt ook onze catechismus in vr./antw. 54 niet van een heil dat van het begin van de schepping af, dus al voor de zondeval, door God werd bedoeld en sindsdien uitgewerkt? Kwam de zonde, de zondeval, daar niet als het ware tussenin, zodat daardoor het werk van Christus wel aan inhoud en rijkdom moest winnen? Zodat God de Vader er later meer mee bedoelde dan van de oorsprong af?
Beneden en boven
Wie vooral vanuit de zonde denkt om de komst van Christus te doorlichten, denkt van het slot uit naar het begin, van de werkelijkheid uit naar God toe, van beneden naar boven, naar de raad van God, theologisch gezegd: hij is infra-lapsarist, een beneden-val-denker; de zondeval is zijn uitgangspunt. Dit denken vinden we sterk in de genoemde zondagen van de catechismus terug. Wie echter gelooft in een Zoon die van meet af aan, dus aan de zondeval voorafgaand, door de Vader bestemd was om mens te worden, en om ons daardoor tot onze door God gewilde, bestemming te brengen, denkt van God uit naar de werkelijkheid toe. Van boven naar beneden, en hem noemen we supra-lapsarist, boven-valdenker.
Dit boekje houdt zich vooral bezig met Anselmus en in hem met de hoofdstroom van de kerkelijke overlevering na hem, zoals bijv. de catechismus doet. Men denkt dan vooral infra-lapsarisch, de komst van Christus nauw betrekkende op het heil van de mens, en op de persoon van de middelaar, en op zijn werk als verzoener en drager van de straf, voor ons.
Supra-gedachte
Daarnaast is er ook de andere lijn, namelijk die van een komst van Christus als van meet af aan Gods bedoeling, ook afgedacht van de zonde. Deze gedachte heeft eveneens oude papieren en kan zich beroepen op bijbelse uitspraken: niet alleen vinden we deze bij Duns Scotus, die hierin van zijn leermeester Thomas afwijkt, maar ook al eerder bij kerkvaders als Irenaeus - ongeveer 175 na Chr. bisschop van Lyon - en bij Tertullianus, die ongeveer 200 na Chr. een van de scherpzinnigste theologen in Rome was. Op hem zullen vele orthodoxen zich later beroepen. Helaas heeft Tertullianus zich later bekeerd tot die dwepers die een zo spoedige wederkomst van Christus verwachtten dat zij de opdracht in de wereld niet meer de moeite achtten; maar de gedachte van een menswording van Christus buiten de zonde om hoort niet bij zijn dweperij.
Deze supra-gedachte komt later in de geschiedenis telkens terug: Calvijn noemt hem, maar waarschuwt ons nadrukkelijk hierover niet te speculeren: we gaan dan immers de goddelijke bestemming van de mens, het doel waarvoor Jezus gekomen zou zijn, op onze eigen manier invullen. Dan doen we alsof er geen zonde is die niet alleen deze bestemming voor ons onhaalbaar maakt, maar ook ons denken bederft: het is zelfoverschatting.
Men kan deze gedachte ook vasthouden zonder erover te gaan speculeren, en ik denk dat dat ook mag. De ethische theologie (vooral voor de Tweede Wereldoorlog) gebruikte deze gedachte als een (terecht) argument om open te staan voor de cultuur waarin de mens leeft, en de bestrijder bij uitstek van deze theologie, Groen van Prinsterer, heeft deze gedachte dan ook nooit
verworpen, en zelfs als wettig erkend. Er is een natuurlijke doelgerichtheid van de hele schepping, het stempel daarvan is de schepping ingedrukt, ook ons 'diepste ik', en alles is aangelegd op de in Christus geopenbaarde bedoeling van God, op de door God bedoelde bestemming voor Zijn schepping. Verder kunnen we niet gaan, we kunnen het niet zelf invullen, maar het houdt ons open naar de wereld toe en naar cultuur en onze opdracht daarin.
Morele vrijblijvendheid
Aan Wat God bewoog mens te worden gaat niet alleen een uitnemende inleiding vooraf, maar ook een dito artikel. Beide zijn van de hand van dr. H. Veldhuis (Culemborg) en wijzen op het bestaan van beide lijnen in de theologische geschiedenis. Ook wijst hij terecht op iets anders: wie sterk supra denkt, dus vanuit een komst van Christus ook buiten de zonde om, en dat dan vooral om de mens te vervolmaken, zal ook sterke nadruk op die mens leggen, op zijn zelfverwerkelijking, op zijn persoonlijkheidsideaal en op wat hij als de mens beleeft. Hij zal dus ook tot individualisme geneigd zijn, zowel in zijn denken als in zijn idealen. En dat kan duchtig gaan ontaarden: voer voor een tijd als de onze die de eigen persoon centraal stelt, alsof wij zelf van alles het middelpunt zijn. Dan gaat ieder, en ieder met gelijk recht - of niemand met recht - de werkelijkheid rondom hem duiden en kneden. En dus ook de waarden waarnaar we ons te richten hebben. Gevolg: de morele vrijblijvendheid wordt troef.
Juist omdat het supra op deze manier uit de hand kan lopen, is het zaak als gelovige open ogen te houden voor het allereerst nodige: de middelaar en Zijn werk te erkennen als levensnoodzakelijk. En dat dan onverkort als God Zelf, mensgeworden, vleesgeworden, wonende onder ons. Hem zo erkennen en belijden is heel wat meer dan zeggen dat Hij goddelijk is.
Godheid van Christus
Hier kom ik tot een stukje directe actualiteit. Veldhuis leidt onze gedachten naar het rapport van de triosynode uit 2000, Jezus Christus onze Heer en Verlosser, waarin men dacht een duidelijk antwoord en helder belijden te hebben geboden na de publicaties van Kuitert en Den Heijer en van anderen die de verzoening door het lijden van Christus aantastten. Maar leg ik dat rapport naast onze catechismus vr./antw. 17, dan valt op dat deze heel nadrukkelijk de godheid van de persoon van de middelaar belijdt, als noodzakelijk voor zijn werk. Het is geen spitsvondigheid daar een streep onder te zetten.
Er moet méér beleden worden dan dat de op aarde gekomen Heiland 'uit God' is. En dit 'meer' is het nu juist wat in dit rapport, in navolging van de theologie van dr. H. Berkhof, ontbreekt. De voluit gedane belijdenis van de godheid van Christus ontbreekt, wanneer uitsluitend de oorsprongverhouding wordt benadrukt. Met als keerzijde dat ook het dragen van het goddelijk oordeel en de straf naar de achtergrond wordt gedrongen, want een die alleen maar 'uit God' is, gaat hieraan onherroepelijk te gronde.
Anselmus
De bovenstaande overdenking van het waarom van Jezus' godheid wordt niet door alle schrijvers gedeeld. Zo kan N. den Bok met Anselmus weliswaar uit de voeten, maar niet met de verzoening door voldoening, en dat klopt dus niet. De gereformeerde traditie heeft zich aan Anselmus en daarmee ook aan de noodzaak van verzoening door voldoening, dus ook met het strafdragen erbij, geconformeerd. E. P. Meijering analyseert vooral de gedachten van de kerkvader Irenaeus. Zelf kan hij niet overweg met de absolute noodzaak van verzoening, evenmin als Den Bok. Beiden zoeken dus een noodzaak voor Christus' komst die al aan de zonde voorafging: God had tóch al een reden die Hem van plan deed zijn om Zijn Zoon te zenden.
Ik denk dat wij, over de 'reden' nadenkend, onontkoombaar in de speculatie vervallen waarvoor Calvijn ons zo nadrukkelijk waarschuwt. Dan is het troostend om bij G. van den Brink te lezen hoezeer Anselmus en de catechismus op dezelfde stoel zitten. Je herinnert je weer hoe mannen als prof. Lekkerkerker (Groningen) zich eertijds inhoudelijk gewonnen hebben leren geven aan de catechismus, hoezeer zij zich aanvankelijk ook stoorden aan en weerhouden werden door de aan Anselmus ontleende schoolse opzet.
Denken van Barth
Het minst abstracte artikel is dat over Karl Barth, van de hand van dr. A. J. Plaisier. Diens studie is hier helemaal op zijn plaats, omdat Barth in een opzicht heel sterk binnen de traditionele overlevering staat, namelijk dat het in de persoon van Christus niet slechts gaat om een oorsprongsverhouding ('uit de Vader'). Het gaat maar ook om afwijzing van iedere dreigende vorm van adoptianisme, alsof de Vader iemand 'geadopteerd' zou hebben om tot zijn zoon te worden, of dat er een soort niet aan enig mens gebonden menselijke natuur zou hebben bestaan (hoe kan dat? toch zijn er denkers geweest die het beweerden) waarmee Jezus zich vervolgens zou hebben verenigd. Wanneer men echter op deze manier de menswording gaat invullen met iets van onszelf, doet men tekort aan de gratuïteit, het uitsluitende genadekarakter van het heil: het gaat immers alleen van God uit.
Echter, het denken van Barth heeft ook zijn grote bezwaren, hoezeer hij God als eerste belijdt, aan de geschiedenis voorafgaand en met Zijn raad waarin alles besloten ligt. In die raad ligt namelijk bij Barth ook al de verzoening, zodat de hele geschiedenis van meet af aan tot verzoeningsgeschiedenis wordt. Scherp gezegd (door Plaisier): omdat de verzoening tot het wezen van Gods daden behoort, is er dus eigenlijk al van verzoening sprake, voordat er een te verzoenen zondige mens is.
Inderdaad, zo wordt de geschiedenis eigenlijk buitenspel gezet, ondanks het feit dat ook de geschiedenis een stuk schepping is. Een geschapen gegeven, een stuk schepping. Dan komen ongeloof en verharding niet als echte werkelijkheden meer aan de orde, en behoeven zij niet meer in de tijd verzoend te worden. Zo wordt de verzoening tot een soort idee die meer het denken en de werkelijkheid beheerst dan dat het een realiteit is, vrucht van het lijden van Christus: de in zijn opzet zo streng orthodoxe Barth (geen bestaande menselijke natuur die door Jezus werd aangenomen!) ondergraaft de ernst en de blijdschap van de verzoening in een te vroeg behaalde overwinning: eigenlijk is alles al van tevoren overwonnen in de raad van God.
Ik zou kunnen doorgaan, omdat ieder van deze schrijvers zichzelf is, met eigen inzichten. Het verst van het klassieke denken af staat wel dr. M. Sarot, die weliswaar erkent dat Christus kwam om te lijden, maar die het lijden ook al op God toepast. Deze Christus komt dan zo dichtbij in de menswording om ons te troosten.
Ik moet besluiten. Mag ik de theologische faculteit van Utrecht bedanken, zo de bemoedigingshand drukken en zeggen: tot volgend jaar?
S. MEIJERS, ZEIST
N. den Bok en G. Labooy (red.) Wat God bewoog mens te worden. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer; 240 blz.; € 16, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's